ECLI:NL:RBDHA:2026:16776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686397 / FA RK 25-4215
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:255 lid 2 BWArt. 1:401 BWArt. 1:402 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie na beëindiging geregistreerd partnerschap

Partijen zijn voormalige geregistreerd partners en ouders van twee minderjarige kinderen. De rechtbank behandelt een verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats, zorgregeling, ondertoezichtstelling en wijziging van kinderalimentatie. De kinderen verblijven momenteel deels bij een zorginstelling en bij de vader.

De rechtbank besluit dat de hoofdverblijfplaats van het oudste kind bij de moeder komt, met inschrijving bij de moeder of zorginstelling, en van het jongste kind bij de vader, waarbij het kind op het adres van de vader blijft ingeschreven. Voor het oudste kind geldt een zorgregeling in overleg met de zorginstelling, en na vertrek uit de instelling verblijft het kind volledig bij de moeder met contactmomenten in overleg met de vader. Voor het jongste kind wordt een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind vanaf het nieuwe schooljaar 50/50 bij beide ouders verblijft, met een overgangsperiode waarin de huidige regeling wordt uitgebreid.

De rechtbank wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af, omdat voldoende hulpverlening aanwezig is en de ouders de belangen van de kinderen vooropstellen. De kinderalimentatie wordt aangepast op basis van draagkrachtberekeningen, waarbij de vader €323 per maand betaalt voor het oudste kind en geen bijdrage voor het jongste kind wordt vastgesteld vanwege de zorgregeling en bijdrage van de stiefvader.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank stelt de hoofdverblijfplaats van het oudste kind bij de moeder en van het jongste kind bij de vader vast, wijzigt de zorgregeling en bepaalt dat de vader €323 per maand kinderalimentatie betaalt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4215
Zaaknummer: C/09/686397
Datum beschikking: 21 mei 2026

Zorgregeling, hoofdverblijfplaats, ondertoezichtstelling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Bloem te Bergschenhoek.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;
het F9-formulier van 2 april 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 3 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 8 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich tijdens afzonderlijke gesprekken in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Op 16 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn geregistreerd partners geweest van 2011 tot 2021.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats].
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen staan ingeschreven op het adres van de vader.
- [minderjarige 1] verblijft feitelijk bij [zorginstelling] in [plaats 1].
- Bij beschikking van 15 juli 2021 van deze rechtbank is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen de ouders uitgesproken. Daarbij is een convenant en ouderschapsplan aan de beschikking gehecht, waarin – voor zover hier van belang –staat opgenomen dat de vader aan de moeder een bedrag van € 441,- per maand aan kinderalimentatie voldoet bij een dienstverband van 32 uur en een bedrag van € 562,- per maand aan kinderalimentatie bij een dienstverband van 40 uur.
- De moeder is op [datum] 2025 getrouwd met [de stiefvader] (hierna te noemen: de stiefvader).

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na aanvulling – :
primair
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen vast te stellen bij de moeder;
- een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 2] op maandag en dinsdag bij de vader is, de donderdag en vrijdag bij de moeder en de woensdagen en de weekenden om en om worden verdeeld. Daarbij geldt dat [minderjarige 2] op dinsdagavond na het avondeten naar de moeder gaat en op vrijdag na het eten naar de vader en als hij op woensdag na het eten bij de moeder komt dan zondag na het eten weer terug naar de moeder gaat, althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank in het belang van [minderjarige 2] acht;
- een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 1] – op het moment dat hij [zorginstelling] verlaat – volledig bij de moeder zal verblijven en hij zelf contact met de vader zal houden, althans een zorgregeling te bepalen als de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] acht;
- vervangende toestemming aan de moeder te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven op school [schoolnaam] te [plaats 2];
- de vader te veroordelen om met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, op de eerste dag van de maand – bij gebrek aan wetenschap – een bedrag van € 500,- per kind per maand in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder te voldoen, althans te bepalen dat de vader met ingang van een zodanige datum een zodanig bedrag in de kosten en opvoeding van de kinderen dient te voldoen, als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;

subsidiair

- te bepalen dat indien de hierboven genoemde punten niet voor toewijzing gereedliggen, de Raad de opdracht krijgt te onderzoeken:
  • welke hoofdverblijfplaats in het belang van [minderjarige 1] is;
  • welke zorgregeling in het belang van de kinderen is;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader – na aanvulling – zelfstandig verzocht:
  • te bepalen dat de kinderen de hoofdverblijfplaats hebben bij de vader en dat zij op het adres van de vader ingeschreven (blijven) staan;
  • een zorgregeling tussen partijen in goede justitie vast te stellen;
  • de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] op een BSO in [plaats 3] in te schrijven in het kader van een vast te stellen zorgregeling;
  • de vastgestelde kinderbijdrage ten behoeve van de kinderen te wijzigen en vast te stellen dat de vader geen kinderbijdrage verschuldigd is aan de moeder, dan wel deze bijdrage op nihil te stellen;
  • een ondertoezichtstelling uit te spreken ten aanzien van de kinderen voor de duur van 12 maanden, dan wel een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen termijn;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en voert daartoe het volgende aan. Sinds de kinderen staan ingeschreven op het adres van de vader worden belangrijke zaken buiten haar om geregeld. Zo komt de post van [minderjarige 1] niet bij haar of bij [minderjarige 1] zelf terecht. Daarnaast is de moeder van mening dat zij aan [minderjarige 2], en [minderjarige 1] zodra hij het traject bij [zorginstelling] heeft afgerond, een stabielere en veiligere thuisbasis kan bieden.
De vader verzoekt op zijn beurt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Ook wil hij dat zij ingeschreven blijven staan op zijn adres. Ten aanzien van [minderjarige 2] geeft de vader aan dat hij het grootste gedeelte van de tijd bij hem verblijft. Daarnaast gaat [minderjarige 2] in [plaats 3] (waar de vader woont) naar school en de BSO, en heeft hij daar zijn sociale activiteiten.
Uit de stukken, de gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hetgeen op de zitting is besproken, is het de rechtbank duidelijk geworden dat er in het afgelopen jaar sprake is geweest van een hectische periode, waarin er veel is veranderd. [minderjarige 1] is sinds februari 2026 geplaatst bij [zorginstelling], een behandelgroep voor jongeren. Hij verblijft daar in beginsel voor de duur van één jaar. Daarbij gaat hij in de weekenden naar de moeder of zijn opa en oma (moederszijde). Hij heeft op dit moment weinig tot geen contact met de vader. [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek aangegeven dat hij, zodra hij het traject bij [zorginstelling] heeft afgerond, bij de moeder wil wonen, dan wel dat hij een zelfstandigheidstraject wil volgen. Daarbij wil hij graag zelf bepalen of en wanneer hij contact met de vader heeft. Ten aanzien van [minderjarige 2] stelt de rechtbank vast dat hij sinds eind 2025 voornamelijk bij de vader verblijft en dat het contact met de moeder en haar partner sinds enige tijd weer wordt opgebouwd. Er is hulpverlening betrokken voor het begeleiden van de uitbreiding van het contact. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij het contact met de moeder verder wil uitbreiden.
Tegen de achtergrond van de huidige situatie is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt bepaald. Omdat [minderjarige 1] feitelijk nog enige tijd bij [zorginstelling] verblijft, verwacht de rechtbank van de moeder dat zij zal nagaan of [minderjarige 1] bij [zorginstelling] kan worden ingeschreven of dat het met het oog op de financiering van hulpverlening beter is als hij op het adres van de moeder wordt ingeschreven. Daarnaast acht de rechtbank het gelet op de huidige situatie in het belang van [minderjarige 2] dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald en dat hij op het adres van de vader ingeschreven blijft staan. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich in een andere situatie bevinden, waardoor er een aparte zorgregeling voor hen moet worden bepaald.
Zoals reeds besproken verblijft [minderjarige 1] in beginsel voor de duur van één jaar bij [zorginstelling]. [minderjarige 1] wil daarna ofwel weer bij de moeder gaan wonen, ofwel een zelfstandigheidstraject ingaan. De rechtbank constateert dat het contact tussen [minderjarige 1] en de vader op dit moment minimaal is. [minderjarige 1] heeft aangegeven daarin zijn eigen keuzes te willen maken. De rechtbank acht het – mede gezien zijn leeftijd – van belang dat de wensen van [minderjarige 1] serieus worden genomen. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij de door de moeder verzochte zorgregeling. Voor de duur dat [minderjarige 1] nog bij [zorginstelling] verblijft zal de rechtbank een zorgregeling bepalen, waarbij zijn verlof en contactmomenten met de moeder en de vader (en eventueel opa en oma (moederszijde)) in overleg met [zorginstelling] worden vastgesteld. Zodra [minderjarige 1] [zorginstelling] heeft verlaten, zal de rechtbank een zorgregeling bepalen, waarbij [minderjarige 1] volledig bij de moeder verblijft. Daarbij zal er dus geen vaste regeling gelden tussen de vader en [minderjarige 1] en is het aan [minderjarige 1] om in overleg met de vader contactmomenten tussen hen in te plannen.
Ten aanzien van [minderjarige 2] stelt de rechtbank vast dat er op dit moment een regeling geldt, waarbij hij iedere woensdagmiddag, alsmede om het weekend van zaterdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de moeder verblijft. De rechtbank constateert dat de ouders het erover eens zijn dat er weer moet worden toegewerkt naar een 50/50-regeling. De ouders zijn het er echter niet over eens hoe die regeling er uiteindelijk uit moet komen te zien. De moeder verzoekt een zorgregeling te bepalen, in die zin dat [minderjarige 2] op maandag en dinsdag bij de vader is, op donderdag en vrijdag bij de moeder en waarbij de woensdagen en de weekenden tussen de ouders worden verdeeld. Volgens de moeder is een dergelijke zorgregeling het meest overzichtelijke voor [minderjarige 2]. Daarentegen wil de vader een week-op-week-af-regeling, met een wisselmoment op vrijdag na school. De vader stelt dat hij een dergelijke regeling beter kan combineren met zijn werk. Daarnaast kan [minderjarige 2] dan in de week dat hij bij de vader is op de maandag, donderdag en vrijdag naar de BSO blijven gaan.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat wordt toegewerkt naar een regeling, waarbij hij op maandag en dinsdag bij de moeder verblijft, op donderdag en vrijdag bij de vader en op woensdag en in het weekend afwisselend bij de moeder dan wel bij de vader. De reden dat de rechtbank geen zorgregeling bepaalt overeenkomstig het verzoek van de moeder, is dat de vader inmiddels BSO voor [minderjarige 2] heeft geregeld op de maandag, donderdag en vrijdag. Op deze manier kan [minderjarige 2] in ieder geval op de donderdag en vrijdag naar de BSO blijven gaan. Daarbij is het aan de ouders om in onderling overleg te bepalen of de BSO op de maandag komt te vervallen. Omdat de rechtbank geen zicht heeft op de zorg- c.q. omgangsregeling die de stiefvader met zijn kinderen heeft, is het ook aan de ouders om de woensdagen en de weekenden in onderling overleg te verdelen. Voornoemde zorgregeling zal ingaan vanaf het nieuwe schooljaar (september 2026), zodat [minderjarige 2] eraan kan wennen dat hij weer meer bij zijn moeder en stiefvader zal verblijven. De rechtbank bepaalt dat tot die tijd met hulp van [instantie] moet worden gekeken of de huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige 2] op de woensdagmiddag en om het weekend van zaterdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de moeder verblijft, kan worden uitgebreid.
Vervangende toestemming school en BSO
De rechtbank constateert dat de ouders de over en weer gedane verzoeken ten aanzien van de school en de BSO van [minderjarige 2] op de zitting hebben ingetrokken, zodat er in dat kader niets meer te beslissen valt. De ouders zijn het erover eens dat [minderjarige 2] de basisschool zal afmaken op zijn huidige school. [minderjarige 2] is inmiddels ingeschreven bij een BSO in de buurt van deze basisschool. De ouders zijn het erover eens dat zij met elkaar in overleg zullen moeten treden zodra een keuze moet worden gemaakt voor een middelbare school voor [minderjarige 2]. De ouders zullen daarbij gepast belang toekennen aan de wensen van [minderjarige 2].
Raadsonderzoek
Gelet op het feit dat de rechtbank een beslissing zal nemen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. Het (subsidiaire) verzoek van de moeder zal dan ook worden afgewezen.
Ondertoezichtstelling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:255 lid 2 BW Pro kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Daarnaast is een ouder bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.
Ontvankelijkheid
De Raad heeft eerder onderzocht of een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. Uit het raadsrapport van februari 2025 blijkt dat er op dat moment sprake was van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar dat de Raad voldoende mogelijkheden in het vrijwillig kader zag om die bedreiging weg te nemen. De Raad is dan ook niet overgegaan tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek. De rechtbank zal hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Daartoe voert de vader – kort samengevat – het volgende aan. [minderjarige 1] vertoont zorgelijk gedrag. Hij wil niet meer naar het pleeggezin en de vader vreest dat hij zich aan verdere noodzakelijke hulpverlening zal onttrekken. Daarbij staat hij onder negatieve invloed van de familie aan de zijde van de moeder, waar er wordt toegestaan (en gefaciliteerd) dat hij rookt. Ook de ontwikkeling van [minderjarige 2] staat volgens de vader onder druk. Zo bestaan er zorgen over zijn relatie met de moeder en haar partner. De vader is van mening dat hulpverlening binnen het vrijwillig kader niet toereikend is. Volgens de vader is een ondertoezichtstelling dan ook noodzakelijk in het belang van de kinderen.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat er verschillende hulpverlening betrokken is. Zo krijgt [minderjarige 2] hulp van Oog voor Thuis en Coach’Em Up, [minderjarige 1] van Cardea en [zorginstelling] en zijn de ouders inmiddels gestart bij Jeugdformaat voor een ouderschapsbemiddelingstraject. Daarnaast is de moeder van mening dat in het geval er op de geschilpunten tussen de ouders wordt beslist, onduidelijkheden worden weggenomen en de ouders zich vervolgens verder kunnen richten op het vormgeven van het ouderschap.
De rechtbank is van oordeel dat de kinderen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is sprake van een gebrekkige communicatie tussen de ouders, waar de kinderen de dupe van zijn. Daarbij lukt het de ouders onvoldoende om in onderling overleg afspraken te maken over de kinderen en het ouderschap vorm te geven. Aan de andere kant constateert de rechtbank wel dat er veel hulpverlening betrokken is en dat de ouders deze hulp ook aangrijpen. Daarmee laten de ouders zien dat zij de belangen van de kinderen voorop willen stellen. Bovendien neemt de rechtbank in onderhavige beschikking beslissingen, die voor een bepaalde mate van duidelijkheid zullen zorgen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook voldoende mogelijkheden in het vrijwillig kader om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.
Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 BW Pro kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende de levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5).
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat de moeder is hertrouwd. Daarnaast wordt ook de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling gewijzigd. De rechtbank zal de ouders dan ook ontvangen in hun over en weer gedane verzoeken tot wijziging van de kinderalimentatie en hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling hiervan.
Inhoudelijke boordeling
De vast te stellen kinderalimentatie is in geschil. De moeder verzoekt om een kinderalimentatie van € 500,- per maand per kind vast te stellen, die de vader aan de moeder moet voldoen. De vader verzoekt op zijn beurt om vast te stellen dat hij geen kinderalimentatie meer aan de moeder verschuldigd is. De rechtbank heeft aan de hand van de door de ouders ingenomen stellingen een alimentatieberekening gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat een alimentatieberekening geldt als een momentopname gebaseerd op de huidige situatie. Om die berekening enigszins toekomstbestendig te maken, zal de rechtbank in haar berekening (waar mogelijk) vooruitlopen op de ontwikkelingen die nog gaan komen.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De door de rechtbank gemaakte berekeningen worden aan deze beschikking gehecht.
- ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 lid 1 BW Pro volgt dat de wetgever de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
  • de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;
  • de datum van indiening van het verzoekschrift;
  • de datum van de beschikking.
Omdat er de afgelopen periode veel is veranderd in de situatie van de kinderen en de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling zal wijzigen, ziet de rechtbank aanleiding om de ingangsdatum van de kinderalimentatie op de datum van deze beschikking te bepalen, te weten 21 mei 2026.
- behoefte van de kinderen
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van de kinderen, moet eerst worden bepaald wat de kosten van de kinderen zijn (de behoefte).
De ouders zijn in 2021 uit elkaar gegaan. De vader stelt dat de behoefte van de kinderen geïndexeerd naar 2026 € 506,- per maand per kind bedraagt. De moeder heeft de behoefte van de kinderen niet berekend. Ook heeft de moeder de behoefte die de vader stelt niet betwist. Gelet daarop stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen vast op € 506,- per maand per kind, te weten € 1.012,- per maand in totaal.
- draagkracht moeder
Bij de berekening van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.721,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de moeder overgelegde betaalspecificaties over de maanden februari en maart 2026 van het UWV.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • het kindgebonden budget.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder in 2026 op € 1.616,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de moeder in aanmerking nemen.
- draagkracht vader
Bij de berekening van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.700,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de vader overgelegde salarisspecificatie van februari 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
  • de pensioenpremie van € 367,- per maand;
  • de premie WIA van € 16,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 4.560,- per maand.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van de draagkracht – conform de aanbevelingen van het rapport – de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.560 – (1.368 + 1.365)] = € 1.279,- per maand.
- draagkracht stiefvader
De moeder is opnieuw getrouwd. Omdat de echtgenoot van de moeder als stiefouder onderhoudsplichtig is voor de kinderen, zal ook hij in de berekening worden meegenomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij geen rekening zal houden met de financiële verplichtingen die de stiefvader heeft ten opzichte van zijn eigen kinderen. De rechtbank heeft in dat kader geen gegevens ontvangen en de moeder heeft daar ook geen stelling over ingenomen.
Bij de berekening van de draagkracht van stiefvader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.833,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de moeder overgelegde salarisspecificatie van januari 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
  • de pensioenpremie van € 171,- per maand;
  • de aanvullende pensioenpremie van € 3,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de stiefvader in 2026 op € 2.544,- per maand.
Omdat het NBI van de stiefvader hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van de draagkracht – conform de aanbevelingen van het rapport – de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de stiefvader bedraagt dan in beginsel: 70% x [2.544 – (763 + 1.365)] = € 291,- per maand.
- draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders en de stiefvader bedraagt gezamenlijk € 1.620,- per maand (€ 1.279 + € 50 + € 291). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken met de draagkracht van de ouders en de stiefvader, waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: draagkracht (stief)ouder / totale draagkracht x behoefte van de kinderen. Dit leidt tot het volgende:
aandeel vader: 1.279 / 1.620 x 1.012 = 799
aandeel moeder: 50 / 1.620 x 1.012 = 31
aandeel stiefvader: 291 / 1.620 x 1.012 = 182
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 799,- per maand voor rekening van de vader, een gedeelde van € 31,- per maand voor rekening van de moeder en een gedeelte van € 182,- per maand voor rekening van de stiefvader.
- zorgkorting
Zoals reeds overwogen bepaalt de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder. Gelet op het feit dat er op dit moment niet tot nauwelijks contact is tussen [minderjarige 1] en de vader, maar dat dit contact in de toekomst wel weer wordt opgebouwd, ziet de rechtbank aanleiding om een zorgkorting van 15% te hanteren ten aanzien van [minderjarige 1] ten behoeve van de vader. De zorgkorting bedraagt dan € 76,- per maand.
Daarentegen bepaalt de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vader en wordt er toegewerkt naar een zorgregeling, waarbij hij 50/50 bij de ouders is. Gelet op de huidige situatie en de na te streven situatie ziet de rechtbank dan ook aanleiding om een zorgkorting van 25% te hanteren ten aanzien van [minderjarige 2] ten behoeve van de moeder. De zorgkorting bedraagt dan € 126,- per maand.
- conclusie
Uitgaande van bovenstaande zal de rechtbank de door de vader, met ingang van de datum van deze beschikking, aan de moeder ten behoeve van [minderjarige 1] te bepalen kinderalimentatie bepalen op € 323,- per maand.
Uit de door de rechtbank gemaakte berekening volgt dat de vader ook nog een bedrag aan kinderalimentatie zou moeten betalen aan de moeder ten behoeve van [minderjarige 2]. Gelet op het feit dat [minderjarige 1] bij [zorginstelling] woont, en de moeder aan hem dus weinig kosten heeft, en gelet op het feit dat de stiefvader ook bijdraagt in de kosten van de kinderen ziet de rechtbank aanleiding om geen kinderalimentatie vast te stellen ten laste van de vader ten behoeve van [minderjarige 2].
De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders op basis van de door de rechtbank genoemde uitgangspunten een nieuwe berekening zullen maken als de situatie van de ouders, dan wel die van de kinderen, duurzaam wijzigt.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief geschreven om te laten weten wat zij heeft beslist. Volledigheidshalve staat de inhoud van die brief hieronder, zodat beide ouders daarvan op de hoogte zijn.
Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
Een paar weken geleden spraken wij met elkaar omdat er tussen jullie ouders een rechtszaak is over onderwerpen waarover ze het niet met elkaar eens zijn. Omdat ik onder andere moest beslissen over onderwerpen die gevolgen hebben voor jullie, vond ik het fijn om jullie te zien en te spreken. Wij hebben gesproken over hoe het met jullie gaat en hoe de situatie voor jullie is. Ik vond het goed om van jullie zelf te horen wat voor jullie belangrijk is.
Ik heb daarna met jullie ouders gesproken en met hun besproken wat jullie vinden van de situatie. Ik heb nu beslissingen genomen en die opgeschreven in een uitspraak voor jullie ouders. Die beslissing krijgen jullie niet, maar daarom schrijf ik deze brief. Voor jullie is het in de eerste plaats belangrijk om te weten dat ik heb beslist dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij jullie moeder en dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij jullie vader. Dat betekent dat jullie in principe bij die ouder ingeschreven staan (en dus in het geval van [minderjarige 2] daar ingeschreven blijven staan). Ik heb wel gevraagd of jullie moeder kan onderzoeken of [minderjarige 1] voorlopig ingeschreven kan worden bij [zorginstelling].
Ik heb daarnaast beslist dat ten aanzien van [minderjarige 1] de regeling met betrekking tot het contact met jullie ouders zo zal zijn dat zolang je nog bij [zorginstelling] verblijft, het verlof en de contactmomenten in overleg met [zorginstelling] moeten worden vastgesteld. Zodra je niet meer bij [zorginstelling] verblijft, zal een regeling gelden waarbij je in principe volledig bij jullie moeder verblijft. Daarnaast kan je in overleg met jullie vader contactmomenten tussen jou en hem plannen.
Ten aanzien van [minderjarige 2] geldt dat ik een regeling heb vastgesteld waarin je in het nieuwe schooljaar (dus vanaf september 2026) op maandag en dinsdag bij jullie moeder bent, op donderdag en vrijdag bij jullie vader en op woensdag en in de weekenden afwisselend bij de ene en de andere ouder. Jullie ouders moeten in onderling overleg bepalen hoe de woensdag en de weekenden worden verdeeld. Daarbij kan een rol spelen wanneer de kinderen van jullie stiefvader daar zijn. Tot september 2026 kan de tijd die je bij jullie moeder bent met hulp van [instantie] worden uitgebreid. Jullie ouders hebben afgesproken dat je gewoon de basisschool kan afmaken op je huidige school.
Ik zou voor jullie het liefste willen dat deze beslissingen nu iets van rust brengen voor jullie allemaal. Ik hoop dat de situatie weer wat normaler wordt en dat het allemaal niet zo ingewikkeld meer is. Als laatste laat ik jullie weten dat ik de inhoud van deze brief ook in de beslissing voor jullie ouders heb opgenomen, zodat ze weten wat ik jullie heb geschreven. Ik wens jullie heel veel succes in de toekomst. Bedankt voor de gesprekken die we hebben gehad.
Met vriendelijke groet,de rechter

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder, waarbij geldt dat de moeder zal nagaan of [minderjarige 1] bij [zorginstelling] kan worden ingeschreven of dat hij op het adres van de moeder moet worden ingeschreven;
*
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vader, waarbij [minderjarige 2] op het adres van de vader ingeschreven blijft staan;
*
bepaalt een zorgregeling ten behoeve van [minderjarige 1], waarbij:
  • in de periode dat [minderjarige 1] bij [zorginstelling] verblijft:zijn verlof en contactmomenten met de moeder en de vader in overleg met [zorginstelling] worden vastgesteld;
  • nadat [minderjarige 1] [zorginstelling] heeft verlaten:[minderjarige 1] in principe volledig bij de moeder is en hij in overleg met de vader contactmomenten zal in plannen;
*
bepaalt een zorgregeling ten behoeve van [minderjarige 2], waarbij:
  • tot het nieuwe schooljaar (september 2026):onder leiding van [instantie] wordt gekeken of en zo ja, in welk tempo de huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige 2] op de woensdagmiddag en om het weekend van zaterdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de moeder verblijft, kan worden uitgebreid;
  • vanaf het nieuwe schooljaar (september 2026):[minderjarige 2] op maandag en dinsdag bij de moeder verblijft, op donderdag en vrijdag bij de vader en op woensdag en in het weekend afwisselend bij de moeder dan wel bij de vader, een en ander in onderling overleg te verdelen;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van de datum van deze beschikking, te weten 21 mei 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 323,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 mei 2026.