ECLI:NL:RBDHA:2026:16901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/2027
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 6:7 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling private schulden toeslagenaffaire deels toegewezen

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, vordert terugbetaling van tien private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister van Financiën weigert de meeste schulden terug te betalen wegens onvoldoende bewijs over de aard en opeisbaarheid van de schulden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks een te late indiening, omdat het bestreden besluit pas op het juiste adres werd ontvangen. De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke gronden en stelt vast dat de schulden aan een deurwaarderskantoor, die betrekking hebben op verzekeringspremies van Promovendum, voldoende inzichtelijk zijn gemaakt en voldoen aan de voorwaarden van de Wht.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover het deze schulden betreft en veroordeelt de minister tot vergoeding van € 1.472,33. De overige schulden aan Vestia/Syncasso en Syncasso worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs over de ontstaansdatum en opeisbaarheid. De rechtbank veroordeelt de minister tevens in de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit voor de schulden aan het deurwaarderskantoor en veroordeelt de minister tot vergoeding van € 1.472,33, terwijl andere schulden worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2027

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Dinc),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Akkas).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om haar private schulden niet terug te betalen.
1.1.
Met het besluit van 2 augustus 2024 heeft verweerder geweigerd tien private schulden van eiseres terug te betalen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en besloten de schuld van Promovendum/Caresco van € 1.276,16 aan eiseres terug te betalen.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder als gevolg van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private geldschulden of compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het overnemen dan wel compenseren van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2.1.
Eiseres heeft de SBN verzocht om terugbetaling van private schulden. Het gaat om de volgende schulden:
  • [deurwaarderskantoor] (€ 216,46);
  • [deurwaarderskantoor] (€ 84,09);
  • [deurwaarderskantoor] (€ 209,01;
  • [deurwaarderskantoor] (€ 70,74);
  • [deurwaarderskantoor] (€ 231,46);
  • [deurwaarderskantoor] (€ 201,15);
  • [deurwaarderskantoor] (€ 459,42);
  • Vestia/Syncasso (€ 3.917,11);
  • Syncasso (€ 570,85); en
  • Promovendum/Caresco (€ 1.276,10).
Deze schulden zijn met code 13 afgewezen: "Dit bedrag betalen wij niet terug omdat wij de schuld niet goed kunnen beoordelen. Wij hebben u om extra bewijs gevraagd maar dat hebt u niet (op tijd of compleet) aangeleverd. U kunt de schuld met voldoende bewijs opnieuw indienen".
2.2.
Tijdens de bezwaarfase heeft eiseres nog diverse bewijsstukken aangeleverd. Deze waren echter nog niet voldoende om alle schulden te kunnen beoordelen. Verweerder heeft eiseres daarom nog in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende informatie aan te leveren. Eiseres heeft vervolgens nog enkele bewijsstukken aangeleverd. Met deze informatie achtte verweerder het aannemelijk dat de facturen ten behoeve van schuldeiser Promovendum/Caresco voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. Deze schuld komt daarom voor terugbetaling in aanmerking. De overige schulden heeft verweerder afgewezen. Vanwege het ontbreken van bewijsstukken over de aard van de schulden kan verweerder niet beoordelen of de schulden aan [deurwaarderskantoor] private of publieke schulden betreffen. Voor de schulden aan Vestia/Syncasso en Syncasso ontbreekt een overzicht waarop staat wanneer de huurachterstand is ontstaan. Er is ook geen bewijsstuk aangeleverd waaruit blijkt bij welke huurtermijnen een betalingsachterstand is ontstaan en op welke huurtermijn de door eiseres gedane betalingen betrekking hebben. Verweerder kan hierdoor niet vaststellen wat de ontstaansdatum van de schuld is en ook niet of deze voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert ten aanzien van de schulden aan [deurwaarderskantoor] het volgende aan. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat CAK Volmacht B.V. namens Promovendum, een verzekeringsmaatschappij, de incasso’s verricht. De door eiseres ingediende schulden onder de naam [deurwaarderskantoor] hebben dus betrekking op verzekeringspremie, althans de achterstanden die in de betaling daarvan zijn ontstaan. Deze schulden zijn private schulden. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat CAK een publiekrechtelijk bestuursorgaan is. Het CAK Volmacht B.V. is een besloten vennootschap die incassodiensten verricht voor onder andere verzekeringsmaatschappij Promovendum en heeft niets te maken met het publiekrechtelijke orgaan CAK. Daar is kennelijk verwarring ontstaan. Eiseres betwist verder dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de schuld aan Vesta/Syncasso voor 1 juni 2021 is opgeëist. Uit het door eiseres overgelegde bewijsstuk blijkt volgens haar dat de betaling aan Syncasso van € 3.917,11 betrekking heeft op huurachterstanden die in ieder geval voor 1 december 2019 en daarmee voor 1 juni 2021 zijn ontstaan en opeisbaar zijn geworden. Ook voor de schuld aan Syncasso meent eiseres dat zij aan beide voorwaarden voldoet.
Wat zijn de regels?
4. Hoofdstuk 4 van de Wht regelt onder welke voorwaarden gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Voor deze uitspraak zijn de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht van belang.
4.1.
Een geldschuld wordt op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht door verweerder overgenomen als deze:
-is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);
-vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b), én
-niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
4.2.
Op grond van artikel 4.3 van de Wht komt een reeds afgeloste private schuld in aanmerking voor compensatie, als die schuld is afgelost na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel en de schuld op grond van artikel 4.1 van de Wht zou zijn overgenomen als deze niet voldaan was.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid
5. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Eiseres heeft op 6 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit gedateerd op 7 januari 2025. Dat is buiten de hiervoor geldende termijn van zes weken. [1]
5.1.
Eiseres heeft toegelicht dat het bestreden besluit – ondanks dat zij haar gewijzigde adres herhaaldelijk heeft doorgegeven en haar adres ook in de Basisregistratie personen juist stond geregistreerd – naar haar oude adres is gestuurd. Eiseres heeft op 20 januari 2025 telefonisch contact gehad, waarna het bestreden besluit alsnog naar het juiste adres is verstuurd. Eiseres heeft het bestreden besluit op 30 januari 2025 ontvangen. Volgens eiseres is het bestreden besluit pas op dat moment op de juiste wijze bekend gemaakt. Op de zitting heeft verweerder deze gang van zaken niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepstermijn gelet op het voorgaande op 31 januari 2025 gaan lopen. Dat betekent dat het beroepschrift van 6 maart 2025 tijdig is ingediend. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep ontvankelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
6. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of verweerder de private schulden van eiseres terecht niet heeft terugbetaald.
Schulden bij [deurwaarderskantoor]
7. Eiseres heeft zeven schulden bij [deurwaarderskantoor] met een totaalbedrag van € 1.472,33 bij verweerder ingediend met het verzoek om terugbetaling. Deze schulden hebben betrekking op schulden aan CAK Volmacht B.V. Volgens [deurwaarderskantoor] gaat het om vorderingen op basis van de zorgpolis bij Promovendum. Verweerder heeft geweigerd deze schulden terug te betalen. In het bestreden besluit heeft verweerder opgemerkt dat het CAK een publiekrechtelijk bestuursorgaan is en dat het daarom om publieke, in plaats van private schulden zou kunnen gaan. Wegens het ontbreken van bewijsstukken kan verweerder niet beoordelen of het om private of publieke schulden gaat en heeft daarom terugbetaling geweigerd. In het verweerschrift schrijft verweerder dat eiseres in beroep een KvK-uittreksel heeft overgelegd waaruit blijkt dat CAK Volmacht B.V. geen publiekrechtelijk bestuursorgaan is. Volgens verweerder kan echter – zonder de onderliggende facturen van Promovendum – niet worden beoordeeld of het om private schulden gaat die voldoen aan de vereisten van artikel 4.1 van de Wht.
7.1.
Uit bankafschriften van eiseres blijkt dat eiseres op 11 januari 2021 diverse betalingen (totaal € 1.472,33) heeft gedaan aan [deurwaarderskantoor]. Eiseres heeft het eerste compensatiebedrag op 5 december 2020 ontvangen. De betalingen aan [deurwaarderskantoor] zijn dus daarna verricht. Daarmee voldoen de schulden aan de eerste eis zoals genoemd in artikel 4.3 van de Wht. De schulden moeten daarnaast ook voldoen aan de voorwaarden uit artikel 4.1 van de Wht.
7.2.
Eiseres heeft overzichten overgelegd van de zeven dossiers die bij [deurwaarderskantoor] in behandeling waren. Op de specificaties staat een factuurnummer en de factuurdatum. Volgens de toelichting is de ontstaansdatum de datum van de eerste factuur en is de opeisbaarheidsdatum 30 dagen later. Op de overzichten zijn ook incassokosten opgenomen. Ook heeft eiseres een e-mail van [deurwaarderskantoor] verstrekt, waarin zij toelichten dat het vorderingen op basis van de zorgpolis zijn. In deze e-mail wordt nogmaals factuurnummer, ontstaansdatum en betaaldatum opgesomd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende inzichtelijk wanneer deze schulden zijn ontstaan (allen na 31 december 2005, namelijk in 2018, 2019 en 2020) en wanneer deze opeisbaar zijn geworden, namelijk 30 dagen na de ontstaansdatum. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien wat eiseres nog meer had kunnen doen om de vorderingen inzichtelijk te maken. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat dezelfde informatie voldoende was voor verweerder om de schuld van Promovendum/Caresco (ad € 1.276,10) over te nemen. Ook in dat geval zijn de onderliggende facturen niet verstrekt. Niet valt in te zien waarom dat bij de schulden van [deurwaarderskantoor] dan anders zou zijn. Verweerders toelichting op de zitting dat ze dat (lees: overname van die schuld) ‘ook niet hadden moeten doen’, vindt de rechtbank onvoldoende.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de schulden aan [deurwaarderskantoor] aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor vergoeding op grond van de Wht. Verweerder heeft dus ten onrechte geweigerd om deze schulden te vergoeden en had een bedrag van € 1.472,33 moeten vergoeden.
Schulden bij Vestia/Syncasso en Syncasso
8. Eiseres heeft ook een schuld aan Vestia / Syncasso van € 3.917,11 en een schuld van € 570,85 aan Syncasso bij verweerder aangemeld met het verzoek om terugbetaling.
9. Verweerder heeft geweigerd deze schulden terug te betalen. Door het ontbreken van informatie kan hij niet vaststellen of de schulden voldoen aan de voorwaarden uit artikel 4.1, tweede lid, sub a en b, van de Wht. Uit de overzichten van Syncasso volgt niet wanneer de huurachterstanden zijn ontstaan. Ook is niet duidelijk bij welke huurtermijnen een betalingsachterstand is ontstaan en op welke huurtermijnen de door eiseres gedane betalingen betrekking heeft.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat hij onvoldoende informatie heeft om de schulden te beoordelen. Anders dan eiseres betoogt valt uit de overzichten van Syncasso die eiseres heeft overgelegd (de brieven gedateerd op 7 november 2022 en 2 januari 2024) niet zonder meer af te leiden op welke huurtermijnen de schulden betrekking hebben, zodat verweerder niet kan beoordelen of de schulden na 31 december 2005 zijn ontstaan en of ze voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op rechtsoverwegingen 7.2 en 7.3 is het beroep gegrond. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de schulden aan [deurwaarderskantoor] te vernietigen, te bepalen dat verweerder deze schulden tot een bedrag van € 1.472,33 aan eiseres moet vergoeden en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. [2]
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de schulden aan [deurwaarderskantoor];
- bepaalt dat verweerder deze schulden tot een bedrag van € 1.472,33 aan eiseres vergoedt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie artikel 8:72, eerste, tweede en derde lid, van de Awb.