ECLI:NL:RBDHA:2026:16771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/09/700789 / JE RK 26-363
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De kinderrechter heeft op 21 mei 2026 de zitting met gesloten deuren voortgezet, waarbij de ouders, hun advocaten, en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig waren.

De minderjarige is sinds november 2025 geplaatst in een jeugdhulpinstelling waar hij vooruitgang boekt in zijn ontwikkeling, maar nog steeds ernstige bedreigingen ondervindt, met name op het gebied van taalontwikkeling en communicatie. De gecertificeerde instelling benadrukt de noodzaak van nader onderzoek en een perspectiefonderzoek, evenals het opstellen van duidelijke afspraken over omgangsmomenten met de ouders.

De vader voert verweer en wenst een kortere verlenging en meer omgangsmomenten, terwijl de moeder instemt met het verzoek en een terugkeer naar huis met een 50-50 regeling nastreeft. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is, wijst op het wisselende standpunt van de vader en zijn overtreding van afspraken, en benadrukt het belang van duidelijke en bindende afspraken voor de omgang.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot 1 mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 oktober 2026, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 1 mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 oktober 2026 met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/700789 / JE RK 26-363
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. Kara uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J. Dekker uit Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij de beschikking van 23 april 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd van 1 mei 2026 tot 1 juni 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 23 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de stukken van de vader, ontvangen op 15 en 18 mei 2026.
De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan het dossier is toegevoegd.
1.3.
Op 21 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk;
- de moeder met mr. G. Sahin, waarnemend voor mr. S. Kara.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 23 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De verzoeken zijn de beschikking van 23 april 2026 toegewezen voor de duur van een maand en voor het overige aangehouden.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. In november 2025 is [de minderjarige] overgeplaatst naar de [instelling] . Hij is inmiddels nagenoeg zindelijk en zijn taalontwikkeling gaat met sprongen vooruit. Hij zoekt nabijheid op de groep, heeft het naar zijn zin, eet en slaapt goed. Wel zoekt hij soms de grenzen op. Er is een intelligentieonderzoek afgenomen en er zal komend schooljaar worden bekeken welke vorm van onderwijs het meest passend voor hem is. De gecertificeerde instelling vindt het belangrijk dat er nader onderzoek zal plaatsvinden naar de ontwikkeling van [de minderjarige] , omdat hij niet in staat lijkt om antwoord te geven op vragen. [de minderjarige] heeft begeleide omgangsmomenten met de vader en de moeder. Deze verlopen goed en beide ouders lijken de hulpverlening te accepteren en hebben vertrouwen in de begeleiding vanuit het Opstapje en de [instelling] . Ter zitting voegt de gecertificeerde instelling daaraantoe dat er wordt getwijfeld aan de objectiviteit van de begeleiding, die thans bestaat uit een begeleider, tijdens de omgangsmomenten. Ook ontbreekt er informatie over de cruciale momenten in de omgangsverslagen. De gecertificeerde instelling is voornemens hierover in gesprek te gaan met de desbetreffende omgangsbegeleider en meerdere omgangsbegeleiders in te zetten, zodat de verslagen objectiever worden. Begin mei is er een gesprek geweest met de jeugdbeschermers, beide ouders en hun advocaten. Daarin heeft de gecertificeerde instelling aangegeven te willen onderzoeken of en op welke termijn [de minderjarige] thuisgeplaatst kan worden. In dat gesprek zijn voorwaarden opgesteld waaraan de vader en de moeder hebben toegezegd zich aan te zullen houden. Deze voorwaarden komen op papier zodat voor iedereen helder is wat er is afgesproken. Enkele dagen na het gesprek heeft de vader tijdens een begeleid omgangsmoment met [de minderjarige] reeds een aantal van deze voorwaarden overtreden. Zo heeft de vader [de minderjarige] gefilmd, dit filmpje op sociale media geplaatst en gezegd dat [de minderjarige] is ontvoerd door de overheid en eruit ziet als een dakloos kind. De gecertificeerde instelling geeft aan dat [de minderjarige] duidelijkheid verdient over zijn perspectief. Het gezin is daarom aangemeld voor een perspectiefonderzoek en daarnaast loopt er een onderzoek door de Raad naar een gezagsbeëindigende maatregel.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader ziet liever dat de uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van drie maanden en het verzoek voor het overige wordt aangehouden. De vader wenst dat [de minderjarige] zo snel mogelijk weer bij hem thuiskomt. Sinds november 2025 laat de vader een positieve verandering zien in de samenwerking met de gecertificeerde instelling. Dit ondanks dat hij nog steeds kritische vragen stelt, rapporten ter discussie stelt en hulpverleners belast met eigen documenten en eigen visies. Dit moet worden losgelaten nu dit eenmaal de houding van de vader is en dit is ingegeven wordt door zijn achtergrond en cultuur. De vader heeft zich neergelegd bij de nieuwe plaatsingslocatie van [de minderjarige] , maar maakt zich wel zorgen doordat [de minderjarige] al meerdere keren van verblijfplaats is veranderd. De vader heeft tijdens het gesprek met de gecertificeerde instelling begin mei expliciet toestemming gegeven voor de inschrijving op het speciaal onderwijs. Ook zijn er andere voorwaarden opgesteld waar de vader zich aan zal houden. De vader benoemt dat er in datzelfde gesprek beloften zijn gedaan door de gecertificeerde instelling, maar dat deze onduidelijk zijn. Hij geeft daarnaast aan dat hij meer omgangsmomenten met [de minderjarige] wil, het liefst wekelijks.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder ziet graag dat [de minderjarige] weer thuis kan wonen, bij voorkeur met een 50-50 regeling. Ze zoekt een woning in [plaats] waar zij terecht kan met [de minderjarige] , maar de zoektocht is lastig. De voorwaarden die zijn opgesteld tijdens het gesprek met de gecertificeerde instelling zijn voor de moeder helder en zij zal zich daaraan houden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de gehelde verzochte periode noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] wordt nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De zorgen over zijn taalontwikkelingsstoornis zijn de afgelopen periode afgenomen, maar [de minderjarige] lijkt moeite te hebben met het begrijpen van en antwoorden op vragen. Het is daarom wenselijk dat hij hiervoor nader onderzocht wordt. Daarnaast zal de komende periode worden bekeken welke onderwijsvorm het meest aansluit bij zijn behoeften. De vader blijft echter wisselend in zijn mening ten aanzien van de inschrijving van [de minderjarige] voor het speciaal basisonderwijs. In het gesprek van begin mei met de gecertificeerde instelling heeft de vader toestemming gegeven voor deze inschrijving, maar in de stukken die hij in deze procedure heeft ingediend schrijft hij echter dat er geen enkele reden bestaat voor speciaal basisonderwijs. De vader heeft tijdens het gesprek ook aangegeven zich te houden aan de opgestelde voorwaarden, maar hij heeft deze slechts enkele dagen later overtreden. Het lukt de vader niet om zijn eigen visie naast zich neer te leggen en zich daadwerkelijk te committeren aan de afspraken met de gecertificeerde instelling. Door de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat [de minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid over zijn perspectief, maar dat het naar alle waarschijnlijkheid een half jaar zal duren voordat gestart kan worden met een perspectiefonderzoek. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat er in afwachting van het perspectiefonderzoek, een plan van aanpak wordt opgesteld waarbij er duidelijke afspraken met beide ouders worden gemaakt over onder andere de omgangsmomenten. De afspraken moeten onder meer zien op de frequentie van de omgang en de mogelijkheid tot uitbreiding daarvan. [de minderjarige] heeft momenteel eens per maand begeleide omgang met de vader en de moeder. Deze omgangsmomenten verlopen goed, maar de gecertificeerde instelling heeft twijfels over de objectiviteit van de verslagen. De kinderrechter benadrukt daarbij met klem dat er niet te veel licht tussen de afspraken mag komen. Ze dienen helder te zijn voor zowel de gecertificeerde instelling als voor beide ouders zodat alle partijen zich daaraan kunnen houden. De vader dient zich daarnaast te onthouden van acties – zoals het filmen van [de minderjarige] – die niet in het belang zijn van [de minderjarige] en niet te blijven hangen in gebeurtenissen uit het verleden, maar toekomstgericht te denken.
5.3.
Gelet op het voornoemde verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van elf maanden en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vijf maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 1 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. J.M.J. Keltjens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.