ECLI:NL:RBDHA:2026:16793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703861 / JE RK 26-684
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie vader

De gecertificeerde instelling verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, geboren in 2017, vanwege zorgen over de veiligheid en stabiliteit in de thuissituatie bij de vader. De minderjarige verbleef kort bij de vader, waarbij sprake was van oplopende spanningen, onvoorspelbaar gedrag, een vervuilde woning en vermoedelijk middelengebruik. Dit leidde tot regressief gedrag bij de minderjarige.

De vader voerde verweer en stelde dat hij inmiddels alleen woont, gestopt is met wietgebruik en dat de woning schoon is. Hij benadrukte zijn bereidheid tot hulpverlening en ontkende dat er zorgen zijn over zijn opvoedklimaat. De grootouders steunden het verzoek en boden een stabiele en voorspelbare opvoedomgeving.

De kinderrechter oordeelde dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De vader kan momenteel onvoldoende zorg bieden en de grootouders sluiten beter aan bij de opvoedbehoeften. De verstoorde verhouding tussen vader en grootouders is onwenselijk, maar verbetering is noodzakelijk. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt van 21 mei 2026 tot 27 februari 2027.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de grootouders verleend wegens onveilige thuissituatie bij de vader.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703861 / JE RK 26-684
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.S. van Haeften uit Den Haag,
[de grootmoeder], de grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: de grootmoeder,
en
[de grootvader], de stiefgrootvader moederszijde,
hierna te noemen: de grootvader,
hierna gezamenlijk te noemen: de grootouders,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026;
  • de stukken van de vader, ontvangen op 18 mei 2026.
De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan het dossier is toegevoegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat;
- de grootouders.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder,
[de moeder], is op [datum] 2025 overleden.
2.3.
De vader is belast met het ouderlijk gezag.
2.4.
[minderjarige] verblijft bij de grootmoeder moederszijde.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 februari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] heeft in de periode van 16 februari tot 5 april 2026 bij de vader verbleven. De thuissituatie van de vader werd als onveilig ingeschat door oplopende spanningen en onvoorspelbaar gedrag van de vader en zijn huisgenoot, een vriend van de vader. Bij [minderjarige] werd regressief gedrag gezien, zoals bedplassen. De huisgenoot heeft berichten gestuurd naar familieleden dat [minderjarige] zou liegen, bedriegen en een grote mond heeft. De woning van vader was vervuild en het rook er sterk naar wiet. Tijdens het gesprek met [zorginstelling] , de gecertificeerde instelling en de vader vertoonde vader gedrag wat duidde op middelengebruik. Ook bagatelliseert de vader de zorgen. De vader was aanvankelijk meewerkend met de hulpverlening vanuit [zorginstelling] , maar door zijn persoonlijke problematiek is hij onvoldoende in staat de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. Vanwege de zorgen over de thuissituatie van de vader is besloten dat [minderjarige] bij de grootmoeder zou verblijven. [zorginstelling] heeft een opbouwschema gemaakt voor het (online)contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader was dermate ontdaan door de situatie waardoor hij het contact met iedereen, inclusief [minderjarige] , afhield. De gecertificeerde instelling heeft veel contact met de grootouders. De grootouders bieden [minderjarige] rust, stabiliteit en een voorspelbare opvoedomgeving. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk zodat zij kan profiteren van de opvoedomgeving van de grootouders en gewerkt kan worden aan de veiligheid van de thuissituatie bij de vader voor de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader verzoekt primair om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair verzoekt de vader om de machtiging toe te wijzen voor een kortere periode en dat er nader onderzoek wordt gedaan door de Raad dan wel de gecertificeerde instelling naar de opvoedsituatie bij de vader. Er zijn volgens de vader geen zorgen over zijn thuissituatie en hij is, zeker met hulpverlening, in staat om voor [minderjarige] te zorgen. In de periode dat [minderjarige] bij hem was heeft hij haar naar school gebracht en praktische zaken geregeld, zoals het inschrijven bij een nieuwe dokter en tandarts. De vader woont inmiddels alleen in zijn woning en is gestopt met het roken van wiet, zoals blijkt uit de overgelegde stukken. Ook is de woning opgeruimd en niet vervuild zoals wordt geschreven door de gecertificeerde instelling. De vader geeft aan dat er geen redenen zijn voor een uithuisplaatsing aangezien er geen zorgen zijn binnen zijn opvoed- en leefklimaat en hij bereid is mee te werken aan hulpverlening. Hij heeft krijgt momenteel hulpverlening vanuit Parnassia voor zijn persoonlijke problematiek. De vader maakt zich zorgen om de over de veiligheid van [minderjarige] bij de grootmoeder. Hij mag enkel onder begeleiding met [minderjarige] videobellen, maar ook dit komt niet tot stand. [minderjarige] heeft de vader slechts een à twee keer gesproken sinds zij bij de grootmoeder verblijft. De vader vermoedt daarnaast dat de grootmoeder negatieve verhalen over hem naar voren brengt om hem bewust in een negatief daglicht te plaatsen. Het valt de vader op dat hij voor [minderjarige] , sinds zij bij de grootmoeder verblijft, minder belangrijk lijkt te zijn.
4.2.
Door de grootouders is ingestemd met het verzochte. De grootmoeder geeft aan dat de vader de afgelopen jaren niet structureel aanwezig maar af en toe in beeld was in het leven van [minderjarige] . De grootouders benadrukken dat zij het van belang vinden dat [minderjarige] prettig contact kan hebben met de vader. De grootmoeder vindt het jammer om te horen dat de vader denkt dat [minderjarige] dingen worden ingefluisterd. Dat is onjuist. Ze benoemt dat de vader haar geblokkeerd heeft waardoor ze ook geen contact met hem kan opnemen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] heeft de afgelopen maanden veel meegemaakt. Ze is haar moeder verloren en heeft in een korte tijd op verschillende plekken bij verschillende opvoeders verbleven. Op dit moment is het noodzakelijk dat zij vanuit een rustige en stabiele omgeving kan opgroeien. De vader kan haar dit momenteel onvoldoende bieden. Er zijn zorgen over de leefomgeving van de vader en zijn persoonlijke problematiek waardoor hij onvoldoende in staat lijkt om aan de zorg- en opvoedtaken van [minderjarige] te voldoen. Dat hem dit niet lukt is gebleken in de korte periode dat [minderjarige] bij de vader heeft verbleven. [minderjarige] heeft hier negatieve gevolgen van ervaren en onder meer regressief gedrag laten zien. Voordat plaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is dient er meer zicht te komen op de opvoedsituatie en -vaardigheden van de vader. De grootouders sluiten wel aan bij de opvoedbehoeften van [minderjarige] . De kinderrechter acht het daarom in haar belang dat [minderjarige] daar de komende periode kan verblijven zodat zij toekomt aan haar ontwikkeltaken. Ter zitting is gebleken dat de verhouding tussen de vader en de grootouders ernstig verstoord is. Dit is allerminst wenselijk voor [minderjarige] . De kinderrechter benadrukt dat zowel de vader als de grootouders zich zullen moeten inzetten om aan verbetering hiervan te werken. Dit is ook van belang gelet op het contact(herstel) tussen [minderjarige] en de vader. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] van belang dat zij onbelast contact kan hebben met de vader. Het is aan de gecertificeerde instelling om hier regie op te voeren en hierover afspraken te maken.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 mei 2026 tot 27 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. J.M.J. Keltjens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.