Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
09-207646-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gewapende woningoverval met zware letsels en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 11 juni 2026 de verdachte, geboren in 2007, veroordeeld voor medeplegen van een gewapende overval op een woning op 20 juni 2024. De overval werd gekenmerkt door het gebruik van (nep)vuurwapens en messen, waarbij slachtoffers ernstig werden bedreigd en één slachtoffer meerdere steekwonden opliep. De verdachte handelde samen met anderen en pleegde diefstal met geweld.

De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte samen met anderen waardevolle goederen, waaronder een horloge, sieraden en bankpassen, heeft weggenomen onder bedreiging en geweld. De verklaring van een aangever en de bekentenis van de verdachte ondersteunden dit. De rechtbank verwierp het bewijsverweer van de verdediging over het horloge en de sieraden.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn zwakbegaafdheid en positieve ontwikkeling sinds voorlopige hechtenis, en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte werd veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie, waarvan 121 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 200 uur. Tevens werden de volledige schadevergoedingen van in totaal €28.200,- plus wettelijke rente aan de benadeelden toegewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie (waarvan 121 voorwaardelijk) en 200 uur werkstraf voor medeplegen gewapende woningoverval; volledige schadevergoedingen toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-207646-24
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 28 mei 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. S. Sleeswijk Visser en de raadsman van de verdachte is mr. A. Kilinç te Amsterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval in vereniging op een woning.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juni 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een horloge en/of
- een tas (met inhoud onder andere een paspoort en een zonnebril) en/of
- een of meerdere bankpas(sen) en/of
- een pandbewijs (van sieraden) en/of
- een of meerdere (gouden) sieraden,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met vuurwapens, althans met op vuurwapens gelijkende voorwerpen en/of messen op die [aangever 1] (die zich voor de woning bevond) af te rennen en/of
- ( vervolgens) met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [aangever 1] te slaan en (daarbij) op dreigende/intimiderende toon te roepen: “Ik schiet je nu dood. Ik schiet je nu dood”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- ( vervolgens) de woning binnen te dringen en/of te gaan en/of (daarbij) die [aangever 2] bij de schouders te pakken en (opzij) te duwen en/of
- ( vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een mes te richten op die [aangever 2] , waarbij die [aangever 2] (tijdens een hierop ontstane vechtpartij) geraakt werd door het mes in zijn hand en/of in zijn gezicht en/of
- ( vervolgens) die [aangever 2] met een mes in de rug, althans in het lichaam, te steken en/of
- tegen die [aangever 1] op dreigende/intimiderende toon te roepen (zakelijk weergegeven) "Waar is de kluis en waar is het geld?" en/of
- die [aangever 1] en/of [aangever 2] te dwingen op de grond te liggen door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [aangever 1] en/of die [aangever 2] te richten en/of (daarbij) op dreigende/intimiderende toon te zeggen: “Ik schiet jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- een ketting van de hals van die [aangever 2] af te trekken.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het wegnemen van het horloge en de gouden sieraden, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bevat.
Op specifieke bewijsverweren wordt – voor zover relevant – hieronder nader ingegaan.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3.1
Het wegnemen van een goed
In onderhavige zaak is een gekwalificeerde diefstal, namelijk diefstal met geweld ex artikel 312 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr) ten laste gelegd. Voor een veroordeling ter zake van het gronddelict diefstal (artikel 310 Sr Pro) van een aan een ander toebehorend goed is onder meer vereist dat de dader zich de feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken. Of daarvan sprake is, is mede afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard.
Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat zij – nadat er tegen haar was geschreeuwd dat zij haar horloge moest afdoen en zij op haar hoofd geslagen was – haar horloge en tas heeft afgegeven. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het afgeven van deze goederen valt onder wegnemen zoals bedoeld in artikel 310 Sr Pro. Nu de overvallers zich na deze overdracht zodanige feitelijke heerschappij over dat horloge en die tas hebben verschaft, beantwoordt de rechtbank die vraag positief. Het feit dat een goed door de rechthebbende aan een dader wordt overhandigd en er dus enige vorm van medewerking van de rechthebbende was, hoeft niet aan wegneming in de weg te staan.
Voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat, zoals ook blijkt uit de bewijsmiddelen, ten aanzien van alle goederen sprake is geweest van diefstal. Nu in onderhavig geval ook gebruik is gemaakt van geweld door de overvallers, is sprake van gekwalificeerde diefstal, zijnde diefstal met geweld (artikel 312 Sr Pro).
3.3.2
Diefstal Cartier horloge en gouden sieraden
De raadsman heeft ter zitting naar voren gebracht dat de diefstal van het Cartier horloge en de gouden sieraden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat dit alleen wordt ondersteund door de verklaring van [aangever 1] .
De rechtbank gaat voorbij aan dat verweer en komt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wel tot een bewezenverklaring van de diefstal van het Cartier horloge en de gouden sieraden. Zij overweegt daartoe als volgt. De verklaring van [aangever 1] is kort na de overval afgelegd en is zeer gedetailleerd en betrouwbaar. Daarnaast heeft de verdachte erkend dat zij de woning binnen gingen met als doel de diefstal van dure spullen, waaronder horloges. De rechtbank weegt verder mee dat het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geldt voor de tenlastelegging als geheel en niet voor ieder afzonderlijk onderdeel. De verklaring van [aangever 1] over het horloge en de sieraden, in samenhang bezien met het motief van de overvallers om dure spullen uit de woning mee te nemen, vindt de rechtbank daarom voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van de diefstal van het horloge en de gouden sieraden.
3.3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 Sv Pro volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoek 30TRAJET / DH3R024061, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 1416).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 21 juni 2024, (p. 41-44):
3. Het proces-verbaal van bevindingen (aangifte [aangever 1] ), opgemaakt op 25 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 128-130).
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 20 juni 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen,
- een horloge en
- een tas (met inhoud onder andere een paspoort en een zonnebril) en
- meerdere bankpassen en
- een pandbewijs (van sieraden) en
- meerdere sieraden,
die aan [aangever 1] en [aangever 2] toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- met op vuurwapens gelijkende voorwerpen en messen op die [aangever 1] (die zich voor de woning bevond) af te rennen en
- met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [aangever 1] te slaan en daarbij op dreigende toon te roepen: “Ik schiet je nu dood. Ik schiet je nu dood” en
- vervolgens de woning binnen te dringen en daarbij die [aangever 2] bij de schouders te pakken en te duwen en
- vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een mes te richten op die [aangever 2] , waarbij die [aangever 2] (tijdens een hierop ontstane vechtpartij) geraakt werd door het mes in zijn hand en in zijn gezicht en
- vervolgens die [aangever 2] met een mes in de rug te steken en
- tegen die [aangever 1] op dreigende toon te roepen "Waar is de kluis en waar is het geld?" en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [aangever 1] en die [aangever 2] te richten en daarbij op dreigende toon te zeggen: “Ik schiet jullie neer” en
- een ketting van de hals van die [aangever 2] af te trekken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, gelet op de ernst van het feit en rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr Pro, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 229 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij een first offender is en dat er sprake is van een zwakbegaafd intelligentieniveau. Ook dient rekening gehouden te worden met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr Pro. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) gevolgd dient te worden, zijnde een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast kan een taakstraf in de vorm van een werkstraf worden opgelegd, waarbij de raadsman opmerkt dat een taakstraf van lange duur lastig te combineren is met de andere bezigheden van zijn cliënt.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als zeventienjarige samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een woning. Op het moment dat de moeder van het nietsvermoedende gezin haar auto ’s avonds op de oprit parkeerde, zijn drie overvallers uit een wit busje richting het slachtoffer en de woning gerend. Voor de woning is de moeder met een (nep)vuurwapen geslagen en zijn spullen van haar afgenomen. De oudste zoon heeft, uit angst dat zijn moeder iets zou overkomen, de voordeur opengedaan en de overvallers zijn gewapend met messen en (nep)vuurwapens de woning binnengedrongen. Bij het betreden van de woning is de zoon door de overvallers meerdere keren gestoken. Twee van de overvallers zijn boven naar waardevolle spullen gaan zoeken en één van hen is beneden bij de moeder en de zoon gebleven. Zij moesten op de grond zitten terwijl zij onder schot werden gehouden. In de woning waren op dat moment nog twee andere kinderen aanwezig. Zij hebben de overval vanaf een bovenverdieping meegemaakt en zijn ook geconfronteerd met één van de overvallers die op zoek was naar goederen.
De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval, zeker als deze gepaard gaat met geweld, vergaande gevolgen voor de slachtoffers heeft. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de vorderingen van de benadeelde partijen en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen waaruit volgt dat de gebeurtenis grote negatieve gevolgen heeft voor het gezin. Zij zijn allen zeer angstig geworden, hebben slaapproblemen en herbelevingen. Ook heeft de oudste zoon lang moeten herstellen van zijn verwondingen en heeft hij littekens overgehouden aan de steekletsels. Daarnaast is de impact van het handelen van de verdachten ook op de rest van de samenleving voelbaar. Het brengt gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee. Nog meer geldt dit voor de buren, waarvan sommige direct zijn geconfronteerd met de gevolgen van de gewelddadige overval. Over de gevolgen voor het gezin en voor anderen heeft de verdachte niet nagedacht. Hij heeft enkel gehandeld vanuit een financieel motief, voor eigen gewin. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.
De rechtbank herkent in deze zaak een modus operandi waarbij jongens - regelmatig met een cognitieve beperking - via sociale media worden geronseld voor het uitvoeren van ernstige misdrijven. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wie de verdachten heeft geronseld of van wie de opdracht voor de woningoverval komt. De rechtbank begrijpt dat die onduidelijkheid, in het bijzonder voor de slachtoffers, moeilijk te verteren is.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 15 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte na het plegen van het strafbare feit veroordeeld is voor het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, een diefstal met geweld in vereniging en een schuldheling. Dit betekent dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 14 mei 2026 van de Raad en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt dat de verdachte sinds zijn voorlopige hechtenis in het kader van een ander strafbaar feit een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De verdachte heeft goed contact met de jeugdreclasseerder, heeft een nieuwe (begeleide) woonplek, een stageplek en volgt onderwijs. In het kader van de onherroepelijke veroordeling van 26 februari 2026 heeft de verdachte verschillende bijzondere voorwaarden opgelegd gekregen voor de komende twee jaar, waaronder een meldplicht, het meewerken aan (ambulante) behandeling bij [hulpverlener 1] en [hulpverlener 2] , het verblijven bij [instelling] , het hebben van een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding en het meewerken aan controle via een enkelband. Dit maakt dat de Raad geen aanleiding ziet om nu extra begeleiding op te leggen en daarom adviseert hij een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de algemene voorwaarde, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Het terugsturen van de verdachte naar de gevangenis zal slechts een negatief effect hebben op de positieve ontwikkelingen van de verdachte. Daarnaast adviseert de Raad, gelet op de ernst van het feit, een werkstraf in de vorm van een taakstraf, zodat de verdachte ook consequenties van zijn gedrag ervaart. Ten aanzien van het contactverbod heeft de deskundige van de Raad geadviseerd dat zij zich kan voorstellen dat dit prettig is voor de slachtoffers, maar dat de verdachte niet meer in Den Haag komt. Ook is er geen aanleiding om een contactverbod met de medeverdachten op te leggen, omdat hij daar geen contact meer mee heeft.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Jeugdbescherming Regio Amsterdam van 14 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige is gegeven. Daaruit volgt dat de verdachte vanwege zijn lagere intelligentieniveau veel maatwerk nodig heeft. Dit betekent dat de verdachte en de jeugdreclasseerder veel contact hebben en er veel begeleiding en ondersteuning is. De systeemtherapie is tijdelijk stopgezet, omdat het op praktisch niveau niet lukte om afspraken in te plannen met alle broertjes en de moeder. Op termijn zal daar wel weer mee gestart worden. Verder wordt de verdachte ook ondersteund door een coach en die heeft er onder andere mee geholpen dat de verdachte terug kon naar zijn voormalige school.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met 7 maanden overschreden, nu de verdachte op 3 juli 2024 is aangehouden. De rechtbank heeft deze ruime overschrijding in strafmatigende zin meegewogen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daaruit volgt dat voor een overval op een woning vanaf zes maanden jeugddetentie wordt opgelegd. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte dit feit samen met anderen heeft gepleegd, dat er meerdere wapens zijn gebruikt en dat één van de bewoners ernstig gewond is geraakt. Het feit dat de verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt, doet daar niets aan af omdat sprake is geweest van zo’n nauwe en bewuste samenwerking dat ook hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gepleegde geweld. Op basis van het voorgaande neemt de rechtbank een jeugddetentie van 10 maanden jeugddetentie als uitgangspunt.
Gelet op de ernst van het feit en hetgeen hiervoor is beschreven wordt aan de verdachte in ieder geval een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd. Wel ziet de rechtbank in de zeer positieve ontwikkelingen die de verdachte doormaakt aanleiding om – ondanks dat de ernst van het feit een lange onvoorwaardelijke jeugddetentie zonder meer zou rechtvaardigen – het onvoorwaardelijke deel gelijk te stellen aan wat de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Een stevig voorwaardelijk deel moet de verdachte weerhouden om in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. De rechtbank is van oordeel dat een jeugddetentie van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 121 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Hierbij zal de rechtbank volstaan met het opleggen van de algemene voorwaarde, nu de verdachte bij zijn onherroepelijke veroordeling van 24 februari 2026 door de rechtbank Amsterdam een groot pakket aan bijzondere voorwaarden opgelegd heeft gekregen. De rechtbank begrijpt dat de slachtoffers, zoals blijkt uit hun slachtofferverklaringen, het liefst zien dat de verdachte voor een lange tijd naar de gevangenis zou gaan, maar de rechtbank is er van overtuigd dat, zoals ook door de deskundigen wordt onderschreven, de maatschappij uiteindelijk beter beveiligd wordt door het opleggen van een voorwaardelijke straf zodat de verdachte met het hele pakket aan bijzondere voorwaarden aan de slag kan gaan. Zodoende krijgt de verdachte de juiste behandeling en begeleiding om zich op een positieve manier te ontwikkelen. De rechtbank ziet geen aanleiding een contactverbod met de slachtoffers dan wel medeverdachten op te leggen, omdat hij niet in Den Haag komt en geen contact meer heeft met de medeverdachten. Wel zal er aan de verdachte nog een forse werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen jeugddetentie, worden opgelegd. De rechtbank legt deze werkstraf naast de jeugddetentie op om uitdrukking te geven aan de ernst van het feit en omdat het belangrijk is dat de verdachte de consequenties van zijn gedrag ervaart.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. L.C. van Leeuwen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[aangever 1] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. L.C. van Leeuwen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 15.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit € 7.200,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
[aangever 3] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. L.C. van Leeuwen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij alle vorderingen is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen in zijn geheel, en ook hoofdelijk, dienen te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade door [aangever 1] voor het gestolen horloge dient te worden afgewezen, nu hij van mening is dat niet bewezen kan worden dat dit goed is weggenomen.
Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade door [aangever 1] en [aangever 3] gematigd dient te worden, omdat uit de Rotterdamse schaal een bandbreedte van € 3.000,- tot € 8.000,- blijkt (paragraaf 19.1 onder a). In onderhavige zaak zou geen hoger bedrag moeten worden toegewezen, omdat er bijvoorbeeld geen sprake is van het scheiden van de slachtoffers en de overval slechts enkele minuten heeft geduurd. Ten aanzien van [aangever 3] geldt tevens dat zij slechts zeer beperkt met de overvallers is geconfronteerd en zij niet is bedreigd of gewond is geraakt. Tot slot merkt de raadsman op dat de immateriële schade van [aangever 1] en [aangever 3] niet met medische stukken is onderbouwd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1
Vordering [aangever 2]
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen
De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd wat de gevolgen van het strafbare feit zijn geweest. Uit de vordering tot schadevergoeding en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij fysiek letsel aan zijn rug, hand en gezicht heeft opgelopen als gevolg van het gebruikte geweld en hij daaraan meerdere littekens heeft overgehouden. Daarnaast is de benadeelde partij nog steeds angstig, heeft hij herbelevingen, moeite met slapen en is zijn veiligheidsgevoel aangetast. De rechtbank zal de vordering, die niet is betwist door de raadsman, in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 10.000,-.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit hoofdelijk zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 10.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
7.3.2
Vordering [aangever 1]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden, nu het horloge is weggenomen tijdens de gewapende overval. Ook is de vordering voldoende onderbouwd met verschillende documenten over het horloge. Dit betekent dat de materiële schade geheel zal worden toegewezen tot een bedrag van € 7.200,-.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In dit geval wordt een beroep gedaan op de in het voornoemde wetsartikel genoemde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Daarvan is in ieder geval sprake indien iemand geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde stress- en angstklachten heeft en last heeft van nachtmerries en herbelevingen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de vordering geen nadere onderbouwing behoeft in de vorm van bijvoorbeeld medische stukken, zoals een verslag van een psycholoog of huisarts. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen, nu het gevorderde bedrag voldoende aansluit bij de bandbreedte van de Rotterdamse schaal (punt 19.1 onder a). De rechtbank zal de geleden immateriële schade geheel toewijzen tot een bedrag van € 8.000,-.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering geheel toewijzen tot een bedrag van € 15.200,-, bestaande uit € 7.200,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit hoofdelijk zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 15.200,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 1] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
7.3.3
Vordering [aangever 3]
Immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In dit geval wordt een beroep gedaan op de in het voornoemde wetsartikel genoemde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Daarvan is in ieder geval sprake indien iemand geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde
feit. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde tot op heden zeer angstig is, haar gevoel van veiligheid is aangetast en zij slaap- en concentratieproblemen heeft. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de vordering geen nadere onderbouwing behoeft in de vorm van bijvoorbeeld medische stukken, zoals een verslag van een psycholoog of huisarts. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen, nu dit bedrag aansluit bij de ondergrens van de Rotterdamse schaal (punt 19.1 onder a) en dus is meegewogen dat de benadeelde beperkt is geconfronteerd met de overval en niet is bedreigd/gewond is geraakt. De rechtbank zal de immateriële schade geheel toewijzen tot een bedrag van € 3.000,-.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 juni 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal de verdachte hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden begroot op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit hoofdelijk zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 3.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 3] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
200 (TWEEHONDERD) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten
79 dagen, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf,
zijnde 121 (honderdeenentwintig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
200 (TWEEHONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
100 (HONDERD) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 10.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 20 juni 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 15.200,-, bestaande uit € 7.200,- aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 20 juni 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.200,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 3.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 20 juni 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Koole, kinderrechter, voorzitter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
en mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.