ECLI:NL:RBDHA:2026:16968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/700618 / KG ZA 26-221
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag en afwijzing ontruimingsvordering in huurgeschil pand Wassenaar

In deze kortgedingprocedure vordert Hotel Wassenaar opheffing van het conservatoir beslag dat door de eigenaar van het pand, [partij B], is gelegd onder Flexible Real Estate B.V. (FRE). Het beslag werd gelegd wegens een geschil over de huur en het gebruik van het pand, dat bestaat uit een hotel- en restaurantgedeelte. [partij B] stelt dat de huurovereenkomsten onrechtmatig zijn omdat zijn zoons zonder zijn toestemming het pand hebben verhuurd en onderverhuurd.

De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de vertegenwoordiging van [partij B] bij het sluiten van de huurovereenkomsten, maar dat Hotel Wassenaar gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de vertegenwoordiging. De belangenafweging leidt tot opheffing van het beslag omdat Hotel Wassenaar door het beslag ernstige liquiditeitsproblemen ondervindt.

In reconventie vordert [partij B] ontruiming van het pand. De rechtbank wijst deze vordering af omdat het een vergaande maatregel betreft die alleen bij spoedeisend belang en grote waarschijnlijkheid van toewijzing in een bodemprocedure kan worden toegewezen. Dit is niet aannemelijk gemaakt. [partij B] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt opgeheven en de vordering tot ontruiming van het pand wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700618 / KG ZA 26-221
Vonnis in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van
Hotel Wassenaar B.V.te Wassenaar,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. A. de Groot te Den Haag,
tegen:
[partij B]te [woonplaats] , [land] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. [advocaat] te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Hotel Wassenaar’ en ‘ [partij B] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de concept-dagvaarding met producties 1 tot en met 7, waarop [partij B] vrijwillig in dit kort geding is verschenen;
- de door Hotel Wassenaar overgelegde producties 8 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 18;
- de door [partij B] overgelegde productie 19;
- de op 31 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[partij B] is eigenaar van (de appartementsrechten in) de onroerende zaak gelegen aan de [adres] (hierna: het pand). Het pand bestaat uit twee gedeelten: een hotelgedeelte en een gedeelte dat voorheen een restaurant was.
2.2.
Vanaf 30 december 2016 was een zoon van [partij B] , [zoon 1] , indirect (via [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] )) aandeelhouder van Hotel Wassenaar. Per 17 januari 2017 is de andere zoon van [partij B] , [zoon 2] , ook indirect (via [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] )) aandeelhouder geworden van Hotel Wassenaar.
2.3.
Met ingang van 1 januari 2017 huurde [bedrijfsnaam 1] het (volledige) pand van [partij B] , voor een huurprijs van € 8.000,= per maand. Deze huurovereenkomst is op 2 augustus 2019 schriftelijk vastgelegd. In een aanvulling bij deze overeenkomst staat dat [partij B] verklaart
“akkoord te gaan met de onderhuur van het gehuurde aan een organisatie die er buitenlandse arbeiders (m/v) wil huisvesten. Aan een andere partij de verhuur van een restaurant.”
2.4.
Hoewel de huurovereenkomst ten aanzien van het pand is gesloten tussen [partij B] en [bedrijfsnaam 1] , exploiteerden de zoons van [partij B] (het hotelgedeelte van) het pand, met medeweten van [partij B] , via Hotel Wassenaar.
2.5.
Hotel Wassenaar (onder)verhuurde het hotelgedeelte van het pand met ingang van 1 juli 2018 aan [bedrijfsnaam 3] B.V., ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten. Deze huurovereenkomst is op enig moment geëindigd.
2.6.
Ten behoeve van de exploitatie van het restaurantgedeelte van het pand hebben de zoons van [partij B] (indirect, via hun B.V.’s) op 11 augustus 2021 [bedrijfsnaam 4] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 4] ) opgericht.
2.7.
Op 1 december 2021 hebben de zoons van [partij B] de aandelen in Hotel Wassenaar verkocht aan [bedrijfsnaam 5] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 5] ). Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 5] is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
2.8.
In een schriftelijke stuk met de aanhef ‘model huurovereenkomst winkelruimte’ staat dat [partij B] als verhuurder het hotelgedeelte van het pand verhuurt aan Hotel Wassenaar met ingang van 1 december 2021, voor een huurprijs van € 8.000,= per maand. In het document staat dat het op 25 november 2021 is ondertekend, voor [partij B] door [zoon 1] en voor Hotel Wassenaar door [naam 1] .
2.9.
In een schriftelijk stuk, met de aanhef ‘model huurovereenkomst winkelruimte’ staat dat [partij B] als verhuurder het restaurantgedeelte van het pand met ingang van 1 april 2022 verhuurt aan [bedrijfsnaam 4] als huurder, voor een huurprijs van € 1.500,= per maand. In het document staat dat het is ondertekend op 11 augustus 2021 door [partij B] en door [zoon 2] namens [bedrijfsnaam 4] .
2.10.
De aandelen in [bedrijfsnaam 4] B.V. zijn op 17 juni 2022 eigendom geworden van [bedrijfsnaam 5] .
2.11.
Op verzoek van Hotel Wassenaar is aan haar door de gemeente Wassenaar op 30 november 2022 een omgevingsvergunning verstrekt om het restaurantgedeelte te verbouwen tot 15 studio’s. Hotel Wassenaar heeft die verbouwing vervolgens ook uitgevoerd.
2.12.
Hotel Wassenaar is met ingang van 1 maart 2023 een huurovereenkomst aangegaan met Flexible Real Estate B.V. (hierna: FRE) ter zake van het hotel- én het restaurantgedeelte van het pand. FRE heeft het gehuurde op haar beurt ter beschikking gesteld aan haar zustervennootschap Liderjob B.V. (hierna: Liderjob). Liderjob gebruikt het pand voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
2.13.
Op verzoek van [naam 1] is de huur voor het restaurantgedeelte sinds oktober 2023 gefactureerd aan Hotel Wassenaar.
2.14.
[bedrijfsnaam 4] is op 5 december 2024 opgehouden te bestaan.
2.15.
Bij dagvaarding van 19 februari 2025 zijn FRE en Liderjob namens [partij B] , vertegenwoordigd door mr. A.A.S. Wiesmeier-van der Brugge (hierna: Wiesmeier) gedagvaard in kort geding. Namens [partij B] is in dat kort geding gevorderd dat FRE en Liderjob worden veroordeeld tot ontruiming van het restaurantgedeelte van het pand. Namens [partij B] is ter onderbouwing van die vordering gesteld dat het gebruik van het restaurantgedeelte door FRE en Liderjob is gebaseerd op onrechtmatige (onder)verhuur door Hotel Wassenaar, waaraan [partij B] niet is gebonden. Hotel Wassenaar heeft zich in dit kort geding gevoegd aan de zijde van FRE en Liderjob. Bij vonnis van 20 maart 2025 is het namens [partij B] gevorderde afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter het verweer van FRE, Liderjob en Hotel Wassenaar gevolgd. Dat verweer hield in dat zij er destijds gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat een bij het sluiten van de onderhuurovereenkomst betrokken persoon, de heer [naam 2] , bevoegd was [partij B] te vertegenwoordigen en dus ook dat [partij B] akkoord ging met die onderhuur.
2.16.
Wiesmeier heeft namens [partij B] bij dagvaarding van 9 april 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 maart 2025. Wiesmeier heeft zich vervolgens op 30 september 2025 onttrokken als advocaat, waarna mr. [advocaat] zich als advocaat voor [partij B] heeft gesteld. Vervolgens heeft [partij B] gesteld dat hij nooit opdracht heeft gegeven voor de procedure, dat hij Wiesmeier niet kent en dat hij nooit contact met haar heeft gehad. [partij B] stelt dat hij de algemene volmacht van 1 juli 2021 aan zijn zoons – die zich in het dossier bevindt – niet heeft ondertekend. Hij verzoekt hem niet-ontvankelijk te verklaren, hetgeen het gerechtshof Den Haag bij arrest van 13 januari 2025 heeft gedaan.
2.17.
Wiesmeier heeft bij dagvaarding van 6 augustus 2025 namens [partij B] ook een bodemprocedure tegen Hotel Wassenaar, [bedrijfsnaam 4] (in liquidatie), [naam 1] , FRE en Liderjob bij de kantonrechter van deze rechtbank aanhangig gemaakt. Daarin heeft Wiesmeier namens [partij B] gevorderd de huurovereenkomst – ten aanzien van het hotelgedeelte – tussen hem en Hotel Wassenaar en – ten aanzien van het restaurantgedeelte – tussen hem en [bedrijfsnaam 4] en haar bestuurder te ontbinden. Tevens strekte de vordering tot ontruiming van zowel het hotelgedeelte als het restaurantgedeelte van het pand. Ook in deze bodemprocedure heeft Wiesmeier zich onttrokken en heeft mr. [partij B] namens [partij B] op dezelfde gronden als hiervoor onder 2.16 genoemd gevraagd om niet-ontvankelijkverklaring. Bij vonnis van 26 februari 2026 is [partij B] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.
2.18.
Op 7 november 2025 heeft (mr. [advocaat] namens) [partij B] aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om ten laste van Hotel Wassenaar conservatoir beslag te mogen leggen onder FRE. [partij B] heeft aan dit verzoek het volgende ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven:
[partij B] stelt dat hij het pand heeft verhuurd aan [bedrijfsnaam 1] , die nooit huur heeft betaald. Op enig moment zijn de verhoudingen tussen [partij B] en zijn zoons gebrouilleerd geraakt. [partij B] heeft geprobeerd de verhoudingen te normaliseren, maar dat had geen resultaat. Eind augustus 2025 heeft [partij B] een advocaat in Nederland benaderd om rechtsmaatregelen te treffen tegen de huurder. Toen is hij voor het eerst bekend geworden met het vonnis in kort geding van 20 maart 2025. [partij B] kent Wiesmeier en de andere partijen die in het vonnis van 20 maart 2025 worden genoemd niet. Hij heeft geen enkele betrokkenheid bij verhuur van zijn pand aan anderen dan [bedrijfsnaam 1] , en de in dat kader gegeven toestemming voor onderhuur [1] . Volgens [partij B] heeft [bedrijfsnaam 1] zelf het feitelijke gebruik van het pand gestaakt en via een stelsel van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels het gebruik op onrechtmatige wijze ter beschikking gesteld aan een derde. Er zijn in dit kader overeenkomsten door de zoons namens [partij B] getekend, waaruit zijn instemming met de gang van zaken zou blijken. Echter de machtigingen op grond waarvan zijn zoons namens hem handelen zijn nooit door [partij B] afgegeven. [partij B] heeft Hotel Wassenaar op 23 september 2025 laten weten dat hij de rechtshandelingen die namens hem zijn verricht niet bekrachtigt, zodat hij niet gebonden is aan de huurovereenkomsten tussen hem en Hotel Wassenaar. Hotel Wassenaar heeft het pand vanaf 1 december 2021 onrechtmatig in gebruik en dat levert een onrechtmatige daad op jegens [partij B] . De schade die [partij B] hierdoor lijdt bestaat uit het verkregen voordeel uit het onrechtmatige gebruik, zijnde de huuropbrengsten uit de verhuur aan FRE, en uit de onrechtmatig aangebrachte bouwkundige wijzigingen in het pand.
Het gevraagde verlof is op 12 november 2025 verleend, met begroting van de vordering op € 1.690.000,=. Het conservatoire beslag is op 14 november 2025 gelegd.
2.19.
Bij dagvaarding van 25 november 2025 heeft [partij B] Hotel Wassenaar en [naam 1] gedagvaard in een procedure ten overstaan van de kantonrechter van deze rechtbank. In deze procedure (hierna ook: de bodemprocedure) vordert [partij B] Hotel Wassenaar en [naam 1] hoofdelijk te veroordelen tot:
betaling van € 3.077.032,38 te vermeerderen met het bedrag van alle toekomstige huurtermijnen vanaf 1 december 2025 zoals deze op grond van de huurovereenkomst tussen Hotel Wassenaar en FRE van 1 maart 2023 verschuldigd zullen worden, totdat die huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;
het staken en gestaakt houden van het onrechtmatige gebruik van het pand.
Hotel Wassenaar en [naam 1] hebben in deze procedure verweer gevoerd en een incidentele vordering opgeworpen. De procedure staat momenteel voor vonnis in het incident op 16 april 2026.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Hotel Wassenaar vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter:
  • primairhet conservatoir derdenbeslag opheft,
  • subsidiairhet beslag gedeeltelijk opheft gelijk aan het tot en met februari 2026 getroffen beslag of anderszins met een in goede justitie te bepalen ordemaatregel,
  • meer subsidiairwijziging in het beslag aanbrengt op basis van een herbegroting van de vordering gelijk aan het tot en met februari 2026 getroffen beslag,
  • danwel –
alles met veroordeling van [partij B] in de kosten van dit geding.
3.2.
Daartoe voert Hotel Wassenaar – kort samengevat – aan dat de vordering van [partij B] summierlijk ondeugdelijk is. Hotel Wassenaar mocht vertrouwen op bevoegde vertegenwoordiging van [partij B] in Nederland en van een toerekenbare tekortkoming waarop schadevergoeding valt te baseren is geen sprake. Bovendien is de omvang van de vordering excessief en raakt deze vanuit boekhoudkundig oogpunt kant nog wal, omdat deze is gebaseerd op omzet, zonder rekening te houden met kosten en lasten. Tot slot moet ook een belangenafweging leiden tot opheffing van het beslag. Het beslag raakt de liquiditeit van Hotel Wassenaar en zij kan haar bedrijfsvoering niet veel langer volhouden.
3.3.
[partij B] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – Hotel Wassenaar te veroordelen het pand te ontruimen en ontruimd te houden en om het pand met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking te stellen van [partij B] , met veroordeling van Hotel Wassenaar in de proceskosten.
3.5.
Daartoe voert [partij B] – samengevat – het volgende aan. Hotel Wassenaar gebruikt het pand onrechtmatig. [partij B] is eigenaar van het pand en hoeft het verdere gebruik door Hotel Wassenaar niet te dulden. Hij wil de controle over zijn eigendom zo snel mogelijk in eigen hand (terug)krijgen, zodat hij met uitsluiting van een ieder gebruik kan maken van zijn registergoed. Iedere dag waarop de huidige situatie voortduurt, lijdt [partij B] schade. [partij B] heeft er spoedeisend belang bij dat de voortdurende inbreuk op zijn eigendomsrecht zo snel mogelijk eindigt, onder meer omdat momenteel geen opstalverzekering voor het pand kan worden afgesloten.
3.6.
Hotel Wassenaar voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie
4.1.
Ter beoordeling ligt voor of er aanleiding is het conservatoire beslag op te heffen. Op grond van artikel 705 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoir beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter wijst erop dat de opheffingsgronden genoemd in artikel 705 lid 2 Rv Pro niet limitatief zijn. Bij de beoordeling van de opheffingsvordering moet altijd een afweging van de wederzijdse belangen plaatsvinden. Die belangenafweging kan er toe kan leiden dat ook in geval een beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, het beslag niet wordt opgegeven en anderzijds kan zich voordoen dat een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende grond bestaat om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.
4.2.
[partij B] heeft als primair verweer gevoerd dat er geen sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van Hotel Wassenaar. Dit verweer wordt gepasseerd, nu het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering. De omstandigheid dat Hotel Wassenaar niet eerder een kort geding tot opheffing van het beslag is gestart, maakt dat niet anders. Hotel Wassenaar beoogde eerder om in de bodemprocedure de opheffing van het beslag te bewerkstelligen. Toen bleek dat de in die procedure geplande mondelinge behandeling in februari 2026 niet doorging, is zij alsnog dit kort geding gestart. Het hierdoor ontstane tijdsverloop ontneemt Hotel Wassenaar niet het recht of het belang haar vordering aan de voorzieningenrechter voor te leggen.
4.3.
De stellingen van partijen over de vraag of Hotel Wassenaar mocht uitgaan van de vertegenwoordiging van [partij B] in Nederland bij de totstandkoming van de overeenkomsten op grond waarvan Hotel Wassenaar het pand huurt en onderverhuurt lopen volstrekt uiteen. Over de feitelijke gang van zaken bij de totstandkoming van die overeenkomsten is binnen het bestek van dit kort geding nog veel onduidelijkheid blijven bestaan. Aan de zijde van Hotel Wassenaar is onduidelijk gebleven wat haar ten tijde van het sluiten van de relevante overeenkomsten precies en concreet gemeld is over vertegenwoordiging van [partij B] in Nederland en op welke concrete gronden zij van die vertegenwoordiging uit mocht gaan. Daar staat echter tegenover dat er diverse omstandigheden zijn geweest die duiden op een toereikende volmacht van [partij B] in Nederland. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op hetgeen hieromtrent in het vonnis van 20 maart 2025 [2] is overwogen. De omstandigheid dat [partij B] in die procedure nog door Wiesmeier werd vertegenwoordigd, brengt niet met zich dat de situatie rondom de vertegenwoordiging thans zo anders moet worden beschouwd dat uitgesloten kan worden dat Hotel Wassenaar ervan uit mocht gaan dat [partij B] vertegenwoordigd werd in Nederland. Daar komt nog bij dat [partij B] weinig inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen om jarenlang niet naar het pand om te kijken en er – uitgaande van zijn eigen stellingen – genoegen mee te nemen dat hij jarenlang geen huur ontving. Evenmin heeft [partij B] duidelijk gemaakt waarom hij op dit moment al zijn pijlen richt op Hotel Wassenaar en (in de bodemprocedure) [naam 1] , terwijl nergens uit blijkt dat hij zijn zonen ook aanspreekt op de onrechtmatige gedragingen die er toe hebben geleid dat Hotel Wassenaar volgens hem nu onrechtmatig het pand in gebruik heeft. Dat geeft voer voor de veronderstelling van Hotel Wassenaar dat er sprake is van ‘truc’ om alsnog – na afwijzing van de vorderingen in het eerste kort geding – ontruiming van het pand te bewerkstelligen.
4.4.
Op het antwoord op de vraag wie er in dit geschil uiteindelijk het gelijk aan zijn of haar zijde heeft, kan in dit kort geding niet vooruitgelopen worden evenmin als op het antwoord op de vraag wat de schade van [partij B] zou zijn indien er van de zijde van Hotel Wassenaar inderdaad sprake is geweest van onrechtmatig handelen. Wat daar ook van zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat een belangenafweging in dit geval en bij deze stand van zaken in het voordeel van Hotel Wassenaar uit moet vallen en ertoe moet leiden dat het beslag moet worden opgeheven. Hiertoe is het volgende redengevend.
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 1 december 2021 het hotelgedeelte van het pand en sinds 17 juni 2022 ook het restaurantgedeelte van het pand feitelijk niet meer in gebruik zijn bij (de vennootschappen van) de zoons van [partij B] , maar bij (de vennootschappen van) [naam 1] . Sindsdien is er jarenlang ongehinderd door de vennootschappen van [naam 1] gebruik gemaakt van het pand en heeft Hotel Wassenaar ingrijpende investeringen verricht om ook het restaurantgedeelte van het pand geschikt te maken voor verhuur aan arbeidsmigranten. [partij B] heeft zich kennelijk al die jaren niet om zijn pand bekommerd. Hotel Wassenaar heeft onweersproken gesteld dat haar enige bron van inkomsten de door FRE te betalen huurpenningen is. Die inkomstenbron is door het beslag volledig weggevallen, terwijl haar financiële verplichtingen wel doorlopen. Het is aannemelijk dat haar liquiditeit door deze situatie – die al vijf maanden gaande is – wordt bedreigd. Dit maakt het belang van Hotel Wassenaar bij opheffing van het beslag groot.
4.6.
Ten aanzien van het belang van [partij B] bij het beslag geldt het volgende. Ook als [partij B] wordt gevolgd in zijn stellingen dat sprake is van een huurovereenkomst waarin het pand via Hotel Wassenaar wordt geëxploiteerd en er sprake mag zijn van onderhuur aan een organisatie die er buitenlandse arbeiders wil huisvesten tegen een aanvangshuurprijs van € 8.000,= (zie onder 2.3 en 2.4), dan heeft [partij B] (naar eigen stellingen) geruime tijd geen inkomsten gehad uit het pand, maar is er kennelijk nooit eerder aanleiding geweest in te grijpen in de situatie. Het financiële belang lijkt daardoor – anders dan bij Hotel Wassenaar het geval is – voor [partij B] niet klemmend te zijn.
4.7.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen geeft de voorzieningenrechter doorslaggevende betekenis aan het belang van Hotel Wassenaar om gedurende de bodemprocedure de exploitatie van het pand ongehinderd voort te kunnen zetten zonder dat haar voortbestaan door liquiditeitsproblemen in gevaar komt De primaire vordering tot opheffing van het beslag zal daarom worden toegewezen. Dit zal overigens ook met zich brengen dat Hotel Wassenaar weer in staat is aan haar huurverplichtingen te voldoen, waardoor [partij B] in elk geval huuropbrengsten uit het pand zal verkrijgen. Kennelijk heeft Hotel Wassenaar deze tot nu toe niet rechtstreeks aan [partij B] voldaan, maar niet valt in te zien waarom zij dat in de toekomst niet alsnog zou kunnen doen.
4.8.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [partij B] vrijwillig in dit kort geding is verschenen, zijn er geen kosten voor de betekening van de dagvaarding gemaakt. De proceskosten van Hotel Wassenaar worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.060,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.10.
In reconventie ligt ter beoordeling voor of Hotel Wassenaar veroordeeld moet worden tot ontruiming van het pand.
4.11.
Bij de beoordeling van de gevorderde ontruiming staat voorop dat dit een vergaande maatregel is, die in de praktijk vaak een definitief karakter zal hebben. Daarom is een onverwijlde ontruiming in kort geding alleen gerechtvaardigd als er sprake is van een spoedeisend belang en met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat een vordering tot ontruiming in een bodemprocedure wordt toegewezen. Deze hoge drempel wordt in dit geval niet gehaald.
4.12.
Zoals uit hetgeen in conventie is overwogen volgt, kan binnen het bestek van dit kort geding niet met voldoende mate van aannemelijkheid worden vastgesteld wat er precies gebeurd is bij de totstandkoming van de overeenkomsten op grond waarvan Hotel Wassenaar het pand in gebruik is gaan nemen en is gaan onderverhuren aan FRE. Of er –zoals [partij B] stelt– sprake is van onrechtmatig gebruik van het pand door Hotel Wassenaar vergt nader onderzoek en eventueel getuigenverhoor in een bodemprocedure. Op de uitkomst daarvan kan niet vooruitgelopen worden en binnen het bestek van dit kort geding kan niet met de vereiste mate van waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat een vordering tot ontruiming in de bodemprocedure wordt toegewezen. Dit betekent dat de vordering om Hotel Wassenaar te veroordelen tot ontruiming van het pand niet toewijsbaar is.
4.13.
Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat de omstandigheden die [partij B] aan de gestelde spoedeisendheid bij deze vordering ten grondslag legt, dit niet anders maken. [partij B] stelt dat de opstalverzekering van het pand is opgezegd naar aanleiding van negatieve berichten in de media over het pand. Volgens hem is het pand nu – door het gebruik dat Hotel Wassenaar ervan maakt – onverzekerbaar. Dat het pand daadwerkelijk onverzekerbaar is wordt door Hotel Wassenaar betwist en blijkt nergens uit. Evenmin blijkt ergens uit dat er sprake is van een veiligheidsrisico bij het huidige gebruik van het pand. Er is sprake geweest van een hoog aantal (onterechte) brandmeldingen, maar dit probleem is – volgens onweersproken stelling van Hotel Wassenaar – opgelost nadat alle brandmelders zijn vervangen. De gemeente Wassenaar heeft bij brief van 26 november 2025 aangekondigd het voornemen te hebben handhavend te gaan optreden in verband met een hoog aantal ongewenste brandmeldingen, maar dit heeft – dat erkent [partij B] ook – niet tot daadwerkelijk ingrijpen van de gemeente geleid. Ook de omstandigheid dat [partij B] zelf zijn pand wil gebruiken – om er naar de voorzieningenrechter begrijpt een hogere opbrengst dan de huidige huurpenningen mee te realiseren – rechtvaardigt geen veroordeling tot ontruiming in kort geding.
4.14.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hotel Wassenaar worden begroot op:
- salaris advocaat € 588,50
- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 736,50
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
heft op het op 14 november 2025 door [partij B] ten laste van Hotel Wassenaar onder FRE gelegde conservatoire beslag;
5.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van Hotel Wassenaar van € 2.060,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [partij B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
in reconventie
5.6.
wijst het door [partij B] gevorderde af;
5.7.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van Hotel Wassenaar van € 736,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.8.
veroordeelt [partij B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.9.
verklaart de veroordelingen onder 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
idt

Voetnoten

1.De overeenkomst als weergegeven onder 2.3
2.Zoals weergegeven onder 2.15