ECLI:NL:RBDHA:2026:16906

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.40316
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 sub c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksualiteit en onvoldoende risico bekering

Eiser, een Pakistaanse man die zich als homoseksueel en bekeerd tot het sjiisme presenteert, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielmotief homoseksualiteit en onvoldoende risico op vervolging vanwege bekering.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister het referentiekader van eiser voldoende had meegewogen. De verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid waren oppervlakkig, tegenstrijdig en onvoldoende persoonlijk toegelicht. Ook de medische verklaring en het verzoekschrift van zijn ex-vrouw werden als onvoldoende bewijs beoordeeld.

De rechtbank vond dat de minister terecht oordeelde dat het asielmotief homoseksualiteit ongeloofwaardig was. Daarnaast werd het risico op vervolging vanwege bekering niet aannemelijk geacht, mede op basis van het ambtsbericht Pakistan 2024. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief homoseksualiteit en onvoldoende aannemelijk gemaakt risico vanwege bekering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40316

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en R.B. Raj als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser verklaart dat hij is geboren op [geboortedatum] 1987, dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft en tot de Punjabi-bevolkingsgroep behoort. Aan zijn asielaanvraag legt hij het volgende ten grondslag. Eiser stelt dat hij homoseksueel is. Hij is zich hiervan op 14/15-jarige leeftijd bewust geworden, nadat hij een relatie kreeg met een jongen genaamd [naam] die destijds in zijn wijk kwam wonen. Eiser heeft ook met andere mannen seksueel contact gehad in Pakistan. Eiser verklaart dat hij vaak is betrapt en dat zijn familie zo achter zijn seksuele gerichtheid is gekomen. Naar aanleiding hiervan is eiser door onder meer zijn broer, neef en wijkgenoten uitgescholden en fysiek mishandeld. In 2017 hebben de ouders van eiser hem gedwongen te trouwen met een vrouw, met als doel zijn seksuele gerichtheid te veranderen. Dat heeft niet gewerkt. Na een laatste incident, waarbij eiser samen met [naam] werd gezien door een buurman die toen de broer van eiser inschakelde, zijn de problemen in ernst toegenomen. Eiser verklaart dat de mishandelingen door zijn broer en neef steeds erger werden. Ze hebben hem met de dood bedreigd, ook omdat toen bekend werd dat eiser zich had bekeerd tot het sjiisme en dat zijn echtgenote van hem wilde scheiden. Volgens eiser was de situatie zodanig onveilig geworden dat zijn vader hem heeft aangeraden om te vluchten uit Pakistan.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de homoseksualiteit van eiser en zijn problemen daardoor; en
de bekering van eiser tot het sjiisme.
4.1.
De minister acht het eerste en het derde asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister ongeloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser volgens hem geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [1] Daartoe stelt de minister dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij zijn realisatie tot zijn seksuele gerichtheid heeft beleefd en over zijn (seksuele) relaties en gevoelens voor anderen. Ook heeft eiser volgens de minister tegenstrijdig verklaard over het moment waarop hij voor het eerst seks had met [naam] en bevatten zijn verklaringen over de situatie van homoseksuelen in Pakistan tegenstrijdigheden. Ook acht de minister de door eiser gestelde problemen niet logisch. De minister overweegt verder dat uit de door eiser overgelegde medische verklaring en het verzoekschrift van zijn ex-vrouw niet blijkt dat hij homoseksueel is en maar van beperkte waarde zijn. De nadruk ligt volgens de minister primair op de eigen verklaringen van eiser en juist daarin is hij tekortgeschoten. Dat eiser enige kennis heeft van de situatie van homoseksuelen in Nederland maakt volgens de minister het voorgaande niet anders.
4.2.
Het eerste en het derde asielmotief kunnen volgens de minister niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus op grond van het Vluchtelingenverdrag of omdat sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM). Op basis van openbare informatie en eisers verklaringen heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer vrees heeft vanwege zijn bekering. Aan eiser wordt een terugkeerbesluit opgelegd om Nederland binnen vier werken te verlaten.
Het referentiekader van eiser
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader en dat vanwege dat referentiekader niet van hem kan worden verwacht dat hij logisch, duidelijk en consistent verklaart. Eiser stelt dat hij ongeschoold is en uit een land komt waar een taboe heerst op homoseksualiteit. Hij is niet lang genoeg in Nederland geweest om van hem te kunnen verwachten dat hij ineens vrij en duidelijk kan verklaren over zijn geaardheid.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser voldoende in acht heeft genomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. In het voornemen heeft de minister gemotiveerd meegewogen wat van eiser, gelet op zijn geschooldheid en zijn persoonlijke achtergrond, mag worden verwacht en waarom sommige verklaringen onvoldoende consistent en logisch waren. De minister heeft daarbij overwogen dat eiser zelf heeft verklaard dat hij zijn homoseksualiteit heeft geaccepteerd en dat hij, als moslim, zich bewust was van het feit dat homoseksualiteit in zijn religie als onacceptabel wordt beschouwd. Tegen die achtergrond mocht van eiser worden verwacht dat hij zijn situatie logisch, duidelijk en consistent kan toelichten. Ook in het bestreden besluit heeft de minister gemotiveerd uitgezet waarom, ondanks dat eiser zich in Pakistan niet vrij kon uiten en nooit over homoseksualiteit heeft kunnen spreken, van hem mag worden verwacht dat hij logisch, duidelijk en consistent over zijn situatie en die van zijn familie kon verklaren. De minister stelt immers terecht dat het hier feitelijkheden betreft, namelijk de wijze waarop eiser zijn eigen ervaringen en belevering heeft ondervonden. Daarmee is voldoende rekening gehouden met zowel de geschooldheid van eiser als met het taboe dat er in Pakistan op homoseksualiteit rust.
De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief: homoseksualiteit
Oppervlakkige verklaringen van eiser
6. Eiser voert verder aan dat hij geen persoon is die lang nadenkt over hoe hij zich voelt en wat er in hem omgaat. Hij heeft meerdere keren verklaard dat hij een persoon is die snel actie onderneemt en niet tweemaal nadenkt bij wat hij doet. Om die reden vindt eiser dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser summiere en oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij zijn homoseksuele gevoelens heeft geaccepteerd, dat hij deze gevoelens niet kon onderdrukken en dat het voor hem het beste voelde om zich daarbij neer te leggen, mede vanwege zijn relatie met [naam] . De minister heeft mogen overwegen dat eiser hiermee geen inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving van deze acceptatie. Zo heeft eiser niet concreet kunnen verklaren hoe dit proces voor hem is verlopen en wat deze acceptatie voor hem heeft betekend. Ook heeft de minister van belang mogen achten dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over de verhouding tussen zijn homoseksuele gerichtheid en zijn religie. Hoewel eiser heeft aangegeven dat hij zich ervan bewust is dat homoseksualiteit binnen de islam niet wordt geaccepteerd, heeft hij dit niet nader geconcretiseerd anders dan door te stellen dat zijn gevoelens losstaan van zijn religie. Daarmee heeft eiser onvoldoende inzicht gegeven in zijn beleving van deze spanning. Verder heeft minister erop mogen wijzen dat eiser slechts in algemene bewoordingen heeft verklaard over zijn gevoelens voor [naam] en de gesprekken die hij met hem daarover voerde. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser heeft verklaard dat hij met [naam] niet heeft gesproken over het feit dat homoseksualiteit in Pakistan niet is toegestaan, terwijl eiser tegelijkertijd heeft verklaard dat hij vanwege zijn relatie met [naam] werd geslagen, uitgescholden en vernederd, en dat hij zich ervan bewust was dat homoseksualiteit niet werd geaccepteerd.
6.2.
Gelet op het bovenstaande heeft de minister van eiser mogen verwachten dat, juist nu hij stelt langdurige en ingrijpende ervaringen te hebben gehad met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en relaties, daarover meer inzichtelijke en persoonlijke verklaringen zou kunnen afleggen. Dat eiser heeft aangevoerd dat hij een impulsief persoon is die niet lang nadenkt over zijn gevoelens of handelen, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid biedt, juist gelet op de door eiser gestelde langdurige en ingrijpende ervaringen, onvoldoende verklaring voor de summiere aard van eisers verklaringen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit het dossier volgt dat tijdens het gehoor is doorgevraagd en eiser in de gelegenheid is gesteld zijn verklaringen nader toe te lichten, zonder dat dit tot meer inzichtelijke verklaringen heeft geleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Tegenstrijdige verklaringen over de eerste keer seks met [naam]
6.3.
Eiser heeft aanvankelijk gesteld dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij voor het eerst seks heeft gehad met [naam] . Hij was 14/15 jaar oud toen hij besefte dat hij op jongens viel. Rond diezelfde periode heeft hij [naam] ontmoet. Na een vriendschap van ongeveer zes tot twaalf maanden ontstond tussen hen een seksuele relatie. Eiser was op dat moment 16 jaar oud. Op zitting heeft eiser erkend dat hij hierover tegenstrijdig heeft verklaard, maar hij heeft er daarbij op gewezen dat het slechts een enkele vergissing was en dat het inmiddels zo lang geleden is, dat niet van hem kan worden verwacht dat hij precies weet hoe oud hij toen was.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij voor het eerst seks had met [naam] . Ter zitting heeft de minister toegelicht dat uit het nader gehoor volgt dat eiser heeft verklaard dat hij op 14/15-jarige leeftijd voor het eerst besefte dat homoseksualiteit in zijn omgeving niet werd geaccepteerd. Eiser heeft verklaard dat hij op die leeftijd namelijk voor het eerst is mishandeld. De gehoormedewerker heeft eiser bevraagd over hoe die mishandeling tot stand is gekomen. Eiser heeft geantwoord dat hij werd gezien met een jongen met wie hij op dat moment seks had. Later is eiser gevraagd of hij ooit een liefdesrelatie had en met wie. Eiser heeft daarop bevestigend geantwoord en verklaard dat dit met “diezelfde jongen” was, waarmee hij verwees naar de jongen met wie hij op 14/15-jarige leeftijd seks had gehad en waarna hij is mishandeld. Eiser heeft daarbij [naam] genoemd en verklaard dat hij op 16/16,5-jarige leeftijd voor het eerst seks heeft gehad met [naam] . Met partijen acht de rechtbank deze verklaringen tegenstrijdig. Het door eiser op de zitting ingenomen standpunt dat het hier om een vergissing gaat, hetgeen volgens hem begrijpelijk is gezien zijn geschooldheid, kan de rechtbank niet volgen, nu deze vermeende vergissing nimmer is gecorrigeerd. De enkele verklaring dat het al lang geleden is en dat hij niet precies meer weet hoe oud hij was, is evenmin afdoende. Van hem mocht worden verwacht dat hij wel wist hoe oud hij toen was tegen de achtergrond van hoe ingrijpend dit geweest moet zijn gezien de religieuze, maatschappelijke en culturele achtergrond van eiser in zijn land van herkomst.
De medische verklaring
6.5.
Verder stelt eiser dat het gegeven dat de medische verklaring geen origineel document is, geen probleem is. Het stuk ondersteunt immers zijn asielrelaas, namelijk dat hij is mishandeld en met een mes in zijn gezicht is gestoken.
6.6.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat uit de medische verklaring niet kan worden afgeleid dat eiser de wond in zijn gezicht heeft opgelopen door een mishandeling vanwege zijn seksuele gerichtheid. Uit de verklaring volgt enkel dat eiser een wond heeft opgelopen, maar niet op welke manier en om welke reden. Daarmee mocht de minister beperkte waarde hechten aan de verklaring. De grond faalt dan ook.
Het verzoekschrift van de ex-vrouw van eiser en andere documenten
6.7.
Eiser voert aan dat het verzoekschrift om echtscheiding van zijn ex-vrouw zijn asielrelaas ondersteunt en dat het niet uitmaakt dat het document niet origineel is. Uit het verzoekschrift volgt immers dat de scheiding door zijn ex-vrouw is aangevraagd omdat eiser homoseksueel is en daardoor het leven van zijn ex-vrouw heeft verwoest. Bovendien is het verzoekschrift geen subjectieve verklaring van een derde; het is een klacht waarin de ex-vrouw van eiser via de politie verzoekt om een scheiding.
6.8.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verzoekschrift van de ex-vrouw van eiser niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van eiser. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat er in de eerste plaats wordt gekeken naar de eigen verklaringen van eiser. Dat volgt namelijk uit WI 2019/17. [2] Nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat de minister deze verklaringen oppervlakkig, tegenstrijdig en onlogisch mocht vinden, mocht de minister om die reden oordelen dat geen sprake van een geloofwaardig relaas. Het verzoekschrift betreft een verklaring van een derde, aangezien het afkomstig is van de ex-vrouw van eiser en het een melding over hem bevat, en niet van eiser zelf. Dat de melding is ingediend bij de politie doet hieraan niet af. Gelet hierop heeft de minister aan het verzoekschrift slechts beperkte waarde hoeven toekennen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eiser. Dit geldt evenzeer voor de overige documenten die eiser heeft overgelegd.
Conclusie geloofwaardigheid van het tweede asielmotief
6.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld het asielmotief dat eiser homoseksueel is en als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden, ongeloofwaardig is. Hoewel de rechtbank de uitleg van eiser over het ontmoeten van andere homoseksuelen in Pakistan en over het verschil tussen de verklaringen van eiser over de mishandelingen kan volgen, leidt dit er niet toe dat zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid als geloofwaardig kunnen worden beschouwd.
De bekering
7. Eiser is van mening dat als de minister zijn bekering geloofwaardig acht dat de minister kennelijk ook geloofwaardig vindt dat eiser is bekeerd door [naam] , en dat zij een goede band met elkaar hadden. Daarom is het volgens hem merkwaardig dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig acht als hij aanneemt dat de bekering het gevolg is van de relatie tussen eiser en [naam] . Eiser verwijst verder naar pagina 60 van het algemeen ambtsbericht van Pakistan van juli 2024 en stelt dat hij vanwege zijn bekering een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft verklaard dat mensen uit zijn wijk op de hoogte waren van zijn bekering. Zij zagen dat als iets groots en extreems. In het verleden is eiser tevens uitgescholden en geslagen. In het licht van deze omstandigheden heeft de minister volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom hij als geloofwaardig bekeerd sjjiet geen gevaar loopt bij terugkeer naar Pakistan. Eiser verwijst in dat kader ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 30 juni 2022. [3]
7.1.
De rechtbank overweegt dat op de zitting is gesproken over de geloofwaardigheid van de bekering en of dat ook de gestelde homoseksuele gerichtheid geloofwaardig moet maken. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat de geloofwaardigheid van de bekering van eiser niet automatisch aantoont dat eiser een homoseksuele relatie heeft gehad met [naam] . De rechtbank onderschrijft dat eiser in zijn aanvankelijk ingenomen standpunt niet worden gevolgd.
7.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn bekering tot het sjiisme gevaar loopt bij terugkeer naar Pakistan. De minister heeft terecht verwezen naar het algemeen ambtsbericht van Pakistan van juli 2024. Daarin is weliswaar vermeld dat sjiieten in Pakistan sinds lange tijd het doelwit zijn van geweld, maar de rechtbank is het met de minister eens dat de verwijzing naar deze enkele passage niet maakt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft. Daartoe geldt immers het individualiseringsvereiste, [4] waaraan eiser nu niet heeft voldaan. Hoewel eiser heeft verklaard dat de mensen in zijn wijk zijn bekering als iets groots of extreems zagen en hem hebben uitgescholden en geslagen, heeft de minister er – in het voornemen – terecht op gewezen dat eiser ook heeft verklaard dat zijn geloof geen probleem is, dat hij in de moskee in Pakistan geen problemen heeft ondervonden met bidden en dat hij eventueel ook zijn geloof kan uiten in een andere plaats. [5] Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser als geloofwaardig bekeerd sjiiet geen gevaar loopt bij terugkeer naar Pakistan. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 30 juni 2022 maakt dit niet anders, nu de minister in de onderhavige zaak juist de algemene informatie heeft betrokken in zijn beoordeling en tevens expliciet is ingegaan op de door eiser aangehaalde passage uit het ambtsbericht.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zie pagina 3.
4.Zoals bedoeld in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.Zie pagina’s 6, 13, 24 en 25 van het rapport nader gehoor.