Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16943

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33115
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 56 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg op 11 juni 2026 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig handelde en dat hij voornemens was om naar Duitsland te reizen om daar een asielprocedure te doorlopen.

De minister voerde als zware gronden aan dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen, zich had onttrokken aan toezicht en geen medewerking verleende aan een overdrachtsbesluit. De rechtbank oordeelde dat deze zware gronden feitelijk juist waren, onder meer omdat eiser niet beschikte over geldige reisdocumenten, zelfstandig woonruimte had verlaten en niet was verschenen bij het vertrekgesprek.

De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat hij alsnog zou voldoen aan het overdrachtsbesluit en concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33115

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 16 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft hier op 17 juni 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 18 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware gronden 3a, 3b en 3k. Ook betwist eiser de lichte gronden 4a, 4c en 4d. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet aan hem mag tegenwerpen dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, omdat hij voornemens was om in Nederland asiel aan te vragen. Daarbij heeft eiser zich niet onttrokken aan het toezicht, maar heeft hij aangegeven dat hij voornemens was om naar Duitsland te reizen en daar een asielprocedure te doorlopen. Eiser heeft verklaard zelf te willen terugkeren naar Duitsland. Hij was daarmee wel van plan om te voldoen aan het aan hem opgelegde overdrachtsbesluit. Eiser erkent dat hij niet in het bezit is van geldige reisdocumenten, maar stelt hiertoe alle medewerking te verlenen. Dat eiser niet beschikt over een vaste woon en verblijfplaats of voldoende middelen van bestaan mag hem niet worden tegengeworpen, omdat hij voornemens was om naar Duitsland te reizen.
4. Verweerder mag bij het tegenwerpen van de zware gronden 3a, 3b en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat zware grond 3a feitelijk juist is. Door eiser wordt niet betwist dat hij bij zijn binnenkomst in Nederland niet beschikte over een geldig document om Nederland in te reizen. Dat eiser voornemens was om een asielaanvraag in te dienen geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zware grond 3b is ook feitelijk juist, omdat op 9 juni 2026 is gemeld dat eiser zelfstandig de woonruimte heeft verlaten in de vertrektermijn van zijn procedure en met onbekende bestemming is vertrokken. Ook zware grond 3k is feitelijk juist. Eisers beroep tegen het overdrachtsbesluit is op 18 mei 2026 ongegrond verklaard. Hiermee staat het overdrachtsbesluit in rechte vast. Eiser heeft hieraan echter geen gevolg gegeven. Daarbij is eiser op 5 juni niet verschenen bij zijn vertrekgesprek en heeft hij geen gehoor gegeven aan de aan hem opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw. Dat eiser heeft verklaard zelf te willen terugkeren naar Duitsland en op die manier te voldoen aan het overdrachtsbesluit volgt de rechtbank niet. Verweerder merkt daartoe terecht op dat eiser niet beschikte over financiële middelen en dat daarnaast uit het proces-verbaal van eisers staandehouding blijkt dat hij is aangetroffen bij een controle op het perron in Goes. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgronden tegen de lichte gronden kunnen daarom verder onbesproken blijven.
5. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).