ECLI:NL:RBDHA:2026:16619
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, met de Guinese nationaliteit, diende op 24 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Uit Eurodac bleek dat eiser in 2017 al een verzoek tot internationale bescherming in Duitsland had ingediend, dat in 2018 was afgewezen met een uitzetverbod.
Eiser stelde dat overdracht naar Duitsland een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zou betekenen en overhandigde een medisch dossier ter onderbouwing. Verweerder had dit dossier niet beoordeeld bij het besluit omdat het ontbrak. De rechtbank overwoog dat het aan eiser is om met objectieve medische gegevens de ernst en gevolgen van overdracht aan te tonen, zoals bevestigd in het arrest C.K.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat zijn gezondheid aanzienlijk en onomkeerbaar zou verslechteren door overdracht. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland niet dezelfde of adequate medische zorg biedt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende medische onderbouwing.