ECLI:NL:RBDHA:2026:16628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.40439 en NL25.40440
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. Paffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Paragraaf C2/2.4 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen Koerdische HDP-leden wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Turkije

Eisers, Koerdische Turkse nationalen en leden van de HDP, dienden asielaanvragen in Nederland in vanwege vrees voor vervolging door Turkse autoriteiten. Verweerder wees deze aanvragen af, ondanks het geloofwaardig achten van hun identiteit, lidmaatschap en politieke activiteiten, omdat hij het risico op vervolging onvoldoende aannemelijk achtte en twijfelde aan de echtheid van documenten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht het risicoprofielenbeleid toepaste, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geloofwaardig geachte activiteiten van eisers niet leiden tot een verhoogd risico bij terugkeer. Verweerder heeft onvoldoende acht geslagen op de algemene veiligheidssituatie voor HDP-leden in Turkije en de negatieve gevolgen van hun politieke betrokkenheid.

Daarnaast is het documentonderzoek van Bureau Documenten correct toegepast en leidt het feit dat documenten later apostilles kregen niet tot een ander oordeel. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met de Awb en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan eisers toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.40439 en NL25.40440

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [V-nummer 1] , eiser,

[eiseres], v-nummer: [V-nummer 2] , eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

Hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(Gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1]
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te verstrekken.
Bij brief van 5 juni 2026 heeft verweerder de door de rechtbank gevraagde aanvullende informatie verstrekt.
Met instemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 8 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eisers zijn geboren op [geboortedag 1] 1996, respectievelijk [geboortedag 2] 2000, [geboortedag 3] 2020 en [geboortedag 4] 2024 en hebben allen de Turkse nationaliteit. Eisers hebben op 18 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend in Nederland. De asielaanvragen zijn gebaseerd op vrees voor de Turkse autoriteiten vanwege hun Koerdische etniciteit en hun betrokkenheid bij de HDP. Eiser is in 2015 lid geworden van de HDP [2] en heeft tot aan zijn vertrek uit Turkije activiteiten voor hen verricht. Vanwege zijn activiteiten voor de HDP is hij onder druk gezet om informatie over de partij te verstrekken, bedreigd en ontvoerd. Eiseres is ook lid van de HDP en heeft eveneens activiteiten voor de partij verricht. Daarnaast hebben eisers zich via sociale media geuit over Koerdische onderwerpen en de HDP. Eisers vrezen bij terugkeer naar Turkije te worden aangehouden en gearresteerd.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Daarnaast acht verweerder geloofwaardig dat eisers lid zijn van de HDP, activiteiten voor deze partij hebben verricht, een politieke overtuiging hebben en zich in enige mate via sociale media politiek hebben geuit. Verweerder acht de daaruit gestelde voortvloeiende problemen echter niet geloofwaardig. Ook volgt verweerder niet dat de door eisers overgelegde documenten echt zijn, nu Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eisers geen vooraanstaande rol hadden binnen de HDP en niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarom in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staan. Daarnaast neemt verweerder aan dat eisers discriminatie hebben ervaren vanwege hun Koerdische etniciteit, maar niet is gebleken dat eisers te maken hebben gehad of zullen krijgen met zodanige repressie dat vluchtelingschap gerechtvaardigd is.
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voeren daartegen aan dat verweerder ten onrechte heeft getoetst aan het sinds 1 juli 2024 geldende risicoprofielenbeleid. Volgens hen zijn zij hierdoor benadeeld, omdat onder het eerdere beleid geringe indicaties reeds voldoende waren voor vergunningverlening. Daarbij verwijzen eisers onder meer naar de Kamerbrieven van 19 december 2023 en 5 maart 2024 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 15 augustus 2024. [3] Verder heeft verweerder de door hen gestelde problemen ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eisers hebben consistent verklaard en verweerder heeft de verklaringen onjuist geïnterpreteerd. Ook heeft verweerder ten onrechte betekenis toegekend aan verklaringen die bij de vreemdelingenpolitie en tijdens het aanmeldgehoor zijn afgelegd. In Turkije is sprake van wijdverbreide vervolging en discriminatie van HDP-aanhangers. Verweerder heeft de actuele landeninformatie onvoldoende betrokken, nu daaruit blijkt dat ook laaggeplaatste HDP-leden doelwit kunnen zijn van de Turkse autoriteiten. Tot slot heeft verweerder onvoldoende betekenis toegekend aan de overgelegde documenten en de verklaring van eisers advocaat in Turkije.
4. Voorafgaand aan de zitting hebben eisers meegedeeld dat de eerder overgelegde documenten inmiddels zijn voorzien van apostilles en verzocht om nader onderzoek. Eisers hebben ter zitting verwezen naar het arrest [arrest] . [4] Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij hierover contact heeft gehad met Bureau Documenten en hem is meegedeeld dat een eventueel nieuw onderzoek uitsluitend betrekking zou hebben op de echtheid van de apostilles en niet op de eerder onderzochte documenten zelf. Omdat deze informatie niet schriftelijk voorlag, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een schriftelijke verklaring van Bureau Documenten over te leggen.
5. Bij brief van 5 juni 2026 heeft verweerder een vakbijlage en de gevraagde aanvullende verklaring van Bureau Documenten overgelegd. Daaruit volgt dat de eerder onderzochte documenten ten tijde van het onderzoek niet waren voorzien van apostilles en dat een eventueel nieuw onderzoek uitsluitend betrekking zou hebben op de echtheid, opmaak en afgifte van de apostilles. Een dergelijk onderzoek zou geen betrekking hebben op de algehele echtheid van de onderliggende documenten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Met ingang van 1 juli 2024 is het zogenaamde risicogroepenbeleid van verweerder vervallen en is verweerder overgestapt naar een risicoprofielenbeleid. [5] Als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat geldt op het moment van besluitvorming. Dit uitgangspunt geldt ook voor beleidsregels. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Eisers hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Dat toepassing van nieuw beleid voor een vreemdeling ongunstiger uitpakt, is daarvoor onvoldoende. Ook het niet tijdig beslissen op de aanvraag is geen bijzondere omstandigheid en leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft de aanvragen daarom terecht beoordeeld aan de hand van het ten tijde van de besluitvorming geldende risicoprofielenbeleid.
7. Verweerder heeft in zijn landgebonden beleid ten aanzien van Turkije HDP-leden en -activisten aangemerkt als risicoprofiel. [6] In paragraaf C2/2.4 van de Vc is bepaald dat het behoren tot een risicoprofiel op zichzelf onvoldoende is voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Indien een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, beoordeelt verweerder de individuele omstandigheden van het geval in samenhang met de positie van de betreffende groep en de algemene (veiligheidssituatie) in het land van herkomst. Daarbij betrekt verweerder onder meer de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen om te beoordelen of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade.
8. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de gestelde ontvoering en de daaropvolgende gebeurtenissen onvoldoende consistent zijn. Daarbij heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de dreigende telefoongesprekken en dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de periode na de gestelde ontvoering. De nadere uitleg van eiser heeft verweerder niet overtuigend hoeven achten. Gelet op de gestelde impact van deze gebeurtenissen, heeft verweerder mogen verwachten dat eisers hierover consistent zouden verklaren.
9. Verweerder heeft de gestelde huiszoeking en de daarmee samenhangende strafrechtelijke vervolging terecht niet gevolgd. Daarbij heeft verweerder mogen uitgaan van de bevindingen van Bureau Documenten. Omdat het documentonderzoek van Bureau Documenten een deskundigenonderzoek betreft en verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht over de inhoudelijke inzichtelijkheid van het documentonderzoek, mocht verweerder uitgaan van de inhoud van de verklaring daarvan. Eisers hebben hier geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, zoals een contra-expertise, tegenover gesteld. Dat de documenten inmiddels zijn voorzien van apostilles, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de aanvullende verklaring van Bureau Documenten volgt immers dat een eventueel nader onderzoek uitsluitend betrekking zou hebben op de echtheid van de apostilles en niet op de eerder negatief beoordeelde onderliggende documenten. Ook heeft verweerder aan de verklaring van eisers Turkse advocaat beperkte bewijskracht mogen toekennen. Het door eisers aangehaalde Advocatenverdrag verplicht verweerder niet om verklaringen of documenten die via een advocaat zijn ingebracht zonder nadere beoordeling als juist of authentiek aan te merken.
10. Daarmee is niet zonder meer gegeven dat eisers geen reëel risico lopen bij terugkeer naar Turkije. Verweerder heeft namelijk geloofwaardig geacht dat eisers lid zijn van de HDP, activiteiten voor deze partij hebben verricht en een politieke overtuiging hebben. Uit het ambtsbericht [7] volgt dat ook personen zonder prominente rol of leidinggevende positie binnen de HDP/DEM in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten kunnen komen te staan. Daarbij worden onder meer deelname aan demonstraties, politieke activiteiten, zichtbare steun aan de partij en politieke uitingen genoemd als omstandigheden die aanleiding kunnen vormen voor monitoring, strafrechtelijke onderzoeken of andere repressieve maatregelen. [8] Ook volgt uit het ambtsbericht dat familieleden van HDP/DEM-aanhangers onder omstandigheden in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan. [9]
11. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom de geloofwaardig geachte activiteiten, bezien in samenhang met de informatie uit het ambtsbericht, niet leiden tot een verhoogd risico bij terugkeer. Daarbij is van belang dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser gedurende meerdere jaren activiteiten voor de HDP heeft verricht, heeft deelgenomen aan demonstraties en Newroz-activiteiten, partijmateriaal heeft verspreid en zich in enige mate politiek heeft geuit. Uit de door eiser afgelegde en geloofwaardig geachte verklaringen kan worden afgeleid dat eiser voor de HDP politieke activiteiten heeft verricht die in het ambtsbericht als risicovolle activiteiten worden aangemerkt. Dat eiser geen vooraanstaande rol had binnen de HDP doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder onvoldoende acht geslagen op de algemene veiligheidssituatie voor HDP/DEM-leden in Turkije zoals dit uit het ambtsbericht blijkt en onvoldoende gemotiveerd hoe dit zich verhoudt tot de geloofwaardig geachte activiteiten voor de HDP van eisers.
12. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepen dienen daarom gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaken te voorzien.
13. De bestreden besluiten zullen daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb. [10] De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen op de asielaanvragen met inachtneming van deze uitspraak.
14. In de gegrondverklaring van de beroepen ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot € 1.868 (duizend achthonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.De Democratische Partij van de Volkeren (HDP; Halklarm Deomkratik Partisi). Sinds 2023 zet de partij haar activiteiten voort onder de DEM partij.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 29 januari 2026, C-431/24, ECLI:EU:C:2026:53.
5.Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Paragraaf C7/34.3.2 van de Vc.
7.Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Turkije van februari 2025.
8.Pagina 63.
9.Pagina 65.
10.Algemene wet bestuursrecht.