Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16850

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.7726
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening 810/2009Art. 32, sub a, onder ii Verordening 810/2009Art. 32, sub b Verordening 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eisers, van Afghaanse nationaliteit en woonachtig in Iran, hebben een visum kort verblijf aangevraagd om familie te bezoeken in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfels over tijdige terugkeer.

Eisers stelden dat zij voldoende sociale en economische bindingen met Iran hebben, waaronder een groot netwerk van familie en vrienden, onroerend goed en pensioen, en dat deze bindingen hun terugkeer waarborgen. De rechtbank oordeelde echter dat deze bindingen onvoldoende zijn onderbouwd met objectief bewijs en dat het bezit van onroerend goed en pensioen niet automatisch een tijdige terugkeer garandeert.

De rechtbank vond dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren en dat de voorgestelde waarborgen zoals meldplicht of garantiesom dit niet wegnemen. Ook werd geoordeeld dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot een ander besluit konden leiden.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.7726
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag 1] 1960, eiser,
en

[eiseres],

geboren op [geboortedag 2] 1960, eiseres,
beiden van Afghaanse nationaliteit,
hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,

(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Inleiding

1. Met de besluiten van 1 mei 2024 (de primaire besluiten) heeft de minister de aanvragen van eisers voor een visum kort verblijf bij [referente], de dochter van eisers (hierna: referente), afgewezen. Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het besluit van 20 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak het beroep van eisers aan de hand van de beroepsgronden die zij hebben aangevoerd.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Achtergrond
4. Eisers wonen in Iran en hebben een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. Zij willen op familiebezoek bij hun dochter, schoonzoon en kleinkind.
Besluitvorming
5. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende hebben aangetoond. [1] Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. [2] De minister kan niet zonder meer aannemen dat eisers een zodanige sociale en economische binding hebben met Iran dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.
Vestigingsgevaar
6. Eisers voeren aan dat hun tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Eisers stellen dat hun sociale en economische binding met Iran voldoende is aangetoond. Zij hebben hun bestaan opgebouwd in Iran, waar zij een groot netwerk aan vrienden en familie hebben. Ook woont een zoon van hen in Iran. Daarnaast zijn eisers in het bezit van onroerend goed en ontvangt eiser pensioen. Los van het vorenstaande voeren eisers aan dat de sociale en economische binding alleen een wegingsfactor dient te zijn. Er moet niet alleen beoordeeld worden hoe sterk de banden met het land van herkomst zijn, maar of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten tijdig voor afloop van het visum te verlaten. In dit verband wijzen zij onder meer op de mogelijkheid van een meldplicht, het betalen van een garantiesom of het overleggen van een retourticket.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van een zodanige sociale binding met Iran dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Eisers hebben geen familieleden waar zij voor moeten zorgen en geen kenbare maatschappelijke verplichtingen die hen noodzaken tijdig terug te keren. Dat eisers een groot netwerk van familie en vrienden in Iran hebben en dat een meerderjarige zoon in Iran woont, is onvoldoende. Los daarvan hebben eisers hun gestelde sociale leven niet nader onderbouwd met objectief verifieerbare stukken, terwijl zij hiertoe voldoende in de gelegenheid zijn gesteld.
8. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat er geen sprake is van een zodanige economische binding met Iran dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat verblijf in Iran een voorwaarde is om pensioen te blijven ontvangen. Daarnaast heeft de minister gesteld dat de enkele omstandigheid dat eisers onroerend goed bezitten geen garantie biedt voor een tijdige terugkeer, omdat onroerende zaken vanuit het buitenland kunnen worden beheerd, verhuurd en verkocht. De rechtbank ziet geen grond om die stelling onjuist te achten. Verder is niet gesteld of gebleken dat er andere elementen zijn waaruit een economische binding blijkt.
9. In de door eisers voorgestelde waarborgen heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor visumverlening. Dit verandert niets aan het feit dat de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode van toepassing is en, in het verlengde daarvan, de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder a, sub ii, omdat de sociale en economische binding met Iran onvoldoende is.

Hoorplicht

10. Eiser voert verder aan dat de hoorplicht is geschonden.
11. Gelet op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd, bezien in het licht van het primaire besluit en artikel 32 van Pro de Visumcode, is de rechtbank van oordeel dat de minister van horen heeft mogen afzien. Op voorhand bestond redelijkerwijs geen twijfel dat eisers bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. In bezwaar zijn verder een ingevulde vragenlijst, eigendomsverklaring en een bankstatement overgelegd. Eisers hebben daarmee geen nieuwe stukken overgelegd die een nieuw licht op het primaire besluit laten schijnen. Al vanaf het primaire besluit was duidelijk dat de sociale en economische binding met Iran onvoldoende was onderbouwd met objectieve bewijsstukken en dat is in bezwaar niet hersteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open

Voetnoten

1.Artikel 32, sub a onder ii van verordening 810/2009 (hierna: de Visumcode).
2.Artikel 32, sub b van de Visumcode.