Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/688889
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 HandvestArt. 2:9 WetsArt. 2:11 WetsArt. 2:18 WetsKaderbesluit 2008/909/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Staat bij niet verstrekken Zweeds certificaat en beslissing strafoverdracht

Eiser, met de Irakese nationaliteit en verblijfsvergunning in Nederland, werd in Zweden veroordeeld tot een maatregel van vrijheidsbeneming en gedwongen psychiatrische zorg. Na zijn verzoek tot strafoverdracht naar Nederland werd de Zweedse maatregel omgezet in tbs met dwangverpleging. Eiser stelde dat deze omzetting onrechtmatig was en dat hem een effectief rechtsmiddel was onthouden.

De rechtbank oordeelt dat de Wets-procedure zelf niet onder artikel 47 Handvest Pro valt, maar dat de civiele procedure wel rechtsbescherming biedt. De herbeoordeling door het hof Arnhem-Leeuwarden was niet onrechtmatig, en de omzetting naar tbs met dwangverpleging is niet in strijd met het verbod op strafverzwaring. Wel heeft de Staat onrechtmatig gehandeld door eiser niet het Zweedse certificaat en de beslissing tot strafoverdracht te verstrekken, zoals wettelijk vereist.

De rechtbank wijst de meeste vorderingen van eiser af, waaronder die over de toerekeningsvatbaarheid en verblijfsstatus, maar veroordeelt de Staat tot schadevergoeding voor het niet verstrekken van de documenten. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Staat handelde onrechtmatig door het niet verstrekken van het Zweedse certificaat en de beslissing tot strafoverdracht, waarvoor schadevergoeding wordt toegewezen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/688889 / HA ZA 25-647
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser], te [woonplaats],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
advocaten: mr. T. de Boer en mr. F.T.C. Dölle,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID), te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. M.F.H. Hirsch Ballin en mr. J. Perenboom.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 4 juli 2025 met producties 1 tot en met 51;
- de conclusie van antwoord van de Staat van 29 oktober 2025 met producties 1 tot en met 11;
- de akte houdende overlegging producties van [eiser] van 9 april 2026 met producties 52 tot en met 54;
- de akte houdende overlegging producties van [eiser] van 9 april 2026 met productie 55.
1.2.
Op 20 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft de Irakese nationaliteit en heeft sinds 1996 een verblijfsvergunning in Nederland. Hij verbleef verschillende periodes in Zweden.
2.2.
In 2015 is hij in Zweden veroordeeld voor strafbare feiten, die hij heeft gepleegd onder invloed van een psychische stoornis, zodat deze hem niet konden worden toegerekend. Aan hem is een maatregel opgelegd (hierna: de Zweedse maatregel) die strekt tot vrijheidsbeneming en gedwongen psychiatrische zorg, waarvan de einddatum niet op voorhand vaststaat, omdat een rechter beoordeelt of de maatregel moet worden verlengd of beëindigd.
2.3.
Op 25 april 2016 heeft [eiser] een verzoek tot strafoverdracht aan Nederland ingediend. Eind 2016 heeft hij zich onttrokken aan de Zweedse maatregel en is hij naar Nederland gereisd. In Nederland heeft hij zich bij de Nederlandse autoriteiten gemeld en is hij enige maanden in detentie geplaatst vanwege een eerdere veroordeling. Op 26 maart 2019 is [eiser] aangehouden en in een tbs-kliniek geplaatst.
2.4.
In het kader van het verzoek tot strafoverdracht heeft de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) desgevraagd op 4 oktober 2017 aan de minister van Veiligheid en Justitie meegedeeld dat geen procedure zal worden opgestart om de verblijfsvergunning van [eiser] in te trekken.
2.5.
De Zweedse rechterlijke uitspraak en het door de Zweedse autoriteiten ingevulde
certificaat zijn conform artikel 2:11 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Wets) voorgelegd aan de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 18 januari 2019 (hierna: de eerste beoordeling) dat er geen gronden waren voor weigering van het verzoek tot strafoverdracht, maar dat de Zweedse maatregel onverenigbaar was met het Nederlands recht en daarom ex artikel 2:11 lid 6 Wets Pro (inmiddels vernummerd tot lid 5) moest worden gewijzigd in een straf of maatregel waarin het Nederlands recht voorziet en die zoveel mogelijk overeenstemt met de in Zweden opgelegde sanctie. Het hof kwam tot de conclusie dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging) de meest overeenstemmende optie is naar Nederlands recht.
2.6.
Bij beslissing van 18 februari 2019 heeft de minister voor Rechtsbescherming, met inachtneming van de eerste beoordeling van het hof Arnhem-Leeuwarden, op grond van artikel 2:18 Wets Pro bepaald dat de Zweedse maatregel in Nederland als tbs met dwangverpleging ten uitvoer zou worden gelegd.
2.7.
Na de strafoverdracht is de IND bij beschikking van 6 augustus 2020 – in weerwil van de eerdere mededeling – toch overgegaan tot intrekking van het verblijfsrecht van [eiser] en tot oplegging van een inreisverbod.
2.8.
[eiser] heeft de eerste beoordeling van het hof Arnhem-Leeuwarden voorgelegd aan de civiele rechter. Zijn vorderingen zijn in eerste aanleg bij deze rechtbank afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag op 5 september 2023 geoordeeld dat de Wets-procedure zoals die had plaatsgevonden in de zaak van [eiser] niet voldeed aan de eisen van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), welke bepaling het hof op die procedure van toepassing achtte. Het hof verklaarde voor recht dat de Staat daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].
Het hof Den Haag achtte zich niet bevoegd en evenmin in staat om zelf het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden inhoudelijk te toetsen en heeft de Staat daarom veroordeeld zijn beslissing van 18 februari 2019 te heroverwegen na herbeoordeling van de strafoverdracht door het hof Arnhem-Leeuwarden in een procedure die voldoet aan de eisen van artikel 47 Handvest Pro. [1]
2.9.
De Staat heeft uitvoering gegeven aan deze veroordeling door het hof Arnhem-Leeuwarden te verzoeken een dergelijke herbeoordeling uit te voeren. Het hof Arnhem-
Leeuwarden heeft op 29 maart 2024 een tussenoordeel gewezen, waarin het zes
prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). [2] De eerste vraag betrof de bevoegdheid van het hof Arnhem-Leeuwarden om prejudiciële vragen te stellen. De overige vragen zagen op de eisen die artikel 47 Handvest Pro stelt aan de procedure tot strafoverdracht op grond van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ [3] (hierna: het Kaderbesluit), op de wijze waarop een straf moet worden aangepast en op de toepassing van het verbod op strafverzwaring.
2.10.
Het HvJ EU heeft in zijn beschikking van 17 juli 2024 de eerste prejudiciële vraag negatief beantwoord en geconcludeerd dat het hof Arnhem-Leeuwarden niet bevoegd is tot het stellen van prejudiciële vragen, omdat het hof Arnhem-Leeuwarden in de Wets-procedure niet tot taak heeft een rechterlijke beslissing vast te stellen en dus geen ‘rechterlijke instantie’ vormt in de zin van artikel 267 VWEU Pro. Daardoor kwam het HvJ EU aan beantwoording van de overige vragen niet toe. [4]
2.11.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 30 augustus 2024 een eindoordeel gegeven op het verzoek om heroverweging van zijn eerdere oordeel (hierna: de herbeoordeling). [5] Daarbij heeft het hof – samengevat – overwogen dat hij niet kan voorzien in een procedure die voldoet aan de eisen van artikel 47 Handvest Pro en dat bij de eerste beoordeling terecht is beslist dat de Zweedse maatregel moet worden omgezet in tbs met dwangverpleging. De eerste beoordeling is slechts aangepast ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van [eiser]: waar het hof in de eerste beoordeling uitging van gedeeltelijke toerekeningsvatbaarheid, blijkt volgens het hof uit de Zweedse stukken dat [eiser] ten tijde van de gepleegde feiten geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.
2.12.
Bij brief van 2 januari 2025 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid meegedeeld dat hij de herbeoordeling van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt en dat hij geen aanleiding ziet de beslissing van 18 februari 2019 te herzien.
2.13.
Na de herbeoordeling door het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de IND zijn eerdere intrekkingsbeslissing op 6 november 2024 ingetrokken. Bij brief van 7 februari 2025 heeft de IND [eiser] meegedeeld dat hij in het bezit blijft van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
2.14.
[eiser] is op dit moment nog steeds ter beschikking gesteld met dwangverpleging. De tbs-maatregel is laatstelijk op 19 maart 2024 verlengd voor de duur van twee jaren.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I: voor recht verklaart dat door de Staat onrechtmatig is gehandeld jegens [eiser] – al dan niet na raadpleging van het HvJ EU door middel van een prejudiciële verwijzing ex art. 267 VWEU Pro – omdat de strafoverdracht en de herbeoordelingsprocedure in strijd met de rechtsgronden genoemd in sectie 4.1 van de dagvaarding hebben plaatsgevonden en hebben geleid tot een onjuiste aanpassing van de straf en/of een verboden strafverzwaring en/of een schending van de doelstellingen van re-integratie en resocialisatie van het Kaderbesluit; en
primair: de Staat verplicht de beslissing om de Zweedse maatregel van [eiser] aan te passen naar tbs met dwangverpleging te herroepen en de Zweedse maatregel te wijzigen door [eiser] in een psychiatrisch ziekenhuis te laten plaatsen dan wel een zorgmachtiging te verlenen;
subsidiair: de Staat verplicht de beslissing om de Zweedse maatregel van [eiser] aan te passen naar tbs met dwangverpleging te herroepen en een officier van justitie een verzoekschrift tot een zorgmachtiging te laten voorbereiden om vervolgens met inachtneming daarvan alsnog een zorgmachtiging af te geven;
meer subsidiair: de Staat verplicht de beslissing om de Zweedse maatregel van [eiser] aan te passen naar tbs met dwangverpleging te herroepen en een officier van justitie een verzoekschrift tot een zorgmachtiging te laten voorbereiden en dit verzoek in te dienen bij de rechtbank binnen welk rechtsgebied [eiser] verblijft dan wel bij (de strafkamer van) de rechtbank Den Haag;
althans: de Staat ertoe veroordeelt de strafverzwaring op andere wijze ongedaan te maken en daartoe zodanige beslissingen neemt als de rechtbank in goede justitie geraden acht; en
in alle gevallen: de Staat veroordeelt tot het vergoeden van de schade die [eiser] door voornoemd onrechtmatig handelen heeft geleden en de zaak hiervoor te
verwijzen naar de schadestaatprocedure;
II.
primair: voor recht verklaart dat door de Staat onrechtmatig is gehandeld jegens
[eiser] doordat hem tot op heden een effectief rechtsmiddel is onthouden en de
Staat veroordeelt tot het vergoeden van de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden en de zaak hiervoor te verwijzen naar de schadestaatprocedure;
subsidiair: voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld doordat hij (aanvankelijk) ten onrechte als gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar is aangemerkt en de Staat veroordeelt tot het vergoeden van de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden en de zaak hiervoor te verwijzen naar de schadestaatprocedure;
III. de Staat veroordeelt in de proceskosten, met de bepaling dat over de proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.
3.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de Zweedse maatregel aan te passen naar tbs met dwangverpleging. Volgens [eiser] is de strafoverdrachtsprocedure in strijd met het Kaderbesluit, het recht van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De aanpassing naar tbs met dwangverpleging is in strijd met het verbod op strafverzwaring. Bovendien is [eiser] jarenlang een effectief rechtsmiddel tegen de aanpassingsbeslissing onthouden. Tot slot zijn [eiser] verlofmogelijkheden onthouden doordat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hem onterecht als verminderd toerekeningsvatbaar heeft aangemerkt, terwijl hij volledig ontoerekeningsvatbaar was. Als gevolg van dit alles is de Staat schadeplichtig. De te vergoeden schade zal in schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De Staat legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [eiser] op goede gronden een tbs-maatregel met dwangverpleging ondergaat. De herbeoordeling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is in lijn met de uitspraak van het HvJ EU en de procedure tot strafoverdracht heeft daarmee geleid tot de juiste uitkomst. Van onrechtmatig handelen door de Staat is geen sprake, zodat hij niet schadeplichtig is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De verwijten die [eiser] de Staat maakt zien enerzijds op de totstandkoming en anderzijds op de inhoud van de herbeoordeling van het hof Arnhem-Leeuwarden. De rechtbank zal de verwijten in die volgorde bespreken. Daarna zal de rechtbank stilstaan bij het feit dat [eiser] aanvankelijk gedeeltelijk toerekeningsvatbaar is verklaard, terwijl dit later onjuist bleek te zijn.
De totstandkoming van de herbeoordeling
Artikel 47 Handvest Pro
4.2.
[eiser] heeft allereerst betoogd dat de herbeoordelingsprocedure niet voldeed aan de eisen van artikel 47 Handvest Pro. Daardoor was de herbeoordeling ook in strijd met het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de Staat werd opgedragen om de omzettingsbeslissing te heroverwegen na een herbeoordeling door het hof Arnhem-Leeuwarden in een procedure die voldoet aan de eisen van artikel 47 Handvest Pro.
4.3.
Ingevolge artikel 47 Handvest Pro heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich in die procedure te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 47 Handvest Pro niet van toepassing is op de Wets-procedure als zodanig. Het HvJ EU heeft in zijn beschikking van 17 juli 2024 (zie 2.10 van dit vonnis) geoordeeld dat het hof Arnhem-Leeuwarden in de Wets-procedure geen ‘rechterlijke instantie’ is in de zin van artikel 267 VWEU Pro omdat het hof in die procedure niet tot taak heeft een rechterlijke beslissing vast te stellen. Het oordeel van het hof is namelijk onderdeel van een niet-contradictoire procedure die niet bedoeld is om een geschil te beslechten. Het oordeel maakt deel uit van de procedure die leidt tot een beslissing van de minister. Uit dit arrest heeft het hof Arnhem-Leeuwarden afgeleid dat artikel 47 Handvest Pro niet van toepassing kan worden geacht op de Wets-procedure, omdat het hof in de Wets-procedure niet voorziet in een voorziening in rechte. Het hof achtte het de taak van de wetgever om de Wets-procedure waar nodig in overeenstemming te brengen met andere wettelijke bepalingen en verdragen.
4.5.
De rechtbank deelt de opvatting van het hof Arnhem-Leeuwarden. De taak van het hof Arnhem-Leeuwarden in het kader van de Wets-procedure staat immers niet in het teken van rechtsbescherming, maar vormt een waarborg bij het nemen van een bestuurlijke beslissing door de minister over de erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke uitspraak. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wets-procedure blijkt dat de wetgever artikel 47 Handvest Pro niet van toepassing achtte op deze procedure, omdat de beslissing over de overname van de tenuitvoerlegging van een vonnis uit het buitenland niet zelf een beslissing tot vrijheidsbeneming of vrijheidsbeperking inhoudt. In geval van de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke sancties is de in het land van veroordeling gedane rechterlijke uitspraak immers een gegeven. Op de procedure waarin die uitspraak is gegeven is artikel 47 Handvest Pro vanzelfsprekend wel van toepassing. [6] De rechtsbescherming tegen de beslissing van de minister heeft de wetgever nadrukkelijk overgelaten aan de civiele rechter. [7] Ook op die civiele procedure is artikel 47 Handvest Pro van toepassing en de gang naar de civiele rechter biedt een voorziening in rechte die voldoet aan de eisen van artikel 47 Handvest Pro. Hoewel op de huidige inrichting van de Wets-procedure kritiek valt te leveren, zoals ook de Staat heeft onderkend, is die procedure op zichzelf dus niet onrechtmatig.
4.6.
Het arrest van het gerechtshof Den Haag uit 2023 moet naar het oordeel van de rechtbank worden bezien in het licht van het voorgaande en kan bij die stand van zaken niet langer tot uitgangspunt worden genomen. Het feit dat de herbeoordelingsprocedure door het hof Arnhem-Leeuwarden niet voldeed aan artikel 47 Handvest Pro was weliswaar niet in lijn met het gebod van het hof Den Haag, maar dat is gelet op het voorgaande niet onrechtmatig jegens [eiser].
4.7.
Het verwijt van [eiser] dat hem een effectief rechtsmiddel is onthouden door onduidelijke wetgeving, stuit ook af op het voorgaande. De gang naar de civiele rechter heeft immers van meet af aan voor hem open gestaan. In de civiele procedures die [eiser] tegen de Staat heeft gevoerd heeft hij ook daadwerkelijk rechtsbescherming verkregen, zij het dat – zoals de Staat ook erkent – de zaak van [eiser] te lang heeft geduurd.
Vooronderzoek en resocialisatiebeginsel
4.8.
Verder heeft [eiser] betoogd dat het hof Arnhem-Leeuwarden in het kader van de Wets-procedure had moeten onderzoeken of zijn psychische situatie de omzetting in tbs met dwangverpleging rechtvaardigde. Een dergelijk vooronderzoek was volgens [eiser] noodzakelijk in verband met het resocialisatiebeginsel dat aan de Wets-procedure ten grondslag ligt.
4.9.
Dit betoog slaagt niet. Noch het Kaderbesluit noch de Wets schrijft voor dat bij de omzetting van een in het buitenland opgelegde straf of maatregel de situatie van de veroordeelde moet worden onderzocht. Een dergelijke verplichting zou ook niet stroken met de aard van de Wets-procedure. Zoals hiervoor al is overwogen wordt in de Wets-procedure geen beslissing genomen over de oplegging van een straf of maatregel, maar wordt slechts beoordeeld of en op welke wijze een buitenlandse straf of maatregel ten uitvoer kan worden gelegd in Nederland. Die beoordeling is gericht op de straf of maatregel, en niet zozeer op de persoon van de veroordeelde. Het resocialisatiebeginsel brengt evenmin mee dat onderzoek noodzakelijk is naar de persoon van de veroordeelde. Het resocialisatiebeginsel wordt immers eerst en vooral gediend door de mogelijkheid dat een buitenlandse straf of maatregel ten uitvoer wordt gelegd in het land waar de veroordeelde woont of waarvan hij onderdaan is. Met de persoon van de veroordeelde kan – zoals bij straffen en maatregelen die in Nederland zijn opgelegd – rekening worden gehouden bij de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.
4.10.
Wel ligt het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ratio van het Kaderbesluit, in de rede dat bij de vraag of sprake is van strafverzwaring rekening wordt gehouden met reeds voorzienbare en objectief vast te stellen gevolgen van de omzetting voor de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Zo heeft de Hoge Raad ten aanzien van vrijheidsstraffen geoordeeld dat de minister gehouden is om toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 6:2:10 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering (de voorwaardelijke invrijheidstelling) als met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat in de beslissingsstaat op een eerdere datum toepassing zou zijn gegeven aan een regeling die strekt tot vervroegde of voorwaardelijk invrijheidstelling. [8] Maar in dit verband overwoog de Hoge Raad ook dat voor toepassing van die bevoegdheid in beginsel geen aanleiding zal bestaan als de omstandigheden die in de beslissingsstaat aanleiding kunnen geven tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling uitsluitend of hoofdzakelijk zijn gelegen in de wijze waarop de tenuitvoerlegging van de straf verloopt (met name waar het gaat om het gedrag van de veroordeelde tijdens de detentie). [9] Hoewel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet aan de orde is bij de maatregel van tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank aanleiding om dit uitgangspunt daarbij naar analogie in haar oordeel te betrekken. De rechtbank komt hierop terug bij het bespreken van de inhoud van de herbeoordeling.
Overige verwijten
4.11.
[eiser] heeft aangevoerd dat het hof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte is overgegaan tot een herbeoordeling terwijl niet alle prejudiciële vragen zijn beantwoord door het HvJ EU. Door toch over te gaan tot herbeoordeling heeft het hof (en daarmee de Staat) volgens [eiser] gehandeld in strijd met het beginsel van nuttig effect van het Unierecht. Dit verwijt treft echter geen doel. Hoewel het hof kennelijk aanleiding zag om prejudiciële vragen te stellen, had het na de beschikking van het HvJ EU geen andere mogelijkheid dan alsnog tot herbeoordeling over te gaan. Zou het hof van die herbeoordeling hebben afgezien, dan had het in strijd gehandeld met de veroordeling door het hof Den Haag en had het bovendien [eiser] de mogelijkheid onthouden om de eerste beoordeling van het hof Arnhem-Leeuwarden opnieuw inhoudelijk te laten toetsen. Het overgaan tot herbeoordeling is daarom niet onrechtmatig.
4.12.
Verder heeft [eiser] gesteld dat de herbeoordelingsprocedure en de uitkomst daarvan in strijd zijn met de artikelen 41, 48 en 49 Handvest en met de artikelen 5, 6, 7 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hij heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar zijn stellingen in de processtukken in eerdere procedures. Die onderbouwing is echter onvoldoende. Van degene die stelt dat een ander onrechtmatig jegens hem handelt, wordt verwacht dat hij de feiten en omstandigheden stelt die een dergelijk oordeel kunnen dragen. Het volstaat niet om een handvol rechtsnormen te noemen en voor een toelichting te verwijzen naar bijgevoegde producties. De rechtbank zal dit punt daarom verder onbesproken laten.
4.13.
Tot slot verwijt [eiser] de Staat dat hij hem de mogelijkheid heeft onthouden om een rechtsmiddel aan te wenden in Zweden, doordat de Staat de Zweedse beslissing tot strafoverdracht en het Zweedse certificaat niet aan hem heeft verstrekt. Dat verwijt is terecht. De Staat heeft de Zweedse beslissing toegestuurd aan de Zweedse advocaat van [eiser], maar artikel 2:9 Wets Pro schrijft voor dat als de veroordeelde zich in Nederland bevindt, de Staat de veroordeelde in kennis stelt van het certificaat van de uitvaardigende lidstaat en de rechterlijke uitspraak. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hem alleen per brief is meegedeeld dat een verzoek tot strafoverdracht was ontvangen uit Zweden en dat dit zou worden voorgelegd aan het hof Arnhem-Leeuwarden. Uit niets is gebleken dat hem ook het Zweedse certificaat met de Zweedse beslissing zijn verstrekt. De Staat heeft ook geen gehoor gegeven aan het verzoek van de Zweedse autoriteiten om de beslissing tot strafoverdracht, waarin inderdaad een beroepsmogelijkheid werd vermeld, aan [eiser] te verstrekken. Hoewel het zeer de vraag is of [eiser] van die mogelijkheid gebruik had gemaakt (want de strafoverdracht vond plaats op zijn verzoek en over de wijze van tenuitvoerlegging in Nederland was toen nog niets bekend), moet de rechtbank vaststellen dat de Staat heeft gehandeld in strijd met een wettelijke plicht en een uitdrukkelijk verzoek van de uitvaardigende staat Zweden. De gevorderde verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld kan in zoverre worden toegewezen. Als [eiser] daardoor schade heeft geleden moet de Staat die vergoeden.
De inhoud van de herbeoordeling
4.14.
Vervolgens is de vraag aan de orde of het hof Arnhem-Leeuwarden – en vervolgens de minister – tot een juiste beslissing is gekomen.
4.15.
Daarbij stelt de rechtbank het volgende voorop. Omdat het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden geen rechterlijk oordeel is, maar een advies aan de minister, is het Wets-besluit van de minister nog niet aan een rechterlijke toets onderworpen geweest. Juist in een civiele procedure als de onderhavige, die beoogt rechtsbescherming te bieden aan de veroordeelde, vereist artikel 47 Handvest Pro dat de beslissing om de Zweedse maatregel om te zetten in tbs met dwangverpleging aan een volle toets onderworpen dient te worden. Zonder die toetsing kan niet worden vastgesteld of door die beslissing sprake is van een strafverzwaring.
4.16.
In dit verband merkt de rechtbank nog op dat [eiser] de rechtbank in overweging heeft gegeven om opnieuw prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, maar daartoe ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding.
4.17.
Volgens [eiser] is omzetting van de Zweedse maatregel naar tbs met dwangverpleging onjuist omdat sprake is van – verboden – strafverzwaring. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. Het hof Arnhem-Leeuwarden is in zijn herbeoordeling ingegaan op de aard van de Zweedse maatregel en heeft die vergeleken met de tbs met dwangverpleging en de civiele zorgmachtiging. Het oordeel dat de maatregel van tbs met dwangverpleging het meest overeenstemt met de Zweedse maatregel wordt gedragen door een inzichtelijke en deugdelijke motivering, die de rechtbank overneemt. Ook bij nadere beschouwing ziet de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen.
4.18.
Van verboden strafverzwaring is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Weliswaar ligt het in de rede om – zoals hiervoor onder 4.10 al is overwogen – reeds voorzienbare gevolgen van de omzetting voor de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel in het oordeel te betrekken, maar van dergelijke voorzienbare gevolgen is in dit geval niet gebleken. Zou tijdens de tenuitvoerlegging van de Zweedse maatregel bijvoorbeeld al een concrete einddatum van de maatregel in zicht zijn geweest, dan had dat een rol kunnen spelen bij de vraag of omzetting in tbs met dwangverpleging tot strafverzwaring zou hebben geleid. Een dergelijke situatie zou enige overeenkomsten vertonen met het toepassen van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals onder 4.10 besproken, waarbij het zou moeten gaan om een objectief vast te stellen datum. Maar dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Het feit dat tbs met dwangverpleging een initiële duur van twee jaren kent, is op zichzelf niet strafverzwarend. Ook van de Zweedse maatregel kon de duur immers niet vooraf worden bepaald, omdat die – evenals tbs met dwangverpleging – afhankelijk was van het verloop van de behandeling. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich hiervan rekenschap gegeven en zijn oordeel voldoende gemotiveerd.
4.19.
[eiser] heeft verder nog aangevoerd dat de gevolgen van de omzetting voor zijn verblijfsstatus bij de herbeoordeling hadden moeten worden betrokken. Dit betoog slaagt niet. Bij de herbeoordeling is terecht gekeken naar de feiten en omstandigheden van het moment van de eerste beoordeling van de strafoverdracht en de beslissing van de minister van 18 februari 2019 waartegen [eiser] opkwam. Toen was de stand van zaken dat de IND had toegezegd dat het verblijfsrecht van [eiser] niet zou worden ingetrokken. Met het feit dat de IND ná de strafoverdracht toch het verblijfsrecht heeft ingetrokken, had het hof bij de eerste beoordeling geen rekening kunnen houden. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de strafomzetting kunnen slechts van belang zijn voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.
4.20.
Gelet op het voorgaande is het niet onrechtmatig dat de Minister de herbeoordeling heeft gevolgd en zijn eerdere beslissing niet heeft herzien.
Geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar
4.21.
Het laatste verwijt van [eiser] is dat het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn eerste beoordeling ten onrechte heeft overwogen dat hij gedeeltelijk toerekeningsvatbaar was ten tijde van de gepleegde feiten. Daardoor heeft de IND alsnog zijn verblijfsstatus ingetrokken en heeft hij lange tijd geen gebruik kunnen maken van verlofmogelijkheden tijdens de tbs.
4.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste beoordeling van het hof op dit punt onjuist was. Het hof heeft in de herbeoordeling overwogen dat, evenals in de Zweedse uitspraken in de zaak van [eiser], moet worden uitgegaan van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van [eiser]. Op dit punt is de eerste beoordeling van het hof aangepast.
4.23.
Dat betekent echter niet zonder meer dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de gevolgen die [eiser] stelt te hebben ondervonden van die onjuiste beoordeling. Die waren immers primair het gevolg van de intrekkingsbeslissing van de IND en niet zozeer van de eerste beoordeling van het hof.
4.24.
Anders dan [eiser] heeft betoogd, blijkt uit de beslissingen van de IND niet dat die in overwegende mate samenhingen met de toerekeningsvatbaarheid van [eiser]. Uit het intrekkingsbesluit van de IND uit 2020 blijkt dat dit besluit is gegrond op het oordeel dat [eiser], gelet op de strafbare feiten waarvoor hij in meerdere landen was veroordeeld, een gevaar vormde voor de gemeenschap. De IND heeft daarbij expliciet overwogen dat daarbij “
niet de vraag is of aan betrokkene kan worden toegerekend dat hij behandeling behoeft en/of aan hem een tbs-maatregel is opgelegd. Het gaat hier om een objectieve beoordeling van de vraag of betrokkene op dit moment een gevaar vormt voor de openbare orde waarbij valt te verwachten dat betrokkene wederom een ernstig (gewelds)delict zal plegen waarbij een fundamenteel belang van de samenleving zal worden geschaad” (pagina 7 van het besluit). Hieruit lijkt juist te volgen dat de toerekeningsvatbaarheid niet van doorslaggevend belang was voor de intrekking. Op 6 november 2024 werd het intrekkingsbesluit uit 2020 ingetrokken, in verband met “
de ontwikkelingen in de jurisprudentie, wat maakt dat de zaak opnieuw beoordeeld zal worden in het licht van al die ontwikkelingen.” Uit deze beslissing blijkt niet op welke ontwikkelingen werd gedoeld. Evenmin blijkt daaruit dat deze beslissing het gevolg was van het feit dat [eiser] alsnog geheel ontoerekeningsvatbaar werd geacht.
4.25.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat tegen het intrekkingsbesluit de bestuursrechtelijke route open stond van bezwaar en beroep. Daarvan heeft [eiser] ook gebruik gemaakt. In die bestuursrechtelijke procedure kon [eiser] aanspraak maken op vergoeding van zijn schade als gevolg van een onterecht intrekkingsbesluit. Voor de civiele rechter is dan geen rechtsbeschermende taak weggelegd.
4.26.
Tegen die achtergrond heeft [eiser] zijn stelling dat de fout in het eerste oordeel onrechtmatig was en tot schade heeft geleid waarvoor de Staat aansprakelijk is onvoldoende onderbouwd. De vorderingen van [eiser] op dit punt zullen daarom worden afgewezen.
4.27.
Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd ten aanzien van de verlofmogelijkheden van [eiser] zonder verblijfsvergunning en de voortgang van de behandeling in het kader van de tbs-maatregel, behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.
Conclusie
4.28.
De meeste verwijten van [eiser] aan de Staat zijn ongegrond. Wel heeft hij terecht aangevoerd dat de Staat hem het Zweedse certificaat met de Zweedse uitspraak had moeten verstrekken en gehoor had moeten geven aan het verzoek van de Zweedse autoriteiten om de beslissing tot strafoverdracht aan hem te verstrekken. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen zoals vermeld in het dictum, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Voor het overige worden de vorderingen afgewezen.
Proceskosten
4.29.
Omdat de meeste verwijten van [eiser] aan de Staat ongegrond zijn, is hij overwegend in het ongelijk gesteld. [eiser] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- het betaalde griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem niet het Zweedse certificaat met de Zweedse uitspraak te verstrekken (zoals voorgeschreven in 2.9 Wets) en geen gehoor te geven aan het verzoek van de Zweedse autoriteiten om de beslissing tot strafoverdracht aan hem te verstrekken;
5.2.
veroordeelt de Staat tot vergoeding van de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart de onderdelen 5.2 en 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. B.A. Sturm en mr. M. van Kogelenberg en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 5 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1719.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2534.
3.Kaderbesluit 2008/909/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.
4.HvJ EU 17 juli 2024, C-235/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:624 (
5.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5819.
8.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:89, rov. 3.2.4.
9.Idem, rov. 3.2.5.