Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16916

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.55348
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 30b lid 1 sub c Vw 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en herkomst

Eiseres, afkomstig uit Eritrea en opgegroeid in Ethiopië, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Zij stelde dat zij vanwege oorlog en vervolging niet kon terugkeren naar Eritrea. De minister wees de aanvraag af wegens twijfel aan haar identiteit, nationaliteit en herkomst, omdat eiseres onvoldoende documenten overlegde en haar verhaal niet samenhangend was.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht twijfelde aan de Eritrese nationaliteit van eiseres en dat de gestelde problemen bij terugkeer naar Eritrea daarom niet inhoudelijk hoefden te worden beoordeeld. Ook de problemen in Ethiopië werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat eiseres geen Ethiopische nationaliteit bezit. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende had onderbouwd waarom zij geen documenten kon overleggen en dat zij onvoldoende kennis had van Eritrea.

Eiseres voerde aan dat de minister geen herkomstonderzoek of taalanalyse had uitgevoerd, maar de rechtbank vond dat dit geen wezenlijke bijdrage zou leveren. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van identiteit en herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55348

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

ook namens haar minderjarige kind:
[minderjarige],
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.P.P.H. Kelderman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. T. Bruinsma als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, D. Habtab als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1994. Aan haar asielaanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij op vierjarige leeftijd samen met haar ouders vanuit Eritrea naar Ethiopië is vertrokken vanwege de oorlog. Zowel haar ouders als zijzelf hebben de Eritrese nationaliteit. In Ethiopië heeft eiseres nooit een normaal bestaan kunnen opbouwen omdat ze niet beschikte over Ethiopische documenten en deze documenten ook niet kan aanvragen. Zonder Ethiopische documenten mag ze niet werken, kan ze geen bedrijf beginnen en geen bankrekening openen. Dat heeft ertoe geleid dat eiseres Ethiopië heeft verlaten. Ook haar in Ethiopië geboren dochter kan geen Ethiopische documenten aanvragen. Haar dochter verblijft nog in Ethiopië. Via het vliegveld in [plaats 1] is eiseres met een look-a-like Eritrees paspoort vertrokken naar Turkije. Daar heeft zij tot 2023 gewerkt in een hotel om haar reisagent af te betalen. In Turkije heeft eiseres een man genaamd [naam] ontmoet met wie zij een relatie heeft gekregen. Samen zijn zij in 2023 naar Griekenland gegaan en vanuit daar apart naar Nederland. Eiseres wil niet terug naar Eritrea omdat ze bij terugkeer vreest gevangen te worden genomen en gedwongen te worden daar in de militaire dienst te gaan. Dat wil ze niet vanwege haar religieuze overtuiging, de zware omstandigheden en de trauma’s die ze in het verleden heeft opgelopen. Op [geboortedatum 2] 2024 heeft eiseres samen met [naam] een zoon in Nederland gekregen. Zij heeft medische documenten van haar en haar zoon overgelegd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
de problemen van eiseres in Ethiopië; en
de problemen van eiseres in Eritrea.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig. Daartoe stelt de minister dat eiseres onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede reden heeft gegeven. [2] De minister vindt dat van eiseres verwacht mag worden dat zij Ethiopische identiteitsdocumenten kan overleggen omdat zij daar vanaf haar vierde levensjaar heeft gewoond. Ook vormen de verklaringen van eiseres over haar identiteit, nationaliteit en herkomst volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. [3] De minister vindt het niet geloofwaardig dat eiseres de Eritrese nationaliteit heeft en dat ze afkomstig is uit de plaats [plaats 2] (of [plaats 2] ) in Eritrea. De minister overweegt dat juist eerder geloofwaardig is dat eiseres de Ethiopische nationaliteit heeft. Daarvoor geeft de minister de volgende redenen:
de juiste antwoorden die eiseres heeft gegeven over algemene vragen over Eritrea, kunnen op zeer eenvoudige wijze worden achterhaald;
het is niet geloofwaardig dat de ouders van eiseres in 1998 hebben besloten om naar de regio ten zuiden van [plaats 2] en de grens van Eritrea en Ethiopië te vluchten als daar de oorlog was (de frontlinie);
uit ambtsberichten over Ethiopië van 1999-2007 volgt dat in Ethiopië mensen met de Eritrese nationaliteit werden geïnterneerd in kampen en gedeporteerd naar Eritrea, wat de ouders van eiseres nooit is overkomen;
uit het ambtsbericht van Eritrea van 20 oktober 2000 volgt dat veel Ethiopiërs die in mei 1998 waren gearresteerd, inmiddels vrijwillig naar Ethiopië zijn vertrokken, wat de ouders van eiseres zou kunnen zijn overkomen;
het is onsamenhangend dat eiseres spreekt van terugkeer naar [plaats 3] (Ethiopië), aangezien eiseres uit [plaats 2] komt, en omdat [plaats 3] tijdens de oorlog was veroverd door Eritrea en later weer terug door Ethiopië, lijkt het erop dat haar ouders vanuit [plaats 3] naar [plaats 4] waren gevlucht en niet vanuit [plaats 2] ;
het is niet geloofwaardig dat eiseres, als kind van Eritrese ouders, zonder identiteitsdocumenten wordt toegelaten op een Ethiopische overheidsschool;
voor het volgen van onderwijs en het verkrijgen van medische zorg is een Kebele ID-kaart nodig, en omdat eiseres heeft genoten van die voorzieningen, gaat de minister ervanuit dat ze in het bezit is geweest van een Kebele ID-kaart die alleen wordt uitgegeven aan personen met de Ethiopische nationaliteit; en
het is niet aannemelijk dat de ouders van eiseres en zijzelf als Eritreeërs nooit iets te maken hebben gehad met of hebben gemerkt van de uitzetting/deportatie naar Eritrea als in de periode van 1998 tot ver in de jaren 2000 sprake is geweest van uitzetting/deportatie van personen met de Eritrese nationaliteit naar Eritrea.
4.2.
Omdat het niet geloofwaardig is dat eiseres de Eritrese nationaliteit heeft zijn de gestelde problemen bij terugkeer naar Eritrea ook niet geloofwaardig. Het asielrelaas met betrekking tot Eritrea wordt daarom niet inhoudelijk beoordeeld. De aangevoerde problemen die te maken hebben met Ethiopië worden ook niet inhoudelijk beoordeeld, nu eiseres heeft verklaard dat zij niet in het bezit is van de Ethiopische nationaliteit. De minister stelt dat eiseres haar vrees op grond van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade op grond van artikel 3 van Pro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet aannemelijk heeft gemaakt. De aanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres de minister heeft misleid over haar identiteit, herkomst en nationaliteit. [4]
4.3.
De minister heeft eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. Daarover overweegt de minister dat dit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat eiseres de gestelde relatie met [naam] niet heeft onderbouwd. Het document waarop zou moeten staan dat [naam] de biologische vader is van [minderjarige] , is nooit overgelegd. De overgelegde registratie van het ziekenhuis waarop [minderjarige] met de achternaam van [naam] staat, is onvoldoende, want voor deze registratie hoefden de familiebanden niet te worden onderbouwd. [minderjarige] heeft de achternaam van eiseres. Eiseres krijgt wel voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000.
Standpunt eiseres: zienswijze herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt dat de stelling van eiseres in beroep dat haar zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiseres om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens haar niet juist of niet toereikend is. [5] De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep verder heeft aangevoerd.
Twijfel over de identiteit en nationaliteit
6. Eiseres voert aan dat zij pas in het voornemen bekend is geworden met de twijfel aan haar identiteit en nationaliteit. Ze is van mening dat de minister deze twijfel eerder in de procedure dan wel tijdens het nader gehoor naar voren had moeten brengen, zodat zij hier zelf op had kunnen reageren en de gemachtigde haar hierop had kunnen wijzen. Op de zitting heeft eiseres gesteld dat sprake is van bewijsnood, nu zij op zeer jonge leeftijd uit Eritrea is vertrokken op beslissing van haar ouders en dat zij het heeft te doen met wat haar ouders haar over Eritrea hebben verteld.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit het nader gehoor volgt dat de gehoormedewerker verschillende keren aan eiseres het belang heeft benadrukt van documentatie om haar identiteit, nationaliteit en asielmotief te kunnen onderbouwen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de pagina’s 7 tot en met 9 van het nader gehoor, zoals de minister op de zitting ook heeft gedaan. Hieruit volgt dat eiseres wel degelijk is geconfronteerd met het belang om haar identiteit en nationaliteit met documenten te onderbouwen. Vervolgens is in het voornemen kenbaar gemaakt dat en waarom de identiteit en nationaliteit van eiseres ongeloofwaardig worden geacht, waarna eiseres en haar gemachtigde de gelegenheid hebben gehad om in de zienswijze daarop te reageren. Eiseres heeft daar ook gebruik van gemaakt. De minister heeft die reactie van eiseres in zijn beoordeling in het bestreden besluit betrokken. Dat eiseres dus stelt dat zij eerder in de procedure had moeten worden geconfronteerd met de twijfel aan haar identiteit en nationaliteit, kan de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet volgen.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. In dit verband stelt de minister terecht dat eiseres heeft verklaard dat zij vanaf haar vierde levensjaar tot aan haar vertrek, dus gedurende een periode van 24 jaar, in Ethiopië heeft verbleven, daar heeft gewoond, onderwijs heeft gevolgd en medische zorg heeft ontvangen, zonder dat zij daarbij problemen met de autoriteiten heeft ondervonden. De minister heeft verder niet ten onrechte gewezen op algemene ambtsberichten over Ethiopië vanaf 31 juli 2000. Hoewel uit het (meest recente) ambtsbericht Ethiopië van 2024 niet volgt dat sprake is van een identificatieplicht in Ethiopië, volgt daaruit wel dat ieder persoon in Ethiopië recht heeft op een digitale identiteitskaart. Ook volgt uit de algemene ambtsberichten vanaf 31 juli 2002 dat een Kebele-identiteitskaart gangbaar is en dat dit een voorwaarde is om kinderen te kunnen inschrijven op een overheidsschool en om toegang te krijgen tot vormen van dienstverlening door de overheid. [6] Gelet op deze informatie en het gegeven dat eiseres in Ethiopië onderwijs heeft gevolgd en medische zorg heeft gehad, heeft de minister van eiseres mogen verwachten dat zij in staat moet zijn om enige vorm van documentatie over haar identiteit en verblijf te verkrijgen. Dat eiseres stelt dat zij op jonge leeftijd uit Eritrea is vertrokken op beslissing van haar ouders, maakt dit niet anders. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij in Ethiopië geen identiteitsdocument kon verkrijgen en zij heeft ook niet onderbouwd dat zij concrete inspanningen heeft verricht om deze documenten op enigerlei wijze te verkrijgen. Het beroep op bewijsnood slaagt daarom ook niet.
6.3.
Verder mocht de minister aan eiseres tegenwerpen dat zij summier heeft verklaard over de Eritrese samenleving en gebruiken en dat zij maar beperkte kennis had over Eritrea. Zo zijn er aan eiseres een aantal vragen gesteld over Eritrea (de naam van de president, de Eritrese vlag, Eritrese zangers en gerechten), [7] waarvan de minister niet ten onrechte stelt dat eiseres hierop een algemeen antwoord heeft gegeven. Ook uitgaande van een vertrek van eiseresop zeer jonge leeftijd uit Eritrea, heeft de minister dit opmerkelijk mogen vinden omdat eiseres heeft verklaard dat zij is opgegroeid in een Eritrees gezin en daar altijd onderdeel van is geweest. Gelet daarop mocht de minister van eiseres verwachten dat zij meer over Eritrea zou kunnen verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Herkomstonderzoek en taalanalyse
7. Eiseres heeft in de schriftelijke beroepsgronden nog aangevoerd dat de minister dient na te gaan of er een herkomstonderzoek en/of taalanalyse kan worden uitgevoerd bij eiseres zoals opgenomen in Werkinstructie (WI) 2021/8 en WI 2021/13, nu zij heeft verklaard dat zij geen identiteitsdocumenten heeft omdat ze als illegale vluchteling in Ethiopië verbleef en haar ouders nooit de moeite hebben genomen om iets van documentatie op te vragen. De minister heeft op geen enkele manier zelf objectief onderzoek gedaan naar de herkomst van eiseres, terwijl op voorhand duidelijk is dat eiseres geen identiteitsdocumenten heeft en zij in de grensstreken van Eritrea en Ethiopië heeft geleefd. De minister legt in het bestreden besluit ook niet uit waarom geen gebruik is gemaakt van een herkomstonderzoek of taalanalyse. De samenwerkingsverplichting is daarom geschonden en het besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat op de zitting is gesproken over de vraag of het uitvoeren van een taalanalyse en/of herkomstonderzoek een bijdrage kan leveren aan het vaststellen van de herkomst van eiseres. Eiseres heeft op de zitting bevestigd dat een taalanalyse niet doorslaggevend zou kunnen zijn, omdat eiseres stelt dat zij op vierjarige leeftijd is vertrokken uit Eritrea en dat zij is geboren in het grensgebied tussen Eritrea en Ethiopië en daar ook is opgegroeid. Eiseres heeft op de zitting ook toegegeven dat het uitvoeren van een herkomstonderzoek om diezelfde redenen lastig zal zijn.
7.2.
De rechtbank is met partijen van oordeel dat een taalanalyse en/of een (nader) herkomstonderzoek geen wezenlijke bijdrage kan leveren aan het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er wel degelijk onderzoek naar de herkomst van eiseres heeft plaatsgevonden in de gehoren. Zo zijn er tijdens het nader gehoor verschillende algemene vragen gesteld over Eritrea. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat eiseres hierop algemene antwoorden heeft gegeven, terwijl de minister van eiseres meer mocht verwachten gezien de stelling van eiseres dat zij is opgegroeid en altijd onderdeel uit heeft gemaakt van een Eritrees gezin. Dat eiseres bepaalde vragen juist heeft beantwoord, is onvoldoende om alsnog uit te gaan van haar gestelde herkomst. [8] De minister heeft op de zitting verder toegelicht dat topografische kennis in het geval van eiseres niet doorslaggevend zou zijn, nu eiseres zeer jong was toen ze volgens haar stelling uit Eritrea is vertrokken en gewoond heeft in een grensgebied. Vandaar dat daar in het nader gehoor geen vragen over zijn gesteld en gebrek aan topografische kennis ook niet aan eiseres is tegengeworpen. Van schending van de samenwerkingsverplichting of handelen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid door de minister is daarom geen sprake. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
6 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
3.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
4.Zie artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Zie o.m. de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).
6.Zie hiervoor o.a. de algemene ambtsberichten Ethiopië van februari 2005 en juli 2007, waar de minister naar heeft verwezen in het bestreden besluit, en meer recente ambtsberichten van 2021 en 2022.
7.Zie pagina’s 10 en 11 van het nader gehoor.
8.Zie hiervoor ook: ECLI:NL:RVS:2020:1843, r.o. 2.3.