ECLI:NL:RBDHA:2026:16627
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure Dublin Duitsland
Verzoeker, van Tunesische nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister van Asiel en Migratie had deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 18 juni 2026 in Groningen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de hoofdzaak (zaaknummer NL26.8944) reeds is beslist, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.