ECLI:NL:RBDHA:2026:16928

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/664938 / HA ZA 24-338
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 245 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting SBB aan Stichting wegens onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking

In deze civiele procedure tussen Waardevastgoed Holland V C.V. en Stichting Behartiging Belangen Participanten Capital Science V (SBB c.s.) tegen Stichting Waardevastgoed Holland V en andere gedaagden, stond de vraag centraal of SBB gehouden was tot terugbetaling van door de Stichting voorgeschoten kosten.

De rechtbank oordeelde dat geen overeenkomst tot terugbetaling tussen SBB en de Stichting tot stand was gekomen. Wel was sprake van onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking, waardoor SBB verplicht was de door de Stichting betaalde juridische kosten, minus de kosten voor de Barthel-procedure, terug te betalen.

De vorderingen van de CV werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. SBB werd veroordeeld tot betaling van €244.853,31 aan de Stichting, vermeerderd met wettelijke rente, en in proceskosten aan diverse gedaagden. De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: SBB wordt veroordeeld tot betaling van €244.853,31 aan de Stichting, vermeerderd met wettelijke rente, en in proceskosten.

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/664938 / HA ZA 24-338
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van

1.. WAARDEVASTGOED HOLLAND V C.V., te Vianen,

hierna te noemen: ‘de CV’,
eiseres,
2.
STICHTING BEHARTIGING BELANGEN PARTICIPANTEN CAPITAL SCIENCE V, te Lisse,
hierna te noemen: ‘SBB’,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaten mr. S.C. Krekel en mr. T.J. de Vries te Leiden,
tegen

1.. STICHTING WAARDEVASTGOED HOLLAND V, te Vianen,

hierna te noemen: ‘de Stichting’,
gedaagde in conventie,
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaten mr. L.T. van der Sluis en mr. B.P. Augustijn te Rotterdam,

2.. [gedaagde sub 2] , te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: ‘ [gedaagde sub 2] ’,
gedaagde,
advocaten mr. H.J. Bakker en mr. K. Verheij te Leiden,

3.. [gedaagde sub 3] , te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: ‘ [gedaagde sub 3] ’,
gedaagde,
advocaat: voorheen mr. H.J. Bakker en mr. K. Verheij te Leiden, onttrokken op 15 juli 2025, geen nieuwe advocaat gesteld,

4.. WAARDEVASTGOED BEHEER V B.V. (IN LIQUIDATIE), te Vianen,

hierna te noemen: ‘WVG Beheer’

5.BELFORT ASSET MANAGEMENT B.V. (IN LIQUIDATIE), te Terneuzen,

hierna te noemen: ‘Belfort AM’,
gedaagden,
advocaat mr. J.P. Hellinga te Zwijndrecht,

6.. ORABEL B.V.te Katwijk,

hierna te noemen: ‘Orabel’
gedaagde,
advocaat mr. M.W.J. Ariëns te Haarlem,

7.. [gedaagde sub 7] , te [woonplaats 3] ,

gedaagde,
niet verschenen,

8.. [gedaagde sub 8] , te [woonplaats 4] ,

gedaagde,
niet verschenen.
Eisers (de CV en SBB) worden hierna samen ‘SBB c.s.’ genoemd.
Gedaagden 2 en 3 ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ) worden samen ‘de Bestuurders’ genoemd.
Gedaagden 4 en 5 worden hierna samen ‘WVG Beheer c.s.’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 24 december 2025 een tussenvonnis gewezen
(hierna: ‘het tussenvonnis’). De rechtbank heeft in het tussenvonnis een bindend eindoordeel gegeven over de vorderingen in conventie, die waren ingesteld tegen alle gedaagden. In de procedure in reconventie heeft de Stichting een vordering ingediend jegens SBB. In het tussenvonnis heeft de rechtbank voor wat betreft de vordering in reconventie de Stichting en SBB in de gelegenheid gesteld zich op onderdelen van deze vordering nog nader uit te laten. De Stichting en SBB hebben van deze gelegenheid gebruikt gemaakt. Van de Stichting en SBB zijn de volgende stukken ontvangen:
- de akte houdende uitlating na tussenvonnis namens SBB van 21 januari 2026, met producties 57 tot en met 58;
- de akte uitlaten namens de Stichting van 21 januari 2026, met productie 63;
- de akte uitlaten namens SBB van 18 februari 2026, met producties 60 tot en met 67;
- de antwoordakte namens de Stichting van 18 februari 2026, met producties 64 en 65;
- de akte uitlaten namens SBB van 25 maart 2026;
- de akte uitlaten producties namens de Stichting van 25 maart 2026.
1.2.
Namens SBB is op de rol van 18 februari 2026 ook een “akte overlegging producties tevens houdende uitlating uitvoerbaarheid bij voorraad” (met producties 68 en 69) ingediend. De rechtbank heeft bij rolbeslissing van 25 februari 2025 beslist dat deze akte wordt geweigerd, omdat SBB niet in de gelegenheid is gesteld deze akte te nemen.
1.3.
De rechtbank laat ook de akten uitlaten die de overige gedaagden (Orabel, WVG Beheer c.s. en [gedaagde sub 2] ) op de rol van 25 maart 2026 hebben ingediend buiten beschouwing. Immers, behalve de Stichting en SBB waren geen andere partijen betrokken bij de vordering in reconventie. Voor zover de niet betrokken partijen zich bij akte of bij brief hebben uitgelaten over de procedure in reconventie, neemt rechtbank hier geen nota van.
1.4.
De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen (delen van) de onder 1.1 genoemde akten die namens SBB zijn ingediend. Mede in reactie op dit bezwaar beslist de rechtbank ten aanzien van die akten als volgt:
- De rechtbank gaat in dit vonnis niet in op hetgeen SBB in haar
akte van 21 januari 2026heeft gesteld (onder 4 en 5.1) over het niet kunnen terugvorderen van de juridische (advocaat)kosten in de arbitrageprocedure, omdat de rechtbank partijen in het tussenvonnis niet in de gelegenheid heeft gesteld zich nog op dit punt uit te laten. Partijen mochten zich alleen nog verder uitlaten over de kosten van de Barthel-procedure (zie ook hierna, r.o. 2.21).
- Voor zover SBB zich in haar
akte uitlaten van 18 februari 2018(in randnummers 2.6 tot en met 2.13 en 4.1 onder a) heeft uitgelaten over de procedure in conventie, gaat de rechtbank daaraan eveneens voorbij. De rechtbank heeft SBB niet in de gelegenheid gesteld zich nog uit te laten over de conventionele vordering. Ook overigens ziet de rechtbank in hetgeen SBB over de conventionele vordering heeft geschreven geen aanleiding om van haar eerder gegeven oordeel in conventie terug te komen.
- Voor wat betreft
akte uitlaten namens SBB van 25 maart 2026geldt het volgende. De rechtbank heeft SBB bij rolbeslissing van 25 februari 2025 uitsluitend nog de gelegenheid gegeven om zich bij akte uit te laten over de aanvullende producties 64 en 65, die de Stichting bij haar akte van 18 februari 2026 had ingediend. Voor een volledige antwoordakte is geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal daarom alleen acht slaan op randnummer 2.2 van de akte van 25 maart 2026 en de rest van die akte buiten beschouwing laten.
1.5.
De rechtbank blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis in conventie en in reconventie heeft overwogen. Enige uitzondering hierop is de onder randnummer 3.1. genoemde datum van 11 maart 2023, welke datum 11 maart 2003 moet zijn en welke verschrijving de rechtbank bij deze corrigeert. Voorts stond in de aanhef van het vonnis van 24 december 2025 in de volledige naam van SBB een verschrijving, die de rechtbank in dit vonnis heeft gecorrigeerd.

2.De verdere beoordeling van het geschil

In conventie
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis al geoordeeld dat de CV niet ontvankelijk is in haar vorderingen in conventie en dat zij het merendeel van de vorderingen in conventie van SBB zal afwijzen. Daarbij heeft zij niet specifiek overwogen dat deze afwijzing ook de vorderingen van SBB jegens de niet verschenen gedaagden [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 8] betreft. SBB heeft niet toegelicht waarom zij haar vorderingen ook jegens [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 8] heeft ingesteld, en ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om over de aan hen gerichte vorderingen anders te oordelen. Gelet op de inhoud van deze vorderingen moet het oordeel hierover jegens alle gedaagden hetzelfde zijn.
In reconventie
Nadere aktes
2.2.
De Stichting vordert in reconventie dat de rechtbank SBB bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling aan de Stichting van een bedrag van € 348.023,69, te vermeerderen met rente en kosten.
2.3.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank de Stichting in de gelegenheid gesteld zich over de volgende punten nog uit te laten:
(i) Bij de rechtbank is de vraag ontstaan of in de feitelijke gang van zaken rondom het (onder voorbehoud gehonoreerde) verzoek tot uitbetaling, een tussen SBB en de Stichting gesloten overeenkomst moet worden gelezen, op grond waarvan op SBB een verbintenis tot terugbetaling van het aan derden betaalde bedrag aan de Stichting kwam te rusten, in het geval zou komen vast te staan dat SBB geen beherend vennoot en/of beheerder van de CV was;
(ii) Uit de pleitnota van de Stichting (randnummer 6.5) volgt dat op de participantenvergadering van 17 november 2022 ook is gestemd over het stellen en het voeren van verweer namens de CV in de Barthel-procedure. Hiervoor was op grond van de CV-akte de instemming van de participanten vereist. SBB heeft als verweer aangevoerd dat de kosten van alle participantenvergaderingen niet voor rekening van SBB moeten komen, omdat het houden van vergaderingen sowieso noodzakelijk is geweest. Dit roept de vraag op of de stelling van de Stichting dat zij ten onrechte de kosten heeft betaald die SBB heeft gemaakt voor het organiseren van participantenvergadering ook opgaat voor de participantenvergadering van 17 november 2022 waarin werd gestemd over het procederen in de Barthel-procedure, nu de Stichting kennelijk erkent dat alle met de Barthel-procedure samenhangende kosten voor rekening van de CV komen.
2.4.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank SBB in de gelegenheid gesteld zich over het volgende nog uit te laten:
(iii) Partijen zijn het erover eens dat SBB geen terugbetalingsplicht heeft voor advocatenkosten die samenhangen met de Barthel-procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep). WVG Beheer heeft als beherend vennoot (achteraf) een procesvolmacht aan SBB gegeven om namens de CV in die procedure verweer te voeren en partijen zijn het erover eens dat de daarvoor gemaakte kosten door de CV moeten worden gedragen. Niet duidelijk is echter welk deel van de gedeclareerde juridische kosten van € 310.488,98 betrekking heeft op de Barthel-procedure. De informatie hierover bevindt zich in het domein van de toenmalige feitelijke opdrachtgever (SBB) en haar advocaten, terwijl de Stichting gemotiveerd heeft betwist dat alle of het grootste deel van de door de advocaten opgevoerde kosten op de Barthel-procedure zien. De rechtbank zal aan SBB opdragen om bij akte nader te specificeren en te onderbouwen welk deel van de juridische kosten verband houdt met de Barthel-procedure.
2.5.
Beide partijen hebben van de geboden gelegenheid gebruikt gemaakt en vervolgens op elkaars aktes gereageerd. Daarna hebben zij zich nog bij akte uitgelaten over de door de andere partij bij de een na laatste akte ingediende producties. Met inachtneming van hetgeen partijen nog nader hebben aangevoerd, behandelt de rechtbank hieronder de verschillende posten die de Stichting van SBB vordert. De rechtbank komt tot het oordeel dat SBB een bedrag van € 244.853,31 aan de Stichting moet betalen.
Betalingen aan NAI (€ 34.950,23)
2.6.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis al overwogen dat dit gedeelte van de vordering van de Stichting wordt afgewezen.
Betalingen van onkosten (€ 2.854,48)
Geen overeenkomst tussen Stichting en SBB
2.7.
De Stichting heeft facturen van Expo Houten voor zaal- en horecakosten voor gehouden participantenvergaderingen betaald. Ook zijn onkosten (voornamelijk reiskosten) van de bestuurders van SBB vergoed. In totaal heeft de Stichting € 2.854,48 aan onkosten vergoed. De Stichting vordert die betaalde gelden thans van SBB terug, omdat SBB geen beherend vennoot of beheerder van de CV was en SBB de Stichting dus zonder recht of titel heeft geïnstrueerd tot betaling van deze kosten.
2.8.
De Stichting beroept zich voor de terugbetaling (onder andere) op een verbintenis uit overeenkomst. De Stichting stelt dat SBB wist, erkende en aanvaardde dat zij door de Stichting betaalde kosten moest terugbetalen als vast zou komen te staan dat zij geen beherend vennoot of bewaarder was. Er is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan op SBB een verbintenis tot terugbetaling rust. De Stichting stelt dat dit onder meer volgt uit de omstandigheid dat veel van de correspondentie tussen advocaten ging, die konden duiden wat werd bedoeld. Zij stelt verder dat zij SBB er herhaaldelijk schriftelijk en mondeling op heeft gewezen dat zij de voorgeschoten kosten zou kunnen terugvorderen indien zou komen vast te staan dat SBB geen beherend vennoot of beheerder was en dat zij zich te dien aanzien steeds alle rechten heeft voorbehouden. Zij heeft specifiek naar diverse e-mails en brieven verwezen.
2.9.
SBB heeft weersproken dat een overeenkomst tot terugbetaling van (aan derden) betaalde gelden tussen de Stichting en SBB bestaat. Uit geen van de door de Stichting overgelegde stukken volgt dat SBB heeft ingestemd met een overeenkomst tot terugbetaling. En de Stichting mocht ook niet erop vertrouwen dat een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen. Deze instemming kan ook nergens uit worden afgeleid.
2.10.
De rechtbank oordeelt als volgt. In de correspondentie waarnaar de Stichting verwijst, leest de rechtbank niet dat tussen partijen een overeenkomst tot terugbetaling tot stand is gekomen. Zo leest zij niet in de brief van 8 maart 2023 dat de Stichting SBB erop heeft gewezen dat zij de voorgeschoten kosten zou terugvorderen indien zou komen vast te staan dat SBB geen beherend vennoot of beheerder was en dat zij zich te dien aanzien steeds alle rechten heeft voorbehouden. De rechtbank leest hierin slechts de bezwaren die de Stichting heeft geuit tegen de benoeming van SBB als beherend vennoot en als bewaarder, welke benoeming volgens de Stichting niet tot stand zou zijn gekomen.
In een e-mail van 9 mei 2023 van de advocaat van de Stichting aan de advocaat van SBB, waarnaar de Stichting ook verwijst, is het volgende geschreven: “
…zouden de uitgaven van SBB die ten laste van de C.V. zijn gekomen immers in een bepaald ander daglicht komen te staan en zou als meest verstrekkende gevolg kunnen gelden dat SBB en/of haar bestuur gedane uitgaven aan de C.V. moeten vergoeden.” Ook hierin leest de rechtbank geen overeenkomst die tot stand is gekomen tussen SBB en de Stichting, maar een constatering dat rechtens mogelijk een verplichting tot terugbetaling aan de CV bestaat.
In de brief van 14 juni 2023 leest de rechtbank dat de Stichting SBB erop wijst dat gedekte kosten mogelijk moeten worden terugbetaald, maar niet dat partijen daarover een afspraak hebben gemaakt of dat de Stichting zich bij de betaling van de kosten het recht heeft voorbehouden om de betaalde bedragen van SBB terug te vorderen wanneer SBB geen beherend vennoot of beheerder blijkt te zijn.
In een brief van 14 juli 2023 heeft de advocaat van de Stichting erop gewezen dat de Stichting, indien komt vast te staan dat SBB geen rechtspositie heeft, ten aanzien van de CV betaalde kosten als onverschuldigd betaald kan terugvorderen. Vervolgens wijst zij op betalingen die SBB heeft ontvangen en die de Stichting mogelijk kan terugvorderen.
In een brief van 29 april 2024 heeft de Stichting gewezen op de betalingen die ze heeft gedaan aan SBB en daarbij heeft de Stichting geschreven dat ze bij die betalingen steeds het recht heeft voorbehouden om de voorgeschreven kosten terug te vorderen, indien komt vast te staan dat SBB geen beherend vennoot is. Wanneer dat voorbehoud is gemaakt is echter niet toegelicht, evenmin waarom daardoor een overeenkomst tot terugbetaling tussen SBB en de Stichting tot stand is gekomen.
2.11.
De Stichting heeft verder nog gesteld dat SBB tegen het door haar gemaakte voorbehoud nooit heeft geprotesteerd en SBB mede daarom de terugbetalingsverplichting heeft aanvaard. Uit het niet protesteren door SBB kan echter geen instemming worden afgeleid.
Onverschuldigde betaling (ten aanzien van de onkosten, niet ten aanzien van de kosten van Expo Houten)
2.12.
Omdat geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen SBB en de Stichting waarbij SBB op zich heeft genomen de door de Stichting op haar verzoek betaalde gelden terug te betalen, zal de rechtbank beoordelen of een andere rechtsgrond bestaat voor terugbetaling.
2.13.
De Stichting heeft de terugbetaling gevorderd van door haar aan SBB betaalde bedragen in verband met door haar bestuurders gemaakte onkosten, waaronder reiskosten. Omdat SBB geen beheerder of beherend vennoot is geworden, hadden haar bestuursleden geen recht op vergoeding van gemaakte onkosten. De rechtbank begrijpt – nu geen van partijen concreet iets anders stelt – dat de vergoede onkosten zien op de andere (onder productie 55 overgelegde) rekeningen dan de facturen van [naam] / Expo Houten, dus de opgetelde declaraties van € 856,58 en de diverse facturen van opgeteld € 464,65. Die bedragen moet SBB op grond van onverschuldigde betaling aan de Stichting terug betalen. Hetzelfde geldt voor de vordering van de KvK voor een bedrag van € 51,95. Omdat SBB geen beheerder of beherend vennoot is geworden bestond er geen rechtsgrond voor de betaling door de Stichting namens de CV van door SBB of haar bestuurders gemaakte (on)kosten. In totaal moet SBB dus een bedrag van € 1.373,18 terug betalen.
2.14.
De Stichting heeft voorts de terugbetaling gevorderd van bedragen die zij op verzoek van SBB heeft betaald aan Expo Houten. Het gaat hier om een bedrag van opgeteld € 1.481,30. Het betreft de betaling van rekeningen die Expo Houten heeft gestuurd aan de CV omdat de CV met de Expo een overeenkomst had gesloten voor het gebruik van ruimten. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat tussen de CV en Expo Houten geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. Expo Houten was immers niet op de hoogte van de onbevoegdheid van SBB om de CV te vertegenwoordigen. Dit betekent dat de Stichting met de betaling aan Expo Houten een bedrag heeft betaald dat de CV aan Expo Houten verschuldigd was. Dit behoorde tot de verantwoordelijkheden van de Stichting. De Stichting heeft geen feiten en of omstandigheden gesteld op basis waarom zij dit bedrag dan toch van SBB kan terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.
Participantenvergadering van 17 november 2022
2.15.
Nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de Stichting de voor de participantenvergaderingen betaalde kosten niet kan terugvorderen, hoeft zij verder niet in te gaan op de vraag of tijdens de participantenvergadering van 17 november 2022 de Barthel-procedure is besproken.
Juridische kosten (€ 310.488,98)
2.16.
De Stichting heeft advocaatkosten van DeClerq advocaten betaald. De Stichting heeft in de conclusie van antwoord gesteld dat het om een bedrag van in totaal € 310.488,98 gaat, maar volgens SBB is in totaal een bedrag van € 294.588,98 betaald, omdat een eerdere voorschotfactuur van € 60.000 is vervangen door een voorschotfactuur van € 45.000, waardoor het betaalde bedrag € 15.000 lager uitkomt. De Stichting kan zich hierin vinden.
2.17.
De rechtbank heeft eerder overwogen dat de Stichting de aan Expo Houten verrichte betalingen niet van SBB kan terugvorderen, omdat Expo Houten als derde buiten dit geschil staande partij niet wist of kon weten dat SBB mogelijk geen beherend vennoot van de CV was. Dit argument geldt niet voor de rekeningen van het door SBB ingeschakelde advocatenkantoor. DeClerq had moeten en kunnen weten dat SBB niet rechtsgeldig was benoemd tot beherend vennoot van de CV. Daarmee wist DeClerq dat SBB geen overeenkomsten kon sluiten namens de CV en is er geen overeenkomst tussen DeClerq en de CV tot stand gekomen.
Er is wel een overeenkomst tot stand gekomen tussen SBB en DeClerq. SBB heeft immers DeClerq ingeschakeld. Daardoor was SBB degene op wie de verplichting rustte om de facturen van DeClerq te voldoen. Doordat de Stichting vervolgens de facturen van DeClerq heeft betaald, verviel die verplichting voor SBB. Hieruit volgt dat SBB met deze betalingen door de Stichting aan DeClerq ongerechtvaardigd is verrijkt. Derhalve rust op haar de verplichting om de door de Stichting aan DeClerq betaalde bedragen aan de Stichting terug te betalen.
2.18.
Uitzondering hierop zijn de juridische kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de Barthel-procedure, nu dat wel kosten zijn die ten behoeve van de CV zijn gemaakt en door de CV moeten worden gedragen. SBB stelt dat voor de Barthel-procedure een bedrag van € 1.459 aan griffierechten is betaald en een bedrag van € 54.611,85 aan advocaatkosten. Het bedrag aan advocaatkosten licht zij toe met onder meer een verwijzing naar de verschillende proceshandelingen die zijn verricht in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Voorts heeft zij gespecificeerde rekeningen overgelegd, waarop is vermeld welke tijd voor de procedure in beide instanties is gefactureerd.
2.19.
De Stichting voert aan dat de voor de Barthel-procedure gedeclareerde kosten niet redelijk zijn, althans dat de opgegeven kosten niet kloppen. Zij betwist de totale door SBB opgegeven kosten. Daarbij verwijst zij specifiek naar zes tijdsregels, die geen betrekking kunnen hebben op de Barthel-procedure. Voorts verwijst de Stichting naar een aantal tijdsregels, waarbij uit de beschrijving niet kan worden afgeleid of het de Barthel-procedure betreft, omdat die te algemeen zijn. Zij stelt voor een afslag te doen van 20% op de opgevoerde kosten, zodat een bedrag resteert van € 43.689,48, omdat de Stichting onmogelijk zelf een berekening kan maken.
2.20.
Met de Stichting is de rechtbank van oordeel dat niet van elke opgegeven tijdsregel kan worden beoordeeld of de verantwoorde tijd inderdaad de Barthel-procedure betreft. Dat is dus een pad dat, gelet op deze onmogelijkheid, voor het oordeel over de hoogte van de kosten voor de Barthel-procedure niet op kan worden gegaan.
Het had dan op de weg gelegen van de Stichting om gemotiveerd toe te lichten dat een bedrag van € 54.611,85 voor de betreffende procedure in twee instanties te hoog is. De advocaten van de Stichting moeten daartoe zonder meer in staat worden geacht, zodat de Stichting zich op dit punt door hen had kunnen laten informeren. Door enkel, zonder veel toelichting, een afslag voor te stellen van 20% heeft de Stichting haar betwisting onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het bedrag van € 54.611,85 vermeerderd met het griffierecht van € 1.459 (samen: € 56.070,85) de door SBB voor de Barthel-procedure gemaakte kosten betreft. Hierbij geldt nog wel het volgende. Als onbetwist staat vast dat mr. Barthel in twee instanties is veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding aan de CV. Het gaat in totaal om een bedrag van € 4.962 aan griffierecht en salaris advocaat. SBB heeft erkend dat deze kostenveroordeling door SBB is ontvangen en is aangewend om kosten van de Barthel-procedure te voldoen. De rechtbank is met de Stichting van oordeel dat die ontvangen proceskostenvergoeding moet worden verrekend met het bedrag van € 56.070,85 dat de Stichting in totaal namens de CV voor de Bartel-procedure aan DeClerq heeft betaald.
2.21.
SBB stelt in haar akte van 21 januari 2026 ook nog dat de Stichting bepaalde door SBB gemaakte kosten in de arbitrageprocedure bij het NAI, waarbij de Stichting onder meer de CV heeft gedagvaard, niet kan terugvorderen. Zij verwijst daarbij onder meer naar haar conclusie van antwoord in de voorwaardelijke reconventie. De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat de rechtbank haar niet in gelegenheid heeft gesteld zich nog verder op dit punt uit te laten.
2.22.
De conclusie is dat op het door de Stichting gevorderde bedrag van € 294.588,98, een bedrag van € 51.108,85 (€ 56.070,85 minus de door SBB behouden proceskostenvergoeding van € 4.962) in mindering moet worden gebracht aan kosten in verband met de Barthel-procedure. Dit brengt het totaal terug te betalen bedrag in verband met door de Stichting betaalde advocatenkosten op € 243.480,13.
Conclusie
2.23.
SBB zal worden veroordeeld een bedrag van in totaal € 244.853,31 (€ 1.373,18 + € 243.480,13) aan de Stichting te betalen. De Stichting heeft de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd vanaf de dag van de conclusie van antwoord. Die wettelijke rente wordt als onweersproken toegewezen, nu zich hiertegen ook overigens niets verzet.
In conventie en in reconventie
Proceskosten in conventie
2.24.
Ten aanzien van de proceskosten in conventie beslist de rechtbank als volgt. Nu de CV niet rechtsgeldig in de procedure is verschenen, is voor een kostenveroordeling van de CV geen plaats (artikel 245 lid 1 Rv Pro). SBB wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de gedaagden. De proceskosten in conventie aan de kant van de gedaagden worden als volgt begroot:
  • WVG Beheer c.s.:
  • de Stichting:
  • Orabel:
  • de Bestuurders:
  • [gedaagde sub 2] (individueel):
in alle gevallen plus de verhoging bij betekening zoals vermeld in de beslissing.
2.25.
De door Orabel, de Stichting en WVG Beheer c.s. gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in reconventie
2.26.
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt SBB veroordeeld in de proceskosten in reconventie, die aan de kant van de Stichting worden begroot op € 2.885 aan advocaatkosten tot op heden (2,0 punten x tarief VI x factor 0,5 vanwege samenhang met de procedure in conventie) en € 148 aan nakosten, totaal € 3.033 plus de verhoging bij betekening zoals vermeld in de beslissing. De kosten voor de na het tussenvonnis genomen akten dient de Stichting zelf te dragen, nu haar daarin ingenomen stellingen voor een groot deel niet zijn gevolgd. De over de proceskosten gevorderde rente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

3.De beslissing

De rechtbank:
In conventie
3.1.
verklaart de CV niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
3.2.
verklaart voor recht dat geen rechtsgeldig besluit tot ontbinding is genomen, dat de CV niet is ontbonden en dat de CV niet in liquidatie verkeert;
3.3.
veroordeelt SBB in de proceskosten van WVG Beheer c.s., tot op heden begroot op € 2.183, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als SBBniet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet SBB € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.4.
veroordeelt SBB in de proceskosten van de Stichting, tot op heden begroot op € 14.211, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als SBB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet SBB € 49 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.5.
veroordeelt SBB in de proceskosten van Orabel, tot op heden begroot op € 2.183, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als SBB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet SBB € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.6.
veroordeelt SBB in de proceskosten van de Bestuurders, tot op heden begroot op € 6.538, en (daarnaast) in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , tot op heden begroot op € 3.723, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als SBB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet SBB € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.7.
veroordeelt SBB in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de onder 3.3, 3.4 en 3.5 genoemde proceskosten van WVG Beheer c.s., de Stichting en Orabel, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.8.
verklaart de kostenveroordelingen onder 3.3, 3.4, 3.5 en 3.7 uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
3.10.
veroordeelt SBB tot betaling aan de Stichting van een bedrag van € 244.853,31, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 16 april 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.11.
veroordeelt SBB in de proceskosten van de Stichting, tot op heden begroot op € 3.033, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als SBB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet SBB € 49 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.12.
veroordeelt SBB in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de onder 3.11 genoemde proceskosten van de Stichting, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.13.
verklaart de veroordelingen onder 3.10, 3.11 en 3.12 uitvoerbaar bij voorraad;
3.14.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
type: 2431