Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.39341
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvragen op grond van artikel 8 EVRM wegens belangenafweging gezinshereniging

Eisers, Syrische familieleden, hebben mvv-aanvragen ingediend om in Nederland te verblijven bij referent. De minister wees deze aanvragen af, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank beoordeelde de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen eisers en referent, evenals de financiële afhankelijkheid en de binding met Syrië, Turkije en Nederland. Hoewel er sprake is van gezinsleven, vond de rechtbank dat dit geen doorslaggevend belang heeft vanwege de aanwezigheid van ouders en de zorg die reeds wordt verleend.

De rechtbank oordeelde dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, maar onvoldoende is onderbouwd dat Turkije als onveilig derde land kan worden aangemerkt. De belangenafweging, waarbij ook het restrictieve toelatingsbeleid en de openbare orde werden betrokken, viel in het nadeel van eisers uit.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eisers geen recht hebben op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvragen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39341

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

geboren op [geboortedatum] 1997
V-nummer: [V-nummer]

[eiseres 1] , eiseres 1,

geboren op [geboortedatum] 2001
V-nummer: [V-nummer]

[eiseres 2] , eiseres 2,

geboren op [geboortedatum] 2020
V-nummer: [V-nummer]
allen van Syrische nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D. Koevoets).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van artikel 8 EVRM Pro [1] ingediend door [referent] (referent) ten behoeve van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de mvv-aanvragen in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 2 augustus 2022 heeft referent ten behoeve van eisers mvv-aanvragen gedaan in het kader van artikel 8 EVRM Pro. Op 24 maart 2024 heeft referent aanvullende informatie opgestuurd. Op 24 juni 2024 zijn [eiseres 1] en [eiser] gehoord door de minister. De minister heeft de aanvragen met het besluit van 2 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, J. Matti als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eisers wensen in Nederland te verblijven bij referent. In 2015 zijn de familieleden gevlucht van Syrië naar Turkije. Referent heeft ten tijde van de aanvraag ook voor zijn moeder, vader en twee broers, [persoon1] en [persoon2] , mvv-aanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn toegewezen en sinds november 2024 wonen zij in Nederland bij referent. [eiseres 1] is de oudere zus van referent en was ten tijde van de aanvraag 21 jaar oud. Zij heeft een dochter genaamd [eiseres 2] , het nichtje van referent. [eiser] is de oudere broer van referent en was ten tijde van de aanvraag 25 jaar oud.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich op het standpunt dat het jongvolwassenebeleid niet van toepassing is op de band tussen [eiseres 1] en haar ouders, en [eiser] en zijn ouders. Ook is er tussen [eiseres 1] en haar ouders, en [eiser] en zijn ouders, geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarnaast is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [eiser] , [eiseres 1] en [persoon2] . Er is wel sprake van hechte persoonlijke banden tussen [eiser] , [eiseres 1] en [referent] , en, tussen [eiser] , [eiseres 1] en [persoon1] . Verder is er sprake van hechte persoonlijke banden tussen [eiseres 2] , [referent] en de gezinsleden in Nederland. Dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen [eiser] , [eiseres 1] en [referent] (en [persoon1] ) weegt in het voordeel van eisers. Desondanks komt geen doorslaggevend belang aan deze vorm van gezinsleven toe, omdat de ouders altijd in het beeld zijn geweest en omdat [persoon1] en [referent] op de zorg van de ouders kunnen terugvallen. Ook is niet gebleken dat [referent] en [persoon1] financieel afhankelijk zijn van [eiser] . Het gezinsleven tussen [eiseres 2] , [referent] en zijn gezinsleden in Nederland weegt ook in het voordeel van eisers, maar er komt geen doorslaggevend belang aan toe nu niet is gebleken dat [eiseres 2] financieel afhankelijk was van haar grootmoeder toen zij nog in Turkije woonde of dat zij dat nu is. Er is een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië, het land van herkomst, uit te oefenen. Dit weegt in het voordeel. Tegelijkertijd hebben de gezinsleden sterke banden met Syrië, enige banden met Turkije, maar geen banden met Nederland. Dit weegt licht in het nadeel. Het belang van het kind weeg niet in het voordeel, omdat het in het belang van [eiseres 2] is om het gezinsleven met haar moeder uit te oefenen nu zij altijd de hoofdverzorger is geweest. Het restrictief toelatingsbeleid en de economische belangen van de Nederlandse staat wegen gewichtig in het nadeel. Het belang van de openbare orde weegt in het voordeel.
Heeft de minsister zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt?
Gezinsleven en aard en intensiteit van het gezinsleven
5. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte in het nadeel heeft meegewogen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen [eiser] , [eiseres 1] en [referent] , en tussen [eiseres 2] , [referent] en zijn gezinsleden beperkt gewicht toekomt. De minister hecht daarbij te weinig waarde aan het bestaande gezinsleven en stelt ten onrechte contact op afstand gelijk aan gezinsleven.
5.1.
Niet in geschil is dat er sprake is van gezinsleven tussen [eiser] , [eiseres 1] en [referent] , [eiser] , [eiseres 1] en [persoon1] , en tussen [eiseres 2] , [referent] en de gezinsleden in Nederland als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt dat de minister de samenwoning van [eiser] , [eiseres 1] , [referent] en [persoon1] in Turkije, tot aan het vertrek van [referent] , kenbaar bij de beoordeling van de aard en intensiteit van het gezinsleven heeft betrokken. De minister heeft bij de weging van de samenwoning mogen betrekken dat de ouders gedurende deze samenwoning ook altijd in beeld zijn geweest. Bij de beoordeling van de financiële afhankelijkheid tussen [eiser] , [eiseres 1] , [referent] en [persoon1] heeft de minister gekeken naar de feitelijke situatie in Syrië, Turkije en Nederland. Uit het voorgaande blijkt dat de minister niet alleen heeft gekeken naar de invulling van het gezinsleven ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, maar ook naar de invulling ten tijde van het nog samenzijn van de gezinsleden in Syrië en Turkije.
5.2.
Ook heeft de minister bij de beoordeling van de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen [eiseres 2] , [referent] en de gezinsleden in Nederland zowel de feitelijke invulling ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, als de situatie in Turkije betrokken. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er beperkt gewicht toekomt aan het gezinsleven, omdat [eiseres 1] altijd in beeld is geweest en heeft gezorgd voor [eiseres 2] . Verder heeft de minister mogen betrekken dat niet is gebleken dat [eiseres 2] financieel afhankelijk is geweest van haar grootmoeder ten tijde van het verblijf in Turkije of ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.
5.3.
Ter zitting heeft de minister erkend dat contact op afstand niet de beoogde wijze van contact is. De minister heeft er in de belangenafweging echter terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eisers en referent het gezinsleven niet op afstand kunnen voortzetten.
5.4.
Gelet op wat de rechtbank onder 5.1. tot en met 5.3. heeft overwogen heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven beperkt gewicht toekomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Belang van het kind
6. Eisers voeren verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van het kind niet in het voordeel weegt. Het belang van het kind is immers om bestaande banden zoveel als mogelijk voort te zetten en onnodig gemis van dierbaren te voorkomen. Alleen daarom al weegt het belang in het voordeel. Het belang van de kinderen om bij hun moeder te verblijven doet niets af aan hun belang om ook gezinsleven voort te zetten met anderen waarmee zij banden hebben.
6.1.
Niet in geschil is dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen [eiseres 2] , [referent] en de gezinsleden in Nederland. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het voor [eiseres 2] het belangrijkst is om het gezinsleven met haar moeder te kunnen uitoefenen. De minister heeft bij zijn beoordeling mogen betrekken dat [eiseres 1] altijd de hoofdverzorger is geweest van [eiseres 2] en de verantwoordelijke voor haar opvoeding. Niet is gebleken dat [eiseres 1] deze zorg op enig moment niet heeft kunnen dragen en niet zal kunnen blijven dragen. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen een andere mate van bescherming toekomt dan de relatie tussen ouder en kind. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Binding met Syrië, Turkije en Nederland
7. Eisers voeren ten slotte aan dat de minister ten onrechte het gebrek aan binding met Nederland negatief heeft meegewogen. Deze beoordeling kan niet los worden gezien van de vraag waar het gezinsleven wel uitgeoefend kan worden. De minister heeft terecht geconcludeerd dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. De minister miskent echter dat voor Turkije ook een objectieve belemmering bestaat, omdat in de asielprocedure van referent is getoetst of Turkije een veilig derde land is. Ter zitting lichten eisers toe dat het logischerwijs uit de asielprocedure volgt dat nu referent een asielvergunning verleend heeft gekregen, de minister Turkije geen veilig derde land achtte voor referent.
7.1.
Uit de Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro (de Werkinstructie) volgt dat de binding met land van herkomst, de binding met een ander land en de binding met Nederland relevante aspecten zijn in de belangenafweging. Indien sprake is van omstandigheden in het land van herkomst die het de vreemdeling of (één van de) familie- of gezinsleden onmogelijk maken om in het land van herkomst te verblijven, is sprake van een objectieve belemmering. [2] Om aan te kunnen nemen dat het gezinsleven in een ander land kan worden uitgeoefend moet er sprake zijn van een zekere mate van binding. [3] De binding met het land van herkomst of andere landen wordt afgezet tegen de binding met Nederland. [4]
7.2.
Niet in geschil is dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in het land van herkomst, Syrië, uit te oefenen. Voor zover eisers stellen dat uit de asielvergunning van referent volgt dat de minister Turkije niet als veilig derde land heeft aangemerkt voor referent en daarom een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven daar uit te oefenen, is dit onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat er omstandigheden zijn in Turkije die het de referent of (één van de) familie- of gezinsleden onmogelijk maken om daar te verblijven. De minister heeft terecht de binding met land van herkomst of andere landen afgezet tegen de binding met Nederland. De minister heeft zich vervolgens op het standpunt mogen stellen dat het licht in het nadeel van eisers weegt dat zij sterke banden hebben met het land van herkomst, enkele banden met Turkije, maar geen banden met Nederland. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
8 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Zie paragraaf 7.3 van de Werkinstructie.
3.Zie paragraaf 7.6 van de Werkinstructie.
4.Zie paragraaf 7.7 van de Werkinstructie.