Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32860
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a VwArt. 5.1b, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende vreemdeling, is door de minister van Asiel en Migratie onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser betwist dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en beroept zich op een studievisum en het beginsel van non-refoulement. De rechtbank oordeelt dat het studievisum van eiser per 31 augustus 2023 is ingetrokken en dat hij Nederland daarna niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daarnaast zijn de overige zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet betwist en worden als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het beginsel van non-refoulement heeft beoordeeld en dat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom dit beginsel zich tegen zijn uitzetting zou verzetten. De verklaringen van eiser over de situatie in Nigeria zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt. Er zijn geen feiten of omstandigheden die de bewaring onrechtmatig maken.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

EensRECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32860

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma ).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 2003 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit deplicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist zware grond 3a. Hij stelt zich op het standpunt dat hij op rechtmatige wijze Nederland is binnengekomen door middel van een studievisum. Ook beschikt eiser over een origineel en geldig Nigeriaans paspoort. Verder heeft verweerder volgens eiser een selectieve lezing gehanteerd bij de beoordeling van het beginsel van non-refoulement, door slechts te motiveren dat eiser geen contact heeft met zijn familie in Nigeria. Eiser heeft hierover op pagina 3 van de M110 meer verklaard over onzekerheid omtrent religie en stammen. Eiser heeft verklaard dat in Nigeria daarvoor wordt aangevallen, dat dit ook met zijn familie is gebeurd en dat veel mensen die hij kent gewond en gedood zijn.
4. Verweerder mag bij het tegenwerpen van zware grond 3a volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Eisers studievisum is per 31 augustus 2023 ingetrokken. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij in België heeft verbleven. Eiser is na zijn verblijf in België Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen, nu hij niet (langer) in het bezit is van een geldig visum of andere toestemming om Nederland binnen te reizen. Dat eiseres eerder met een geldig visum Nederland is ingereisd, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de zware grond 3a.
5. Verder heeft eiser zware gronden 3b en 3c en de aan de maatregel ten grondslag gelegde lichte gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn gemotiveerd. Dit betekent dat de gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking daarmee gegeven is.
6. De Afdeling [3] heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 [4] uitgelegd wat de gevolgen van het arrest Adrar [5] zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet.
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring onder het kopje ‘beginsel van non-refoulement’ een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en heeft overwogen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het verbod op refoulement. Het is aan eiser om concreet te maken waarom het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan zijn uitzetting. Voor zover eiser meent dat verweerder niet alle verklaringen hierover heeft betrokken in de beoordeling, volgt de rechtbank eiser niet. Ook onder het kopje ‘overige motivering’ in de maatregel van bewaring heeft verweerder eisers verklaringen over de aanvallen op de stammen in Nigeria voldoende betrokken. Verweerder heeft in dit kader voldoende gemotiveerd dat eiser slechts in algemene zin verklaart en niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze omstandigheden op hem van toepassing zijn.
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:EU:C:2025:647.