ECLI:NL:RBDHA:2026:16899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.28896
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9a VVArt. 8 EVRMArt. 15 RTBArt. 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming wegens beëindiging duurzame relatie met Oekraïense partner

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende man, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland op grond van een duurzame relatie met een Oekraïense vrouw die onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) viel. Na hun relatiebreuk in mei 2024 en zijn terugkeer naar Oekraïne, trouwde hij met een andere Oekraïense vrouw die eveneens tijdelijke bescherming geniet. De minister beëindigde de tijdelijke bescherming van eiser omdat deze nieuwe relatie pas na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne was begonnen, waardoor hij niet meer voldeed aan artikel 3.9a, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV).

Eiser stelde dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro omdat hij een gezinsleven had met zijn nieuwe partner. De rechtbank oordeelde dat het recht op tijdelijke bescherming als gezinslid alleen kan worden ontleend aan een duurzame relatie die bestond vóór de inval van Rusland in Oekraïne. Omdat de nieuwe relatie van eiser pas daarna was begonnen, kon hij hieraan geen afgeleid recht ontlenen.

De rechtbank stelde verder vast dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet leidde tot een terugkeerbesluit, aangezien eiser zijn asielprocedure in Nederland mag afwachten. Hierdoor was toetsing aan artikel 8 EVRM Pro niet vereist. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28896

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). [1] Eiser is het met dit besluit niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming heeft beëindigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij heeft in Nederland tijdelijke bescherming gekregen omdat hij op de peildatum van 27 november 2021 een duurzame relatie had met een Oekraïense vrouw die op grond van de RTB in Nederland verbleef. Eiser heeft gelijktijdig met zijn verzoek om tijdelijke bescherming een asielaanvraag ingediend. In mei 2024 zijn eiser en de betreffende vrouw uit elkaar gegaan. Eiser is in juni 2024 teruggereisd naar Oekraïne, waar hij zijn huidige partner heeft ontmoet. Zij heeft de Oekraïense nationaliteit en heeft ook in Nederland tijdelijke bescherming op grond van de RTB. Eiser is op [datum huwelijk] 2024 met haar getrouwd.
3. De minister heeft eiser bij het bestreden besluit van 3 juni 2025 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming, vanwege de omstandigheid dat hij geen duurzame relatie meer heeft met zijn voormalige partner. Ook geeft het huwelijk van eiser met zijn huidige partner geen recht op tijdelijke bescherming omdat deze relatie pas is begonnen na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarden die volgen uit artikel 3.9a, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Aan eiser wordt geen terugkeerbesluit opgelegd, omdat hij zijn asielprocedure in Nederland mag afwachten.
4. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
5. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Op verzoek van eiser is de behandeling van het beroep op zitting gepland. Eiser en zijn gemachtigde hebben vervolgens kort voorafgaand aan de zitting laten weten niet te verschijnen en hebben daarbij toestemming verleend om uitspraak te doen zonder een zitting. De minister heeft hierop instemmend gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

6. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). Eiser heeft een (nieuwe) relatie met een Oekraïense vrouw, waardoor sprake is van gezinsleven. Door het beëindigen van het rechtmatig verblijf van eiser kan hij dit gezinsleven niet langer voortzetten in Nederland. De minister heeft nagelaten een overweging te wijden aan deze inbreuk op zijn gezinsleven.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RTB, en artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan eiser enkel als gezinslid op grond van de RTB een afgeleid recht op tijdelijke bescherming ontlenen aan de tijdelijke bescherming van zijn partner, als reeds vóór de inval van Rusland in Oekraïne sprake was van een duurzame relatie.
9. Niet in geschil is dat de relatie tussen eiser en zijn voormalig partner, aan wie eiser zijn afgeleide tijdelijke bescherming ontleende, in mei 2024 is beëindigd. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser vanaf dat moment niet langer voldeed aan de voorwaarden voor afgeleide tijdelijke bescherming. Evenmin is in geschil dat eiser nadien een relatie is begonnen met een andere Oekraïense vrouw die in Nederland tijdelijke bescherming geniet op grond van de RTB. Vaststaat echter dat deze relatie eerst ná de inval van Rusland in Oekraïne is ontstaan. Reeds daarom kan eiser aan deze relatie geen afgeleid recht op tijdelijke bescherming ontlenen.
10. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet langer voldoet aan artikel 3.9a, tweede lid, van het VV. De minister heeft de tijdelijke bescherming van eiser dan ook mogen beëindigen.
11. De rechtbank merkt verder op dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming in het geval van eiser niet tot gevolg heeft dat hij Nederland dient te verlaten. Eiser doorloopt een asielprocedure en mag de uitkomst daarvan afwachten in Nederland. Van een terugkeerbesluit of een andere maatregel die strekt tot vertrek uit Nederland is dan ook geen sprake. Onder die omstandigheden hoefde de minister in het kader van de beëindiging van de tijdelijke bescherming dan ook niet te toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft terecht de tijdelijke bescherming van eiser beëindigd. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
5 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.