ECLI:NL:RBDHA:2026:16898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.45610
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 3 EVRMVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van ernstige gewetensbezwaren en bloedwraakrisico

Eiser, van Turkse nationaliteit en Koerdische afkomst, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege gewetensbezwaren tegen de dienstplicht, vrees voor discriminatie in het leger en bedreigingen in het kader van bloedwraak. De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade liep.

De rechtbank oordeelde dat de gewetensbezwaren van eiser niet onoverkomelijk waren, mede gelet op het ambtsbericht waarin staat dat dienstplichtigen niet worden ingezet in conflictgebieden en dat dienstplichtontduiking niet zwaar wordt bestraft. Ook was onvoldoende aannemelijk dat eiser daadwerkelijk gediscrimineerd zou worden vanwege zijn Koerdische identiteit.

Ten aanzien van de bloedwraak stelde eiser dat hij meerdere keren bedreigd was en dat de dreiging duurzaam aanwezig bleef. De rechtbank vond echter dat de verklaringen onvoldoende concreet waren en dat het verblijf van eiser in verschillende plaatsen zonder incidenten niet strookte met een reële dreiging. De minister had de aanvraag terecht afgewezen en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade loopt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45610

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Sular als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij heeft verklaard dat er in 2020 een conflict speelde tussen zijn familie en een andere familie. Hierbij is [naam] van de andere familie om het leven gekomen. Eiser stelt dat hij in het kader van bloedwraak hierna meerdere keren is bedreigd door de familie van [naam] . Ook heeft eiser de dienstplichtige leeftijd, maar hij is niet in dienst gegaan vanwege gewetensbezwaren en vreest daar gediscrimineerd te worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen van eisers familie omtrent bloedwraak;
- de ondervonden discriminatie als Koerd.
Alle asielmotieven zijn door de minister geloofwaardig geacht. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM.
Gewetensbezwaren voor de dienstplicht
Het betoog van eiser
5. Eiser betoogt dat hij onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft om de dienstplicht te kunnen vervullen. Eiser heeft de Koerdische etniciteit, hij is opgegroeid in een Koerdisch gezin en hij draagt zijn Koerdische identiteit actief uit. De autoriteiten, en het leger in het bijzonder, hebben nooit afstand genomen van de wandaden tijdens de noodtoestand/OHAL-periode. Nog steeds worden Koerdische mensen in Turkije ernstig gediscrimineerd. Doordat eiser trots is op zijn afkomst en zich daar sterk mee identificeert, is het begrijpelijk dat hij veel moeite zal hebben om een leger te dienen dat wandaden op zijn geweten heeft. Gelet hierop zou het voor eiser ook geen verschil maken, welke rol hij in dit leger zal vervullen of voor welke periode. Zijn Koerdische etniciteit en de identiteit die daarbij hoort geldt als een diepgewortelde overtuiging, zoals genoemd in het beleid van de minister. Eisers bezwaren tegen de dienstplicht zijn daarom onoverkomelijk. Volgens eiser heeft de minister het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat bij eiser niet is gebleken van ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege godsdienstige/diepgewortelde overtuiging. Eiser heeft verklaard dat hij niet in dienst wil en niets met het leger in Turkije te maken wil hebben. [2] Ook heeft eiser verklaard dat hij als Koerd niet op zijn eigen volk wil schieten. Dit zijn weliswaar gewetensbezwaren, maar rechtbank volgt de minister in het standpunt dat deze bezwaren niet onoverkomelijk zijn. Eiser heeft zijn bezwaren namelijk onvoldoende toegespitst op zijn concrete situatie. Verder heeft de minister kunnen verwijzen naar het Thematisch Ambtsbericht dienstplicht Turkije, waaruit blijkt dat dienstplichtigen al enkele jaren niet worden ingezet bij gevechtshandelingen, maar dat hierbij beroepsmilitairen worden ingezet. Dienstplichtigen worden willekeurig verdeeld en worden niet in conflictgebieden ingezet. [3] Ook blijkt uit het meest recente Ambtsbericht dat dienstplichtontduikers niet gedetineerd worden, maar een boete moeten betalen en dat mogelijk is om de militaire dienstplicht af te kopen, waardoor dienstplichtigen kunnen voorkomen dat ze ingezet zullen worden. [4] De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vanwege de dienstplichtontduiking/dienstweigering onevenredig of discriminatoir bestraft zal worden. Verder heeft de minister van belang kunnen vinden dat eiser op dit moment ook nog niet is opgeroepen voor militaire dienst en dat het onbekend zou zijn welke taak hij zou vervullen. Enkel het standpunt dat het voor eiser niet uitmaakt welke rol hij zal aannemen, maakt niet dat zijn gewetensbezwaren onoverkomelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie in het legerHet betoog van eiser
6. Eiser vreest om tijdens zijn dienstplicht het slachtoffer te worden van onmenselijke behandeling vanwege zijn etniciteit. Naar de mening van eiser is die vrees ook reëel, gezien de beschikbare landeninformatie waaruit blijkt dat er in het verleden ook incidenten hebben plaatsgevonden. Dat er in de ambtsberichten van nadien geen melding is gemaakt van vergelijkbare incidenten betekent niet, zoals de minister stelt in het bestreden besluit, dat dit niet langer voorkomt. Eiser meent dat de bewijslast in dit verband bij de minister ligt, nu de algemene situatie in verband met de discriminatie die de Koerdische bevolking ondergaat, al sinds lange tijd zeer slecht is en er geen aanwijzingen zijn dat dit in recente jaren wezenlijk is verbeterd. De minister vindt het geloofwaardig dat eiser de dienstplicht zal moeten vervullen, maar dat zou betekenen dat eiser zich in het leger zeer terughoudend zou moeten opstellen bij het uitdragen van zijn identiteit. Een dergelijke terughoudendheid, om vervolging en onmenselijke behandeling te voorkomen, mag volgens eiser niet van hem gevraagd worden.
Het oordeel van de rechtbank
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van vrees voor stelselmatige discriminatie in het leger. Het is aan eiser om deze vrees aannemelijk te maken op basis van individuele omstandigheden. Eiser is hier niet in geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister niet tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht. Hoewel de algemene situatie voor de Koerdische bevolking door de jaren heen schrijnend kan zijn geweest, wil dit niet zeggen dat dit op dit moment voor eiser persoonlijk vervolging oplevert. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft kunnen betrekken dat uit het Ambtsbericht Turkije van 2025 (9.3) blijkt dat er in de verslagperiode geen informatie beschikbaar was over anti-Koerdisch geweld tegen Koerdische dienstplichtigen.
Dat eiser stelt dat er geen informatie was gedurende verslagperiode, is onvoldoende om uit te maken dat het mogelijk wel zou zijn. Het hebben van de Koerdische etniciteit en het uitdragen daarvan, is ook onvoldoende om alsnog een risico op ernstige schade aan te nemen. Er is immers niet gebleken van systematische discriminatie en mishandeling van Koerdische dienstplichtigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bloedwraak
Het betoog van eiser
7. Eiser betoogt dat hij zijn vrees voor bloedwraak voldoende aannemelijk heeft gemaakt. In het nader gehoor heeft eiser uitgebreid verklaard over gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot een situatie van bloedwraak. Er zijn bijvoorbeeld concrete doodsbedreigingen geuit en eiser heeft de verschillende incidenten besproken waaruit duidelijk blijkt dat de tegenpartij hem zoekt. Volgens eiser hecht de minister te veel waarde aan het probleemloze verblijf van eiser in [plaats 1] en [plaats 2]. De minister bespreekt niet dat eiser daar ondergedoken leefde, en dat hij daar dus was om zich voor de tegenpartij te verbergen. Van eiser mag niet verlangd worden dat hij zich voor onbepaalde tijd verborgen probeert te houden in Turkije, zonder een normaal leven te leiden. De dreigementen en de zoektocht naar eiser gingen tussentijds door, het risico was daarom uiteindelijk te groot om in Turkije te blijven, nu eiser daar vroeg of laat gevonden zou worden, met alle gevolgen van dien. Ongeveer twee jaar vindt eiser een te korte periode om te kunnen bepalen dat de gevaren duurzaam geweken zijn. Eiser wijst erop dat het niet aan hem is om de bedreigingen aan te tonen, maar enkel aannemelijk te maken. Volgens eiser is hij hierin geslaagd. Het ontbreken van dergelijk bewijs kan dan ook op zichzelf niet afdoen aan de gegrondheid van eisers vrees. Er komt meer gewicht te liggen op eisers verklaringen bij het nader gehoor, deze zijn voldoende overtuigend geweest. Bovendien is de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen niet betwist door de minister, waardoor van deze feiten moet worden uitgegaan. Voor zover de minister alsnog de geloofwaardigheid van deze gebeurtenissen bedoelt te bestrijden, is dit volgens eiser met een onvoldoende deugdelijke motivering gedaan.
Het oordeel van de rechtbank
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen concluderen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat voor hem sprake is van een concrete dreiging en een concrete vrees voor de familie van [naam] . Eisers verklaringen zijn algemeen en worden niet onderbouwd. Uit de verklaringen in het nader gehoor blijkt verder dat dat eiser twee keer is gebeld. Het is niet gebleken dat het telefoontje afkomstig was van de familie van [naam] en dat hier een concrete dreiging vanuit ging. Verder heeft eiser 1 jaar en 7/8 maanden in [plaats 2] verbleven. Buiten dat hij 1 keer door een onbekend nummer is gebeld, is er in deze periode niets voorgevallen. Dat eiser stelt dat hij in die periode ondergedoken zat, maakt nog niet dat zijn gestelde vrees voldoende aannemelijk is.
Daarbij heeft de minister terecht bevreemdend gevonden dat de familie van [naam] eiser persoonlijk in [plaats 2] of [plaats 1] zou benaderen, terwijl zij ook niet meer persoonlijk naar eiser opzoek zijn bij zijn ouderlijk huis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom hij op basis hiervan een gegronde vrees heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Pagina 16 van het rapport Nader gehoor.
3.Thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije van juli 2019, pagina 15.
4.Ambtsbericht Turkije van augustus 2025, pagina’s 91 en 93.