ECLI:NL:RBDHA:2026:16815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/691271 / FA RK 25-6783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens gewijzigde omstandigheden en emigratie vader

De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen, die hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. De moeder verzoekt de rechtbank om het gezag eenhoofdig aan haar toe te wijzen, primair, en subsidiair om de vader te schorsen in de uitoefening van het gezag. De vader heeft via een referteverklaring geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging.

De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van artikel 1:253n BW, dat beëindiging van gezamenlijk gezag mogelijk maakt bij gewijzigde omstandigheden of onjuiste gegevens bij de eerdere beslissing. De moeder stelt dat de communicatie tussen de ouders beperkt is en dat de vader heeft aangekondigd te emigreren naar het buitenland, wat de praktische uitvoerbaarheid van het gezag bemoeilijkt.

De rechtbank concludeert dat de omstandigheden inderdaad zijn gewijzigd en dat het belang van de kinderen vereist dat de moeder het gezag eenhoofdig krijgt toegewezen. De vader komt met zijn advocaat met een referteverklaring waarin hij instemt. Het subsidiaire verzoek wordt niet meer behandeld omdat het primaire verzoek wordt toegewezen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en kent haar het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6783
Zaaknummer: C/09/691271
Datum beschikking: 22 mei 2026

Gezag

Beschikking op het op 9 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.W. Stok in Delft.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 9 april 2026 van de vader, ingediend door mr. F.G.T. Meershoek, met als bijlage een referteverklaring.
Vanwege de ingediende referteverklaring heeft de geplande mondelinge behandeling op 24 april 2026 geen doorgang gevonden.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.

Feiten

  • De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] .
  • De moeder en de vader zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de kinderen belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 24 april 2013 en 12 april 2016.
  • De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair:de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen;
  • subsidiair:voor recht te verklaren dat de vader is geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen.
De vader heeft blijkens zijn referteverklaring geen bezwaar tegen de wijziging van het gezag.

Beoordeling

De moeder verzoekt te bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag over de kinderen wordt
belast.
De vader heeft blijkens de referteverklaring ingestemd met het verzoek van de moeder.
Omdat beëindiging van het gezamenlijk gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, zal de rechtbank beoordelen of eenhoofdig gezag door de moeder in dit geval in het belang van de kinderen moet worden geacht.
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de communicatie tussen de ouders op dit moment beperkt is en de vader aangekondigd heeft naar [land] te zullen emigreren. De moeder is dus ontvankelijk in haar verzoek.
De rechtbank is vervolgens van oordeel dat een wijziging van het gezag over de kinderen anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de vader het ouderschapsplan soms niet nakomt en niet reageert op e-mails van de moeder over de kinderen. Daarnaast heeft zij onweersproken gesteld dat de vader heeft aangekondigd naar [land] te zullen emigreren. Volgens de moeder is de communicatie nu al beperkt en zij verwacht dat door de afstand de communicatie zal verslechteren. Nu met de emigratie van de vader de praktische uitvoerbaarheid van het gezag in het gedrang zal gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het in belang van de kinderen is dat de moeder alleen met het gezag wordt belast.
Gelet op het voorgaande en het feit dat de vader met tussenkomst van een advocaat een referteverklaring heeft ondertekend en ingediend, zal de rechtbank het verzoek van de moeder om haar voortaan met het eenhoofdig gezag te belasten als anderszins in het belang van de kinderen toewijzen.
Omdat het primaire verzoek ten aanzien van het gezag zal worden toegewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan het subsidiaire verzoek van de moeder.

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1990 in [geboorteplaats] , het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 mei 2026.