De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposant tegen de uitspraak van 18 maart 2026, waarin het beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur zou zijn verstuurd. Opposant stelde dat de beslistermijn van zes maanden op 10 december 2025 was verstreken, omdat hij zijn asielwens op 10 juni 2025 had geuit, en niet op 11 december 2025 zoals verweerder stelde.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling van 11 december 2025 niet prematuur was, omdat de beslistermijn inderdaad op 10 december 2025 was verstreken. Hierdoor was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en werd het verzet gegrond verklaard. De eerdere uitspraak werd vernietigd en het onderzoek werd hervat.
Vervolgens oordeelde de rechtbank dat verweerder binnen zestien weken, dan wel binnen acht weken indien opposant al is gehoord over zijn asielmotieven, alsnog een besluit moet nemen. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van opposant ter hoogte van €700,50.
Tegen deze uitspraak staat geen verzet of hoger beroep open, maar partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.