ECLI:NL:RBDHA:2026:16899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming wegens beëindiging duurzame relatie met Oekraïense partner
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende man, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland op grond van een duurzame relatie met een Oekraïense vrouw die onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) viel. Na hun relatiebreuk in mei 2024 en zijn terugkeer naar Oekraïne, trouwde hij met een andere Oekraïense vrouw die eveneens tijdelijke bescherming geniet. De minister beëindigde de tijdelijke bescherming van eiser omdat deze nieuwe relatie pas na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne was begonnen, waardoor hij niet meer voldeed aan artikel 3.9a, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV).
Eiser stelde dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro omdat hij een gezinsleven had met zijn nieuwe partner. De rechtbank oordeelde dat het recht op tijdelijke bescherming als gezinslid alleen kan worden ontleend aan een duurzame relatie die bestond vóór de inval van Rusland in Oekraïne. Omdat de nieuwe relatie van eiser pas daarna was begonnen, kon hij hieraan geen afgeleid recht ontlenen.
De rechtbank stelde verder vast dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet leidde tot een terugkeerbesluit, aangezien eiser zijn asielprocedure in Nederland mag afwachten. Hierdoor was toetsing aan artikel 8 EVRM Pro niet vereist. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser.