Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16651

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL24.45724 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen samenbehandeling van asielberoepen ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de beslissing van de rechtbank van 1 april 2026, waarin het beroep van opposant samen met dat van zijn broer en schoonzus werd behandeld en gegrond werd verklaard.

Opposant stelde dat zijn situatie wezenlijk verschilde van die van zijn familieleden en dat zijn beroep daarom afzonderlijk behandeld had moeten worden, met een afzonderlijke dwangsom tegen de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelde echter dat de onderlinge samenhang tussen de beroepen voldoende was, mede omdat de asielaanvragen nagenoeg gelijktijdig werden behandeld, dezelfde gemachtigde betrokken was en de beroepen dezelfde problematiek betroffen.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van 1 april 2026 in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet van opposant is ongegrond verklaard en de uitspraak van 1 april 2026 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45724 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant], opposant [1]
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 april 2026 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 april 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 1 april 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht, en heeft in haar uitspraak besloten om het beroep van opposant samen met de beroepen van zijn broer en schoonzus te behandelen, gelet op de onderlinge samenhang van de beroepen.
Het verzet van opposant
6. Opposant betoogt dat de rechtbank ten onrechte zonder een behandeling ter zitting uitspraak heeft gedaan, omdat het volgens opposant niet bij voorbaat duidelijk was dat de beroepen onderling samenhang hadden. Opposant is van mening dat omdat zijn situatie en status in Turkije wezenlijk anders is dan die van zijn broer en schoonzus, zijn beroep apart behandeld had moeten worden en voor hem afzonderlijk een dwangsom had moeten worden opgelegd aan verweerder.
7. De rechtbank volgt opposant niet in zijn standpunt. Dat de status en activiteiten van opposant in Turkije verschillen van die van zijn broer en schoonzus, doet niet af aan de onderlinge samenhang tussen hun beroepen. De asielaanvragen van de eiser en van zijn broer en schoonzus nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, zij zijn in hun asielprocedures bijgestaan door dezelfde gemachtigde en hun beroepen zien op dezelfde problematiek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat in de uitspraak terecht is geoordeeld dat de beroepen samen behandeld konden worden.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 april 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).