Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16636

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL24.51377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw 2000Art. 8:72, vierde lid, AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende integrale beoordeling seksuele gerichtheid en identiteitsgroei

Eiseres, van Ugandese nationaliteit, diende haar vijfde asielaanvraag in op 8 december 2022, welke op 5 juni 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank verklaarde het daaropvolgende beroep op 31 juli 2024 gegrond en gaf de minister opdracht een nieuw besluit te nemen. De minister nam op 18 december 2024 een nieuw besluit, wederom afwijzend, waarop eiseres beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat de minister de eerdere opdracht niet juist heeft uitgevoerd. De minister heeft nagelaten een integrale beoordeling te maken van alle door eiseres overgelegde stukken en omstandigheden, waaronder haar langdurige deelname aan LHBTI-bijeenkomsten en haar bijdrage aan een boek, die relevant zijn voor haar seksuele gerichtheid en identiteitsgroei. De minister onderscheidde ten onrechte twee asielmotieven zonder deze in samenhang te wegen.

De rechtbank stelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en vernietigt dit besluit. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak en een integrale beoordeling wordt gemaakt. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van €1868 toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met een integrale beoordeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51377

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Dreijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven omdat de opdracht die de rechtbank de minister in een eerdere uitspraak heeft gegeven niet juist is uitgevoerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de uitspraak van de rechtbank van 31 juli 2024 en vervolgens op de vraag of de opdracht die in die uitspraak aan de minister is gegeven juist is uitgevoerd. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres stelt van Ugandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1958.
3. Eiseres heeft eerder aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, maar die hebben niet geleid tot vergunningverlening.
4. Op 8 december 2022 heeft eiseres voor de vijfde keer een asielaanvraag ingediend. De aanvraag is bij besluit van 5 juni 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep dat eiseres daartegen heeft gericht is bij uitspraak van 31 juli 2024 [2] gegrond verklaard en de rechtbank heeft de minister opgedragen en nieuw besluit te nemen.
5. Dat nieuwe besluit heeft de minister op 18 december 2024 (het bestreden besluit) genomen, waarbij de asielaanvraag opnieuw is afgewezen, als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
5.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en als tolk G.I. Marcus-Goerewitsj.

Beoordeling door de rechtbank

De uitspraak van 31 juli 2024
6. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de minister niet gehouden was om nadere vragen te stellen aan eiseres in het gehoor opvolgende aanvraag omdat in rechte vaststaat dat van eiseres meer overtuigende verklaringen mogen worden verwacht, gegeven haar referentiekader, dan zij heeft afgelegd. Het beroep wordt niettemin gegrond verklaard omdat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt zoals bedoeld in Werkinstructie 2019/17. In het bijzonder is de minister volgens de rechtbank niet ingegaan op alle door eiseres overgelegde stukken en hoe deze zich tot elkaar, en de overige omstandigheden van het dossier, verhouden. Zo zijn de stukken niet beoordeeld tegen de achtergrond van de lange periode waarin eiseres op structurele basis LHBTI-bijeenkomsten bezoekt en contacten onderhoudt met organisaties als Asylum Support. Ook is niet inzichtelijk hoe de gestelde identiteitsgroei is betrokken, die, zo stelt eiseres, niet zozeer tot uiting komt in haar bekwaamheid om te verklaren maar die zij op andere manieren uit, bijvoorbeeld door haar aandeel in het boek van [naam] [3] . De minister moet namelijk een nieuwe, integrale beoordeling maken met inachtneming van deze uitspraak.
Heeft de minister de opdracht van de rechtbank juist uitgevoerd?
7. De minister is bij zijn beoordeling uitgegaan van twee asielmotieven:
Homoseksuele gerichtheid;
Identiteitsgroei.
De minister vindt dat de stukken die eiseres bij haar vijfde aanvraag heeft overgelegd geen aanleiding geven om het oordeel over de geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid te herzien. De identiteitsgroei vindt de minister ook niet geloofwaardig omdat de verklaringen die eiseres heeft afgelegd geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
8. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de minister een integrale beoordeling diende te maken maar dat niet heeft gedaan door in de besluitvorming niet in te gaan op alle door eiseres overgelegde stukken en hoe deze zich tot elkaar, en de overige
omstandigheden in het dossier, verhouden. De rechtbank is van oordeel dat daarbij niet zonder meer past dat deze twee asielmotieven worden onderscheiden. De rechtbank overweegt in haar uitspraak immers dat “niet inzichtelijk (is) hoe de gestelde identiteitsgroei van eiseres is betrokken …”, wat, in het licht van wat verder in die rechtsoverweging is overwogen, bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat de minister dit had moeten betrekken bij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van eiseres. De minister heeft ter zitting ook niet duidelijk kunnen maken waarom hij ervoor heeft gekozen twee asielmotieven te onderscheiden.
9. Dit hoeft echter niet zonder meer tot het oordeel te leiden dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Als de minister, na per asielmotief een beoordeling te hebben gemaakt, vervolgens een beoordeling maakt waarin alle feiten en omstandigheden worden gewogen, is naar het oordeel van de rechtbank ook aan de opdracht van de rechtbank voldaan.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij het beoordelen van asielmotief 1 niet alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang heeft gewogen. De minister beoordeelt elk van de overgelegde stukken en weegt, in de kern, van elk van die stukken de bewijswaarde. De minister vindt die beperkt met als voornaamste argumenten dat ze niets nieuws brengen ten opzichte van de vorige procedure, dat de bron niet objectief is of dat het verder niets zegt (foto's). De minister laat na al die informatie in samenhang te wegen en af te zetten tegen wat er al aan ondersteuning van dit asielmotief in vorige procedures naar voren is gebracht.
De minister stelt verder dat het boek [4] waaraan eiseres heeft bijgedragen uitsluitend ziet op de situatie van ongedocumenteerden op leeftijd en geen betrekking heeft op de besluiten uit de eerdere asielprocedures van eiseres, die inmiddels onherroepelijk zijn. Daarom kan het boek volgens de minister niet worden gebruikt ter onderbouwing van de gestelde seksuele gerichtheid. Daarbij gaat de minister voorbij aan wat eiseres heeft verklaard over haar bijdrage aan het boek en de betekenis daarvan voor haar. Ook heeft de minister bij zijn beoordeling niet of onvoldoende duidelijk betrokken dat eiseres al een lange periode en op structurele basis LHBTI-bijeenkomsten bezoekt en contacten onderhoudt met organisaties als LGBT Asylum Support.
11. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister bij het beoordelen van asielmotief 2 niet alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang heeft gewogen. De minister stelt in het voornemen dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van identiteitsgroei centraal staat of er een aannemelijke reden wordt aangevoerd waarom iemand niet eerder over zijn of haar seksuele gerichtheid heeft kunnen verklaren en
waarom iemand dat nu wél (beter) kan en dat hierbij ook de verklaringen en
bewijsmiddelen uit voorgaande procedures worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister dat feitelijk niet doet door erop te wijzen dat de seksuele gerichtheid in de vorige procedures, maar ook in de onderhavige procedure, ongeloofwaardig is bevonden en dat de identiteitsgroei daarom ook ongeloofwaardig is. De minister heeft verder niet onderkend dat de stukken die eiseres aan haar opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd ook waren bedoeld ter onderbouwing van haar identiteitsgroei en niet enkel en alleen ter onderbouwing van de seksuele gerichtheid.
12. Gelet op de gebreken die de rechtbank heeft geconstateerd in de beoordeling van de twee asielmotieven, is alleen daarom geen sprake van een deugdelijke beoordeling als omschreven in rechtsoverweging 9.
13. De rechtbank concludeert daarom dat de minister de opdracht van de rechtbank niet juist heeft uitgevoerd. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de wet. [5] Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank wijst er in dit kader op dat de minister, in overeenstemming met wat in de uitspraak van 31 juli 2024 is geoordeeld, dus de gestelde seksuele gerichtheid en identiteitsgroei van eiseres moet beoordelen tegen de achtergrond van de verklaringen van eiseres, de overgelegde verklaringen van derden, foto’s, haar deelname aan het boek, die, zo blijkt uit haar verklaringen ter zitting, voor eiseres een uiting van haar seksualiteit was, het gedurende een periode van 10 jaar structureel bezoeken van lbhti-bijeenkomsten en activiteiten en het actief contact onderhouden met LGBT Asylum Support in onderlinge samenhang, en niet slechts aan de hand van de verklaringen die zij tijdens het nader gehoor heeft afgelegd. De rechtbank geeft de minister hiervoor 8 weken.
15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1868,00. [6]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2024;
- draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.NL24.23540.
3.
4.
5.Artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.