ECLI:NL:RBDHA:2026:16893

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL24.47487
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:20 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit geboortedatum in asielprocedure wegens onvoldoende motivering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag en tegen het besluit waarbij hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen het niet verlenen van een vergunning op de a-grond, omdat verweerder inmiddels heeft beslist en eiser geen belang meer heeft bij deze onderdelen.

Ten aanzien van de geboortedatum in het bestreden besluit oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser als evident meerderjarig is aangemerkt. De schouw en verklaringen van verweerder bieden onvoldoende objectieve onderbouwing voor deze conclusie. Ook de verklaring van Bureau Documenten over de echtheid van het geboortecertificaat is onvoldoende om het besluit in stand te laten, mede omdat deze verklaring pas laat aan eiser is verstrekt, waardoor hij onvoldoende gelegenheid had voor een contra-expertise.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de geboortedatum betreft en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen waarbij uitsluitend de geboortedatum opnieuw wordt beoordeeld. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de geboortedatum betreft en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47487

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

De zaak in het kort

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag en tegen het besluit van 19 februari 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser vindt dat hij een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw had moeten krijgen en dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat hij is geboren op 1 juli 2005.
3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen het niet verlenen van een vergunning op de a-grond. Wat betreft de geboortedatum van eiser kan het bestreden besluit niet in stand kan blijven en daarover moet verweerder een nieuw besluit nemen.

Het verloop van de procedure

4. Op 29 november 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 11 augustus 2023.
5. Bij besluit van 19 februari 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser vindt dat verweerder hem had moeten toelaten als vluchteling en dat verweerder had moeten uitgaan van de door eiser opgegeven geboortedatum. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is (ongeveer een half uur na aanvang van de zitting, toen de bespreking van de zaak vrijwel was afgerond) verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De beoordeling van het beroep

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk
8. Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft inmiddels op deze aanvraag beslist, zodat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over dit onderdeel van zijn beroep.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor dit onderdeel van het beroep. De hoogte van deze kosten wordt later in deze uitspraak vastgesteld.
Het beroep is mede gericht tegen het bestreden besluit
10. Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Het beroep van eiser is dus mede gericht tegen het bestreden besluit.
Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet verlenen van een vergunning op de a-grond
11. Eiser betoogt gemotiveerd dat hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw verleend had moeten worden.
12. Verweerder meent dat het beroep op dit punt niet-ontvankelijk is, ten eerste omdat het tweestatusstelsel nog geen feit is en ten tweede omdat eiser geen nareis heeft aangevraagd en de termijn daarvoor al lang is verstreken. Subsidiair meent verweerder dat het betoog van eiser inhoudelijk niet slaagt.
13. Dat het tweestatusstelsel nog geen feit is, is onvoldoende om te oordelen dat eiser geen belang heeft bij dit onderdeel van zijn beroep. Het staat vast dat dit stelsel er gaat komen en waarschijnlijk gebeurt dat op zeer korte termijn. Onder deze omstandigheden is geen sprake (meer) van een onzekere toekomstige gebeurtenis.
14. Verweerder wijst er onweersproken op dat eiser nog geen aanvraag om nareis heeft ingediend, terwijl de termijn waarbinnen dit had moeten gebeuren om in aanmerking te komen voor gezinshereniging onder gunstige(re) voorwaarden ruimschoots is verstreken. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in overleg is – naar de rechtbank begrijpt met VluchtelingenWerk Nederland – over het indienen van een aanvraag en dat dit moeilijk is zonder paspoorten van zijn broers en zus. De rechtbank ziet in deze verklaring geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat, mocht het alsnog tot een nareisaanvraag komen, de forse overschrijding van de aanvraagtermijn mogelijk verschoonbaar zal worden geacht. Een eventueel oordeel dat eiser vluchteling is (en daarom toegelaten had moeten worden op de a-grond) brengt eiser onder deze omstandigheden niet in een gunstigere positie in het kader van nareis. Gesteld noch gebleken is dat eiser om andere redenen belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het niet verlenen van een verblijfsvergunning op de a-grond. De conclusie is dat het beroep op dit punt niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van belang. Aan een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen komt de rechtbank dus niet toe.
Het beroep is gegrond voor zover dat is gericht tegen de vermelding in het bestreden besluit dat eiser op 1 juli 2005 is geboren
15. Gelet op wat hiervoor onder 13 is overwogen, zal gegrondverklaring van het beroep eiser ook dit punt niet in een gunstigere positie brengen wat betreft de eventuele nareis van zijn ouders, broers en zus. Dat neemt niet weg dat eiser er belang bij kan hebben dat zijn persoonsgegevens juist zijn geregistreerd. Verweerder heeft het belang van eiser bij dit onderdeel van zijn beroep ook niet ter discussie gesteld.
16. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte en zonder motivering heeft vermeld dat eiser is geboren op 1 juli 2005. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 en verweerder heeft eisers verklaringen over zijn identiteit geloofwaardig geacht.
17. Verweerder erkent dat op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek, omdat in het bestreden besluit niet is toegelicht waarom de door eiser opgegeven geboortedatum niet is gevolgd. Verweerder verzoekt de rechtbank te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand blijven. Hierbij wijst verweerder erop dat de uitkomst van de schouw is dat eiser evident meerderjarig is, dat eiser vage en wisselende verklaringen heeft afgelegd en dat gelet op onderzoek van Bureau Documenten niet kan worden uitgegaan van de echtheid en inhoudelijke juistheid van het door eiser overgelegde geboortecertificaat (en de legalisatie daarvan).
18. Eiser voert terecht aan dat het geloofwaardig achten van zijn identiteit en het vermelden van de geboortedatum 1 juli 2005 niet met elkaar is te rijmen. Het bestreden besluit is op dit punt innerlijk tegenstrijdig. Dit betekent niet dat verweerder moet uitgaan van de door eiser opgegeven geboortedatum. Aan eiser is voorafgaand aan het bestreden besluit meegedeeld dat de door hem opgegeven geboortedatum niet wordt gevolgd en zijn advocaat heeft voorafgaand aan het bestreden besluit aan verweerder laten weten dat eiser het daar niet mee eens is. Het was eiser dus duidelijk dat verweerder de door eiser opgegeven geboortedatum niet zou volgen. Voor zover eiser in dit verband een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel, slaagt dat beroep niet.
19. Het verzoek van verweerder om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven is allereerst gebaseerd op de uitkomsten van de schouw. Eiser voert terecht aan dat verweerder in dit verband weliswaar verschillende waarnemingen heeft vermeld, maar niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze waarnemingen de conclusie rechtvaardigen dat eiser meerderjarig is, laat staan dat dit evident is, zoals degenen die eiser hebben geschouwd stellen. Verweerder heeft niet met objectieve gegevens inzichtelijk gemaakt dat minderjarigen (bijvoorbeeld) geen beenhaar kunnen hebben, geen snorretje of geen terugwijkende haargrens (daargelaten wat dat precies is en dat eisers gemachtigde die naar gesteld zelf niet heeft waargenomen). Evenmin heeft verweerder duidelijk toegelicht waarom het waargenomen gedrag van eiser evident wijst in de richting dat hij meerderjarig is. De bevindingen van de schouw rechtvaardigen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dus niet de conclusie dat eiser niet is geboren op de door hem opgegeven datum, laat staan dat dit evident is.
20. Het verzoek van verweerder om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven is ten tweede gebaseerd op de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Verweerder acht het niet ten onrechte opmerkelijk dat eiser eerst heeft verklaard dat hij elf jaar was toen hij stopte met koranonderwijs en dat hij, nadat hem is voorgehouden dat dit gelet op zijn verklaringen niet kan kloppen, antwoordde met een verklaring met de strekking: Ook goed, dan was ik tien. Deze verklaring heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen. Verweerder heeft daarentegen niet voldoende toegelicht waarom eiser, toen hij vertelde dat hij in 20
10naar Soedan is gegaan, zich niet kan hebben versproken en niet kan hebben bedoeld dat hij
tien jaar oudwas toen hij naar Soedan is gegaan. Verder heeft eiser benadrukt dat hij weinig onderwijs heeft gehad en slecht is in jaartallen en cijfers. Hoewel dit niet zonder meer rechtvaardigt dat eiser zijn verklaring heeft aangepast in het eerste hierboven weergegeven geval, zijn andere door verweerder tegengeworpen verklaringen mogelijk toe te schrijven aan een vergissing of het ‘niet goed zijn in’ cijfers en jaartallen. Eisers verklaringen rechtvaardigen dan ook niet zonder meer de conclusie dat hij (evident) niet is geboren op de door hem opgegeven datum.
21. Het verzoek van verweerder om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven is ten derde gebaseerd op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten met betrekking tot de door eiser overgelegde geboorteakte. In deze verklaring staat onder meer:

“2.1Controle

Na onderzoek van het document is het volgende gebleken:
1. De verschijningsvorm, opmaak en afgifte wijken af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal.
2. Het document is voorzien van een legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Eritrea, die afwijkt van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal.
2.2
Conclusie

Betreffende de echtheid, opmaak en afgifte van het document:

Gelet op het gestelde in punt 2.1.1 is het document
met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nietecht.
Gelet op de bevindingen in punt 2.1.2 is de legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Eritrea
vals.

Betreffende de inhoud van het document:

Dezerzijds kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.”
22. Het is op zichzelf terecht dat verweerder meent dat een dergelijke verklaring van onderzoek in het nadeel van eiser meeweegt bij de besluitvorming. Echter, de verklaring is van 13 januari 2025, maar verweerder heeft deze verklaring pas op 20 mei 2026 aan eiser verstrekt. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de opmerking van eisers gemachtigde dat eiser te weinig tijd heeft gehad om te bedenken of hij een contra-expertise wil laten verrichten, laat staan om die daadwerkelijk uit te laten voeren, terecht. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank in de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten vooralsnog onvoldoende grond om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
23. De conclusie is dat het betoog van eiser op het punt van de geboortedatum slaagt. Zijn verzoek om op dit punt zelf in de zaak te voorzien heeft eiser ter zitting ingetrokken en de rechtbank ziet daar overigens ook onvoldoende grond voor. Het is aan eiser om te bepalen of hij alsnog een tegenonderzoek wil laten uitvoeren en vervolgens aan verweerder om dat eventuele tegenonderzoek bij de verdere beoordeling te betrekken, in samenhang met de bevindingen van de schouw en de door eiser afgelegde verklaringen. Verweerder mag er uiteraard ook voor kiezen om, al dan niet uit pragmatisch oogpunt, de door eiser opgegeven geboortedatum alsnog over te nemen. Het ligt in de rede dat verweerder eerst aan eiser laat weten of verweerder daartoe aanleiding ziet en zo niet, dat eiser vervolgens aan verweerder laat weten of hij een contra-expertise wil laten uitvoeren.

Conclusie

24. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen het niet verlenen van een vergunning op de a-grond.
25. Het beroep is gegrond voor zover dat is gericht tegen de vermelding in het bestreden besluit dat eiser op 1 juli 2005 is geboren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb. De rechtbank heeft besloten om – ondanks de voorkeur van partijen voor een tussenuitspraak – een einduitspraak te doen. De reden hiervoor is dat het, tenzij verweerder ervoor kiest om de door eiser opgegeven geboortedatum alsnog te volgen, aan eiser is om te bepalen of hij een contra-expertise wil laten uitvoeren naar aanleiding van het rapport van Bureau Documenten en zo ja, om die in gang te laten zetten. Vooralsnog is niet duidelijk of er een tegenonderzoek gaat komen en waar dat vervolgens toe zal leiden. In deze situatie acht de rechtbank een tussenuitspraak niet voor de hand liggend.
26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, 1 punt voor de beroepsgronden tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5 voor het beroepschrift en wegingsfactor 1 voor de andere proceshandelingen).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen (a) het niet tijdig nemen van het besluit en (b) het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw;
- verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de vermelding in het bestreden besluit dat eiser is geboren op 1 juli 2005;
- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de asielaanvraag van eiser, waarbij uitsluitend zijn geboortedatum opnieuw beoordeeld moet worden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van A.S. Ay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.