ECLI:NL:RBDHA:2026:16607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.44476
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Wilts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 KwalificatierichtlijnArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Koerdische Zaza wegens onvoldoende zwaarwegende discriminatie

Eiser, een Koerdische Zaza uit Turkije, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende discriminatie en mishandeling op grond van zijn etniciteit. De minister wees de aanvraag af omdat de mishandeling niet als discriminatoir werd beoordeeld en de vrees voor discriminatie onvoldoende zwaarwegend was.

De rechtbank bevestigt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mishandeling een discriminatoir karakter had, mede omdat het Turkse strafvonnis dit niet vermeldt en de bedreigingen niet geloofwaardig zijn geacht. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de Turkse autoriteiten geen bescherming bieden.

Verder oordeelt de rechtbank dat de ervaren discriminatie en incidenten, zoals achterstelling op school en een politieincident uit het verleden, niet zwaarwegend genoeg zijn om vluchtelingschap of ernstige schade aan te nemen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Turkije.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Turkije.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44476

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Eiser is Zaza en Koerd en stelt dat hij vanwege zijn etniciteit niet terug kan naar Turkije. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft op goede gronden ongeloofwaardig geacht dat eiser is mishandeld vanwege zijn etniciteit en dat hij is bedreigd
.Ook is de vrees voor discriminatie niet zwaarwegend genoeg voor vluchtelingschap of ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Sular als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in Turkije gediscrimineerd omdat hij Zaza en Koerd is (zijn etniciteit). Eiser is ook een keer mishandeld door een groep jongeren vanwege zijn etniciteit. De Turkse strafrechter heeft de daders hiervoor gestraft, maar de bescherming door de Turkse autoriteiten schiet tekort. De daders zijn maar licht gestraft, het gebiedsverbod werd niet gehandhaafd en de politie beschermde eiser niet tegen bedreigingen van de daders. Eiser stelt dat hij hierdoor een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • discriminatie vanwege zijn etniciteit;
  • mishandeling vanwege zijn etniciteit door een groep jongeren.
4.1.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht ook geloofwaardig dat eiser vanwege zijn afkomst wordt gediscrimineerd. De minister acht daarnaast geloofwaardig dat eiser is mishandeld door een groep jongeren, maar niet dat de mishandeling een discriminatoir karakter had. De minister heeft vervolgens geoordeeld dat de discriminatie onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen.
Het toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. [2] Dat kan met documenten of met geloofwaardig geachte verklaringen. [3]
5.1.
De minister beoordeelt vervolgens of de geloofwaardig bevonden elementen van het asielrelaas voldoende zwaarwegend zijn om eiser aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [4] Discriminatie kwalificeert als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag als eiser vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [5] Als eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, beoordeelt de minister of eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, waaronder in de vorm van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. [6]
5.2.
In dit kader beoordeelt de rechtbank eerst de asielmotieven van eiser die de minister ongeloofwaardig heeft geacht.
Moest de minister geloofwaardig achten dat de mishandeling van eiser een discriminatoir karakter had en dat eiser wordt bedreigd?
6. Eiser voert aan dat hij door een groep jongeren is mishandeld vanwege zijn etniciteit. Uit het Turkse strafvonnis dat hij (deels) heeft overgelegd blijkt dat de daders zijn veroordeeld voor mishandeling. Uit het strafvonnis blijkt niet dat de mishandeling een discriminatoir karakter had, maar dat komt volgens eiser doordat de daders niet hebben toegeven dat discriminatie hun motief was en doordat de Turkse autoriteiten het bestaan van discriminatie niet erkennen. De daders hebben eiser ook bedreigd. Het gebiedsverbod dat aan de daders is opgelegd wordt niet gehandhaafd.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mishandeling een discriminatoir karakter had. Dit blijkt namelijk niet uit de (beperkte) stukken van de Turkse strafzaak die eiser heeft overgelegd. Zelfs uit de verklaring van eiser die is opgenomen in het vonnis blijkt niet dat de mishandeling een discriminatoir karakter had. De enkele, niet onderbouwde stelling van eiser dat de daders niet hebben toegegeven dat discriminatie hun motief was en dat de autoriteiten het bestaan van discriminatie niet erkennen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6.2.
De minister heeft op goede gronden ongeloofwaardig gevonden dat de daders van de mishandeling eiser hebben bedreigd. Eiser heeft na de mishandeling op 20 januari 2022 immers pas in september 2023 Turkije verlaten. Eiser voert aan dat hij eerst de strafzaak heeft afgewacht. Dat duidt niet op een acute dreiging waarvoor eiser moest vluchten. Eiser heeft ook verklaard dat hij niet weet of de daders van de mishandeling nog naar hem op zoek zijn. Eisers ouders en vrienden hebben de daders bovendien niet meer gezien sinds eisers vertrek. Eiser heeft daarbij niet onderbouwd dat de Turkse autoriteiten een gebiedsverbod dat aan de daders is opgelegd niet handhaven en hem ook geen bescherming tegen bedreiging zouden willen of kunnen bieden, als eiser daarom vraagt. De enkele stelling van eiser is – zeker in het licht van het Turkse strafvonnis – onvoldoende om dat aan te nemen.
6.3.
Voor zover de minister de asielmotieven van eiser ongeloofwaardig heeft geacht, is de minister op goede gronden tot die conclusie gekomen. In zoverre is het beroep ongegrond. De rechtbank zal hierna beoordelen of de minister terecht de wel geloofwaardig geachte asielmotieven onvoldoende zwaarwegend heeft gevonden.
Moest verweerder de vrees voor discriminatie zwaarwegend genoeg achten voor vluchtelingschap of ernstige schade?
7. Eiser voert aan dat hij in Turkije zodanig is gediscrimineerd dat hij daar niet op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. In dit kader voert eiser ter illustratie aan dat hij is achtergesteld op school en mishandeld door de politie toen hij dertien of veertien jaar oud was. De Turkse autoriteiten kunnen eiser hier niet tegen beschermen. Eiser heeft verder verwezen naar een rapport van april 2024 van Minority Rights Group. [7]
7.1.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Eiser heeft niet concreet gemaakt dat uit het rapport volgt dat Zaza en Koerden in Turkije zodanig worden gediscrimineerd dat zij niet op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren, of dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Ook voor eiser geldt dat niet. Eiser kon immers naar school en had toegang tot medische zorg.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat een incident met de politie van jaren geleden waarbij eiser zou zijn geslagen en geduwd onvoldoende zwaarwegend is voor vluchtelingschap of ernstige schade. Datzelfde geldt voor eisers stelling dat hij is achtergesteld op school. Deze ervaringen zijn onvoldoende om vluchtelingschap of ernstige schade aan te nemen.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt en terug moet naar Turkije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw.
3.Artikel 4, tweede en vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, derde en zesde lid, van de Vw.
4.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.Op grond van paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de Vw.
7.‘Unveiling Discrimination: Minorities in Türkiye’.