Art. 31 lid 6 onder b VwArt. 31 lid 6 onder c VwArt. 3 EVRMArt. 9 TerugkeerrichtlijnBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing asielaanvraag Eritrese nationaliteit wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid
Eiser, van Eritrese nationaliteit en woonachtig in Soedan, diende een asielaanvraag in die door de minister op 16 juli 2025 werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De rechtbank beoordeelde het beroep op 7 april 2026 en oordeelde dat de minister ten onrechte de lidmaatschapspas van de Eritrese vereniging van Soedan niet heeft onderzocht en dat de verklaringen van eiser over het verlies van documenten niet vaag zijn.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende documenten had overgelegd en geen goede verklaring gaf voor het ontbreken daarvan, maar vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet samenhangend waren. Tevens was het oordeel over wisselende verklaringen onvoldoende gemotiveerd.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de minister een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek vertoonde door niet kenbaar te maken dat bij terugkeer naar Eritrea en Soedan sprake is van een reëel risico op ernstige schade, in strijd met artikel 3 EVRMPro en de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.37908
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1993, van Eritrese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S. van der Steen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, tolk S. Medhane in de taal Tigrinya en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielrelaas ten grondslag dat hij in Soedan is geboren, de Eritrese nationaliteit heeft en in Port Soedan, Soedan, woonachtig was. Hij verklaart nooit in Eritrea te zijn geweest. Ook wordt eiser in Soedan gediscrimineerd door de autoriteiten (op grond van nationaliteit en geloof) en dat hij vreest naar Eritrea gestuurd te worden. Eiser verklaart ook te zijn vertrokken vanwege de oorlog in Soedan en omdat hij de kant van het leger heeft gekozen en dit heeft geuit op sociale media.
Besluitvorming
5. Het asielrelaas bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
5.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen. Daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo verklaart eiser wisselend over de identiteitskaart versus de vluchtelingenpas, wisselend en vaag over de wijze waarop de vluchtelingenpas is kwijtgeraakt en door wie en vaag over waarom hij zich niet heeft geregistreerd bij de UNHCR [1] . Omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn geacht, wordt de vrees op grond van daarvan niet beoordeeld.
6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert -samengevat- aan dat de lidmaatschapspas die aan eiser is afgegeven door de Eritrese vereniging van Soedan, zijn identiteit, nationaliteit en herkomst voldoende kan onderbouwen. Nu de minister nalaat het document te onderzoeken, kan van de echtheid ervan worden uitgegaan. Eiser voert daarnaast aan dat ook als de lidmaatschapspas niet als voldoende onderbouwing zou kunnen gelden, het wel een belangrijke indicatie vormt dat de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit correct zijn en dat de lidmaatschapspas wel de juistheid van zijn verklaringen kan ondersteunen. Verder is het ook zonder de documenten voldoende aannemelijk dat eiser de door hem verklaarde identiteit, nationaliteit en herkomst heeft.
Artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw
7. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft op grond van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw. De status of het belang van de lidmaatschapspas van de Eritrese vereniging van Soedan is niet nader onderbouwd. Eiser heeft wel aangegeven dat de lidmaatschapspas een noodzakelijke voorwaarde is voor de afgifte van een vluchtelingenpas en dat voor het verkrijgen van deze lidmaatschapspas ook de geboorteakte wordt gecontroleerd, maar dit heeft eiser niet verder onderbouwd. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende inspanningen heeft geleverd om documenten te verkrijgen. Eiser had bijvoorbeeld contact kunnen opnemen met de consulaire autoriteiten van Eritrea om een document te verkrijgen en hij heeft ook verklaard dat vrienden van hem dit wel hebben gedaan. Daarbij heeft eiser aangegeven dat de Eritrese vrienden in Nederland die wel het Consulaat hebben bezocht, daar slecht zijn behandeld en ook geen verklaring hebben gekregen. Dit heeft eiser echter niet onderbouwd. Ook had hij een verklaring van een vriend kunnen overleggen waaruit volgt dat de vriend bij zijn oma is langsgegaan om naar aanvullende documenten te zoeken en dat alles is doorgezocht maar dat er niet meer documenten zijn.
Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw
7.1.
De rechtbank volgt de minister echter niet dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen op grond van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaringen over het verliezen van zijn vluchtelingenpas in Libië niet vaag zijn. Eiser heeft verklaard dat Libiërs zijn huis binnenvielen en dat hij niet weet of deze Libiërs onderdeel van de politie waren of dat het om een andere groepering ging. Ook de verklaring van eiser dat hij zich nooit bij de UNHCR in Soedan heeft aangemeld of geregistreerd, omdat hij dacht dat zij niks voor hem konden betekenen, acht de rechtbank niet vaag.
7.2.
Daarbij volgt de rechtbank de minister ook niet in het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over de Eritrese identiteitskaart. In het gehoor met de AVIM [3] en bij het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij een Eritrese identiteitskaart had. Bij het nader gehoor verklaarde hij dat hij geen Eritrese identiteitskaart had. De minister is daarbij echter niet ingegaan op de correcties en aanvullingen. Daarin stelt de gemachtigde van eiser dat hij in het aanmeldgehoor doelde op een vluchtelingenkaart afgegeven door de Soedanese autoriteiten. Het bestreden beluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
7.3.
Echter, het oordeel van de rechtbank over wisselende en samenhangende verklaringen kan eiser niet baten. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de minister terecht artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw aan eiser tegenwerpt, en dat is voldoende om aan eiser niet het voordeel van de twijfel te gunnen.
Aanvullende zienswijze
8. Eiser stelt verder dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een aanvullende zienswijze uit te brengen omdat in het bestreden besluit ‘met terugwerkende kracht’ diverse passages in het voornemen zijn gewijzigd.
9. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat er geen aanleiding was om eiser in de gelegenheid te stellen om een aanvullende zienswijze uit te brengen. Het betreft namelijk slechts een minimale aanpassing van het voornemen. Ook heeft eiser niet geconcretiseerd wat hij had willen aanvoeren en dat, doordat hij dit niet heeft kunnen aanvoeren, hij in zijn belangen is geschaad.
10. Vervolgens toetst de rechtbank ambtshalve aan artikel 3 vanPro het EVRM en overweegt als volgt. Artikel 9, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn [5] bepaalt dat lidstaten de verwijdering van een vreemdeling uitstellen in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. De minister beoordeelt in dit kader altijd of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst een risico loopt op vervolging, of een reëel risico loopt op ernstige schade in het kader van artikel 3 vanPro het EVRM. [6]
11. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek omdat de minister deze beoordeling in ieder geval niet kenbaar in het bestreden besluit heeft gemaakt. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit naar Eritrea of Sudan heeft opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten aanzien van een terugkeer naar Sudan daarbij niet kenbaar betrokken dat er in delen van Sudan sprake is van een uitzonderlijk, relatief of relatief lager risico van willekeurig geweld. [7] Ten aanzien van terugkeer naar Eritrea heeft de minister niet kenbaar betrokken dat in de Vc is opgenomen dat een gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea niet zal plaatsvinden. [8] De minister neemt aan dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een reëel risico op ernstige schade aanwezig is. Het is voor de rechtbank ook niet duidelijk wat de gevolgen van het voorgaande voor eiser zijn aangezien eiser nog niet eerder in Eritrea is geweest.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). [9]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2025;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; en
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.United Nations High Commissioner for Refugees.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Richtlijn 2008/115/EG.
6.Zie paragraaf C2/10.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en het arrest Ararat, ECLI:EU:C:2024:892.
7.Op grond van paragraaf C7/32.4.2 van de Vc.
8.Op grond van paragraaf C7/13.8 van de Vc.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.