ECLI:NL:RBDHA:2026:16963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
09/304567-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor voorbereidingshandelingen met harddrugs en chemische stoffen

De rechtbank Den Haag heeft op 19 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die op 31 juli 2025 dozen met chemische stoffen en laboratoriumapparatuur vervoerde, bestemd voor de productie van MDMA, metamfetamine en DMT. De verdachte voerde aan niet te weten wat hij vervoerde, maar dit werd door de rechtbank verworpen op basis van onder meer post-its met chemische namen in zijn auto en het dragen van handschoenen bij het uitladen.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van harddrugs. Medeplegen werd niet bewezen verklaard. De ernst van het feit, het strafblad van de verdachte, waaronder een eerdere veroordeling voor een soortgelijk misdrijf en het feit dat hij in voorwaardelijke invrijheidstelling verkeerde, werden meegewogen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 32 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Een geldboete werd niet opgelegd omdat niet duidelijk was wat de baten voor de verdachte waren. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. De straf wordt volledig binnen de penitentiaire inrichting uitgevoerd, met mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens voorbereidingshandelingen met harddrugs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/304567-25
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Vermeulen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Nootdorp en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen,
van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten MDMA en/of metamfetamine en/of DMT,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- meerdere jerrycans (totaal ongeveer 97 liter) bevattende vloeistof, (waaronder formaldehyde, zoutzuur, ethanol, methanol, dichloormethaan en/of aardoliedestilaat,) en/of
- een zak en/of een of meer potten bevattende poeder (natriumboorhydride, tryptamine en/of azijnzuur), en/of
- een verdun-/verdeelunit (laboratoriumapparatuur), en/of
- meerdere pipetten, tips voor pipetten, een (Buchner) trechter en/of een scheitrechter.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het ten laste gelegde medeplegen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Vast staat dat de verdachte op 31 juli 2025 dozen vervoerde van Nootdorp naar Den Haag. Ook staat vast dat in die dozen de ten laste gelegde goederen zaten. Die goederen zijn naar hun aard bedoeld om een drugsfeit voor te bereiden. Door de verdachte en zijn raadsvrouw is betoogd dat de verdachte niet wist dat hij deze goederen vervoerde. De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
In de eerste plaats zijn er in de auto van de verdachte in de linker portierdeur twee post-its gevonden. Op de post-its stonden handgeschreven teksten als “formic acid”, “Phosphoric”, “HCl” en “Etha” met daarbij genoemd hoeveelheden, prijzen en percentages. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de op de post-its geschreven teksten chemische stoffen betreffen die, net als de chemische stoffen en goederen die in de dozen zaten, gebruikt kunnen worden bij het vervaardigen van drugs. De verdachte heeft hierover verklaard dat deze post-its oud zijn, dat hij niet wist dat zij daar lagen en dat hij deze enkele maanden eerder van zijn oude auto heeft verplaatst naar zijn op dat moment nieuwe auto. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk, nu de post-its zijn aangetroffen in de linker portierdeur en de verdachte niet heeft kunnen uitleggen wat de betekenis was van de aantekeningen op de post-its en waarom hij deze in zijn nieuwe auto heeft gelegd. Evenmin heeft de verdachte kunnen uitleggen waarom hij op 31 juli 2025, midden in de zomer, bij het uitladen van de dozen uit zijn auto bij de [straatnaam] te ’s-Gravenhage handschoenen droeg. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij die avond eigenlijk een andere afspraak had, maar dat hij toch, zonder daarvoor betaald te worden, de dozen heeft vervoerd en vervolgens drie uur met onbekenden heeft doorgebracht in de woning aan de [straatnaam] in Den Haag en heeft verbleven in de woonkamer die op dezelfde verdieping was als de slaapkamer waar de dozen waren neergezet. De verdachte heeft niet kunnen uitleggen waarom hij deze afweging gemaakt heeft. Hier komt nog bij dat voor de verklaring die de verdachte pas ter terechtzitting heeft afgelegd, namelijk dat hij enkel spullen dacht te vervoeren voor een kennis die hem dit had gevraagd te doen voor zijn glazenwassersbedrijf, geen enkele aanknopingspunten zijn te vinden in het dossier. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat hij drugsgerelateerde goederen vervoerde. De rechtbank acht het ten laste gelegde in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van het ten laste gelegde medeplegen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 31 juli 2025 te Nootdorp en 's-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden en
- het opzettelijk vervaardigen,
van middel
lenals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten MDMA en metamfetamine en DMT,
- zich middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen, vervoermiddelen
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- meerdere jerrycans (totaal ongeveer 9
liter) bevattende vloeistof, (waaronder, zoutzuur, ethanol, methanol, dichloormethaan en aardoliedestil
laat,) en
- een zak en potten bevattende poeder (natriumboorhydride, tryptamine en azijnzuur), en
- een verdun-/verdeelunit (laboratoriumapparatuur), en
- meerdere pipetten, tips voor pipetten, een (Buchner) trechter en een scheitrechter;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een geldboete van € 7.500,-.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een taakstraf van 240 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Ook heeft zij aangevoerd dat een geldboete niet geïndiceerd is, omdat niet is gebleken van geldelijk gewin.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs. Hij heeft een groot aantal chemische stoffen en instrumenten vervoerd die noodzakelijk zijn voor deze productie. De verdachte heeft daarmee een essentiële rol vervuld in het productieproces. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van en de handel in harddrugs direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en veroorzaakt daarmee veel overlast voor de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte op 11 juli 2023 nog is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk misdrijf. Ook weegt de rechtbank ten nadele van de verdachte mee dat hij tijdens het plegen van onderhavig misdrijf in een voorwaardelijke invrijheidstelling liep.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 10 maart 2026. De reclassering heeft geadviseerd om bij veroordeling van de verdachte hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, aangezien zij langs deze weg geen mogelijkheden tot risicobeperking of gedragsverandering ziet.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. Kort samengevat heeft de verdachte verklaard dat hij samen met zijn vrouw de dagelijkse zorg draagt voor hun gehandicapte zoon die 24 uur per dag zorg en toezicht nodig heeft.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte, zoals hierboven uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte maken dit, mede gelet op de eerdere veroordelingen op zijn strafblad, niet anders. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen om enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. De duur van het voorarrest zal hiervan worden afgetrokken.
Anders dan door de officier van justitie is geëist, ziet de rechtbank geen aanleiding om een (afroom)geldboete aan de verdachte op te leggen, nu niet duidelijk is geworden wat de baten voor de verdachte zijn geweest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht;
- 10 a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, zich middelen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
32 (TWEEËNDERTIG) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
12 (TWAALF) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. N.T.G. Levelt en R.J. Groeneveld, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2026.