ECLI:NL:RBDHA:2026:16910

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.37599
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning partner wegens ontbinding huwelijk en onvoldoende privéleven in Nederland

Eiser, een Indiase nationaliteit, had sinds 2 september 2020 een verblijfsvergunning als partner van een Nederlandse vrouw. Deze vergunning werd ingetrokken per 16 januari 2025 nadat het huwelijk was ontbonden. De minister stelde dat er geen gezinsband meer bestond en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel.

Eiser voerde aan dat zijn banden met Nederland sterker waren dan met India en dat hij zijn privéleven in Nederland had opgebouwd. De rechtbank oordeelde dat de minister een deugdelijke belangenafweging had gemaakt, waarbij rekening was gehouden met het feit dat eiser tot zijn 27e in India had gewoond en daar nog sociale contacten heeft. De stellingen van eiser waren onvoldoende onderbouwd en hij was niet verschenen op de zitting om nadere toelichting te geven.

Daarnaast was het afzien van het horen in bezwaar volgens de rechtbank terecht gemotiveerd, omdat er geen nieuwe feiten of argumenten waren aangevoerd die tot een ander besluit konden leiden. De rechtbank benadrukte ook de verantwoordelijkheid van procespartijen om rekening te houden met de beperkte capaciteit van de rechtspraak.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37599

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is het niet eens met de intrekking en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken vanaf 16 januari 2025.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, [1] op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig en hebben zich voorafgaand aan de zitting niet afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Indiase nationaliteit. Op 2 september 2020 is hij in bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf als partner bij mevrouw [Referente] (hierna: referente).
4. De minister heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning ten grondslag gelegd dat er geen gezinsband meer bestaat tussen eiser en referente. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is immers gebleken dat het huwelijk tussen eiser en referente op 16 januari 2025 is ontbonden. Daarmee voldoet eiser niet meer aan de beperking van zijn verblijfsvergunning. Omdat er geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en referente, en de belangenafweging ten aanzien van het privéleven van eiser in zijn nadeel uitvalt, levert de intrekking van zijn verblijfsvergunning volgens de minister geen schending op van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder heeft de minister afgezien van het horen en heeft hij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Artikel 8 van Pro het EVRM: privéleven
5. Eiser voert aan dat de minister er niet vanuit mocht gaan dat zijn banden met India sterker zijn dan met Nederland, zonder dit deugdelijk te motiveren. Het enkele feit dat hij lang in India heeft gewoond, betekent volgens hem niet dat zijn banden met India sterker zijn. Eiser was in Nederland gehuwd met een Nederlandse en heeft jarenlang met haar een gezin gevormd. Daarnaast voert eiser aan dat hij zijn privéleven nader heeft onderbouwd. Eiser heeft jarenlang in Nederland gewoond en gewerkt. Hij heeft familie en een vriendenkring in Nederland opgebouwd.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een deugdelijke belangenafweging gemaakt. De minister heeft hierbij betrokken dat eiser in 2020 op 27-jarige leeftijd naar Nederland is gekomen en van 2 september 2020 tot 15 januari 2025 een verblijfsvergunning heeft gehad. Eiser heeft in deze periode privéleven opgebouwd door zijn verblijf in Nederland. Tegenover het verblijf in Nederland staat dat eiser tot hij 27 jaar oud was in India heeft gewoond, dat hij bekend is met de cultuur en de gewoonten daar en dat het aannemelijk is dat eiser daar nog sociale contacten en familie heeft, nu hij daar het grootste gedeelte van zijn leven heeft gewoond. Niet ten onrechte heeft de minister de banden van eiser met India daarom hechter geacht dan zijn banden met Nederland. De stelling van eiser dat dit niet zo is, zonder dit te onderbouwen of nader toe te lichten, kan de rechtbank daarom niet volgen. Dit geldt evenzo voor de stelling van eiser dat hij zijn privéleven heeft onderbouwd. Die onderbouwing heeft de rechtbank namelijk in het dossier niet kunnen vinden. De rechtbank wilde eiser hierover op de zitting om een nadere toelichting vragen, maar dit is niet mogelijk gebleken omdat eiser niet is verschenen. De minister mocht verder meewegen dat eiser nog maar kort in Nederland verblijft en dat hij niet meer voldeed aan het verblijfsdoel van zijn verblijfsvergunning. Ook heeft de minister het belang van de Nederlandse overheid, zoals (onder andere) bescherming van de economische belangen, zwaarder mogen laten wegen dan het persoonlijk belang van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Horen
6. Verder voert eiser aan dat er niet mocht worden afgezien van het horen in de bezwaarprocedure, zonder dit deugdelijk te motiveren.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat de minister niet kon afzien van het horen. Van horen in bezwaar kan worden afgezien wanneer er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. [2] Gezien de aanvraag en de motivering van het primaire besluit biedt wat eiser hiertegen in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd geen nieuwe feiten of andere gezichtspunten. Hiermee is aan deze maatstaf voldaan. De bezwaargronden zijn grotendeels een herhaling van de toelichting bij de aanvraag en eiser heeft deze gronden verder niet nader toegelicht en geen onderbouwende stukken overgelegd, zodat de minister het bezwaar niet ten onrechte heeft aangemerkt als kennelijk ongegrond. Bovendien heeft de minister in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd waarom van het horen is afgezien. Eiser heeft op dit punt in beroep geen nadere toelichting gegeven, ook niet ter zitting, nu hij aldaar niet is verschenen. De rechtbank kan daarom zijn stelling dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom van het horen is afgezien niet volgen.
Tot slot
7. Tot slot wordt nog het volgende opgemerkt. De rechtbank heeft eerder al overwogen dat het voor de ketenpartners van de rechtspraak, dus ook de advocatuur, geen verrassing kan zijn dat de rechtspraak kampt met een grotere instroom van zaken dan uitstroom, dat sprake is van lange doorlooptijden van zaken die voor de rechter komen en dat sprake is van beperkte (zittings)capaciteit is om zaken af te doen. De rechtbank begrijpt dan ook niet dat de gemachtigde van eiser deze zaak heeft aangebracht, daarin gronden naar voren heeft gebracht die op geen enkele wijze zijn toegelicht of onderbouwd, hij vervolgens zonder bericht niet verschijnt op zitting, erg onbeleefd is als de griffier hem belt naar aanleiding van zijn afwezigheid en de telefoonverbinding verbreekt terwijl het gesprek nog niet was afgerond. Vervolgens wordt twaalf minuten na aanvang van de zitting alsnog een afmelding geüpload in het digitale dossier. De rechtbank overweegt dat naast het zoeken naar mogelijkheden door de rechtspraak om de eerdergenoemde uitdagingen aan te pakken en te zorgen voor tijdige rechtspraak, er ook een verantwoordelijkheid ligt bij de procespartijen om bij (het starten van) een procedure de schaarste waarmee de rechtbank te maken heeft, in ogenschouw te nemen. Het is immers in ieders belang dat iedere zaak de aandacht krijgt die het verdient.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.37601.
2.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.