Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16616

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33722
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Kroatië

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de Minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker op 31 maart 2026 kennelijk ongegrond verklaard zonder zitting. Verzoeker heeft hiertegen verzet aangetekend en verzocht om een voorlopige voorziening om overdracht aan Kroatië te voorkomen en het verzet in Nederland af te wachten.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen zonder zitting vanwege de onverwijlde spoed, aangezien de overdracht gepland stond op 23 juni 2026. De behandeling van het verzet zelf is vastgesteld op 13 augustus 2026, waarbij verzoeker gehoord zal worden.

Daarnaast is verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. De voorlopige voorziening schorst de overdracht en de rechtsgevolgen van het besluit van 11 maart 2026 tot de uitspraak op het verzet. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Kroatië wordt opgeschort tot uitspraak op het verzet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33722

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

Bij besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank heeft het door verzoeker ingestelde beroep bij uitspraak van 31 maart 2026 kennelijk ongegrond verklaard. [1] De rechtbank heeft daarbij op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet ingediend.
Aan verzoeker is kenbaar gemaakt dat hij op 23 juni 2026 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker heeft vervolgens om een voorlopige voorziening verzocht hangende dit verzet met het doel om niet te worden overgedragen en zijn verzet in Nederland te kunnen afwachten.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
2. Nu de overdracht van verzoeker aan Kroatië gepland staat op 23 juni 2026 is sprake van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een zitting achterwege te laten.
3. Omdat verzoeker in zijn verzetschrift heeft aangegeven gehoord te willen worden, zal het door verzoeker ingediende verzet door deze rechtbank en zittingsplaats ter zitting worden behandeld. In artikel 8:55, vierde lid, van de Awb is namelijk het volgende bepaald:

Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is.”De behandeling van het verzet ter zitting is bepaald op 13 augustus 2026.
4. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
5. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat overdracht van verzoeker achterwege blijft en alle rechtsgevolgen van het besluit van 11 maart 2026 wordt opgeschort tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet op het verzet.
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-
Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL26.14985.