ECLI:NL:RBDHA:2026:16897

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3905
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning woninguitbreiding

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag behandelde op 19 juni 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening van een bewonersvereniging tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De vergunning betrof het vergroten en veranderen van een woning door het plaatsen van aanbouwen, een carport en een garage/berging.

De voorzieningenrechter overwoog dat op het moment van de zitting de funderingswerkzaamheden voor de bouwwerken waren afgerond, maar dat de verdere bouwwerkzaamheden niet zouden aanvangen vóór 1 januari 2027. Het college bevestigde dat het bezwaar tegen het besluit vóór die datum zou worden behandeld.

Gezien deze omstandigheden oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tevens werd geen vergoeding van het griffierecht toegekend, omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 8:82 Awb Pro.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3905
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Bewonersvereniging [verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. G. Chkadua).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], te [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het vergroten en veranderen van de woning [adres] door het plaatsen van twee aanbouwen bij de voor- en achteringang en het plaatsen van een carport en garage/berging aan de vooringang en het zijgebouw.
1.1
Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2
Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.
1.3
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.
1.5
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
2.1
Op de zitting is gebleken dat de funderingswerkzaamheden voor de vergunde bouwwerken zijn afgerond en dat het vervolg van de bouwwerkzaamheden niet zal aanvangen vóór 1 januari 2027.
2.2
Het college heeft desgevraagd bevestigd dat het besluit op bezwaar vóór die tijd genomen zal zijn.
2.3
Onder die omstandigheden is geen sprake van een voldoende spoedeisend belang om thans een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
3. De voorzieningenrechter ziet geen grond om het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht of om te bepalen dat het griffierecht door de griffier van de rechtbank aan verzoekster wordt terugbetaald, nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:82, vierde of vijfde lid, van de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026 door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
griffier
voorzitter
En afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.