Eisers, van Afghaanse nationaliteit en woonachtig in Iran, hebben een visum kort verblijf aangevraagd om familie te bezoeken in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfels over tijdige terugkeer.
Eisers stelden dat zij voldoende sociale en economische bindingen met Iran hebben, waaronder een groot netwerk van familie en vrienden, onroerend goed en pensioen, en dat deze bindingen hun terugkeer waarborgen. De rechtbank oordeelde echter dat deze bindingen onvoldoende zijn onderbouwd met objectief bewijs en dat het bezit van onroerend goed en pensioen niet automatisch een tijdige terugkeer garandeert.
De rechtbank vond dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren en dat de voorgestelde waarborgen zoals meldplicht of garantiesom dit niet wegnemen. Ook werd geoordeeld dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot een ander besluit konden leiden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.