Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16648

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.4779 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen nadere beslistermijn in bestuursrechtelijke zaak vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025, waarin het beroep van opposant gegrond werd verklaard. Opposant betwist de door de rechtbank gestelde nadere beslistermijn van 20 weken, stellende dat deze termijn onterecht is en afwijkt van het sporenmodel zoals vastgesteld door een andere zittingsplaats.

De rechtbank beoordeelt dat het verzet ongegrond is omdat het oordeel over de nadere beslistermijn buiten redelijke twijfel staat en de termijn in lijn is met de gedragslijn van de zittingsplaats Rotterdam. De rechtbank stelt dat het verzet feitelijk een verkapt hoger beroep betreft, waarvoor de verzetsprocedure niet bedoeld is.

De rechtbank bevestigt dat het vaststellen van de nadere beslistermijn een discretionaire bevoegdheid van de rechter is en ziet geen reden om de eerdere uitspraak te wijzigen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de nadere beslistermijn wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4779 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant] , opposant1

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 in het geding tussen opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 ten onrechte heeft overwogen dat een termijn van korter dan 20 weken na de uitspraak een onrealistisch korte periode zou zijn voor een zorgvuldig besluit. Opposant meent dat de rechtbank hiermee onterecht heeft afgeweken van het sporenmodel dat is uitgezet door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590). Daarnaast verwijst opposant naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2337).
1. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2 Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Het betoog van opposant slaagt niet. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn. De nadere beslistermijn is in overeenstemming met de gedragslijn van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:4567), 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:9200), en 21 augustus 2025, (ECLI:NL:RBROT:2025:10144)). De
rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom door de rechtbank in deze zaken de nadere beslistermijn wordt bepaald op 20 weken na de uitspraak. Dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank een andere nadere termijn hanteren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetsprocedure echter niet bedoeld. Bovendien is het vaststellen van de nadere beslistermijn een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
7. Deze verzetgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.