ECLI:NL:RBDHA:2026:16972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/09/705541 / KG ZA 26-530
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 821 RvArt. 822 RvArt. 824 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking aan woningoverdracht en hypotheekontslag na beëindiging geregistreerd partnerschap

Partijen zijn in 2022 een geregistreerd partnerschap aangegaan en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. De vrouw heeft in december 2025 ontbinding van het partnerschap verzocht en voorlopige voorzieningen zijn getroffen waarbij zij het gebruik van de woning kreeg toegewezen. De mediation tussen partijen mislukte.

De vrouw vordert in kort geding dat de man zijn onvoorwaardelijke medewerking verleent aan de overdracht van zijn aandeel in de woning aan haar, inclusief het ondertekenen van benodigde documenten en het ontslag van de man uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek. De man weigert mee te werken en wenst een birdnestingregeling, die eerder door de familierechter is afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de beschikking van februari 2026 uitgangspunt is en dat de man geen omstandigheden heeft aangevoerd die wijziging rechtvaardigen. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij duidelijkheid en het benutten van gunstige rentevoorwaarden. De man heeft geen belang bij het behouden van het eigendom en mag tot 7 juli 2026 ingeschreven blijven op het adres.

De voorzieningenrechter wijst de vordering toe en bepaalt dat bij niet-medewerking het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van de man. Iedere partij draagt de eigen kosten.

Uitkomst: De man wordt verplicht zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan de vrouw en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek, met uitbetaling van de helft van de overwaarde.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/705541 / KG ZA 26-530
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. R.P.M. Duijndam te Lisse,
tegen:
[de man]volgens de BRP ingeschreven te [plaats], op hetzelfde adres als eiseres, maar aldaar feitelijk niet meer woonachtig en een andere vaste woon- en/of verblijfplaats binnen Nederland of daarbuiten niet bekend,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 27;
- de akte houdende een vermeerdering van eis;
- de op 4 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 11 juni 2026. Het vonnis is bij vervroeging vandaag uitgesproken.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op [datum] 2022 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij zijn ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Op 20 maart 2026 is de woning getaxeerd op een marktwaarde van € 580.000,=. De resterende hypothecaire geldlening bedraagt € 264.019,48 [1] .
2.3.
De vrouw heeft op 11 december 2025 een verzoekschrift strekkende tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap en daarbij nevenvoorzieningen te treffen ingediend bij team familierecht van deze rechtbank.
2.4.
Bij beschikking van 10 februari 2026 zijn op grond van het bepaalde in artikel 821 ev Pro. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorlopige voorzieningen getroffen. In de beschikking:
  • is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning en is de man bevolen die woning te verlaten en niet verder te betreden;
  • is bepaald dat de minderjarige aan de vrouw zal worden toevertrouwd en dat de man voorlopige gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben elke maandag van 9.00 uur tot 16.00 uur;
  • zijn partijen verwezen naar een mediator om te proberen door middel van mediation hun geschil ten aanzien van de verdere afwikkeling van de ontbinding van het geregistreerde partnerschap tot een oplossing te brengen;
2.5.
De mediation heeft niet tot overeenstemming geleid. Op 8 april 2026 heeft de vrouw de rechtbank gevraagd de procedure met betrekking tot de ontbinding van het geregistreerd partnerschap voort te zetten.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – na wijziging van eis ter zitting – uiteindelijk, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- dat de voorzieningenrechter zal gelasten dat de man zijn onvoorwaardelijke medewerking verleent aan alle (rechts)handelingen die noodzakelijk zijn om de vrouw in staat te stellen uiterlijk op 7 juli 2026 de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening over te nemen en de man uiterlijk op 7 juli 2026 te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid onder gehoudenheid van de vrouw om aan de man de helft van de overwaarde van de woning uit te betalen, en dat de man in ieder geval zijn medewerking verleent door op eerste verzoek de benodigde papieren te ondertekenen en zijn onvoorwaardelijke medewerking verleent aan het verlijden en passeren van een notariële akte waarmee (het aandeel van de man in) de woning aan de vrouw wordt overgedragen, waarbij de man:
a. binnen één dag na de datum van dit vonnis het renteaanbod van Allianz ondertekent;
b. op eerste verzoek van de vrouw dan wel de notaris medewerking verleent aan de overdracht van de woning aan de vrouw;
- dat wordt bepaald dat als de man met het voorgaande in gebreke blijft, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW Pro voor de vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening in de plaats treedt
een en ander met compensatie van de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de woning zal overnemen en dat de man zal worden uitgekocht. Afgesproken is dat de woning zal worden getaxeerd en dat de vrouw op basis van die taxatie een hypotheek zal aanvragen. De vrouw heeft een financieringsvoorstel ontvangen. Zij is in staat de woning over te nemen en de man uit te kopen. Inmiddels heeft de man zich wispelturig getoond en werkt hij niet meer mee aan de gemaakte afspraken. De man betaalt niet mee aan de woonlasten. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Zij heeft behoefte aan duidelijkheid en mist gunstige rentevoorwaarden als zij niet tijdig instemt met het renteaanbod.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Partijen zijn al enige tijd feitelijk uit elkaar en vaststaat dat de vrouw en de minderjarige dochter van partijen – op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen – in de woning verblijven. Tijdens de zitting is gebleken dat de man het met die feitelijke situatie niet eens is. Hij stelt dat hij nog geen vervangende woonruimte heeft en telkens van verblijfplaats moet wisselen. Hij wil – totdat de afwikkeling van de beëindiging van de relatie helemaal geregeld is – een birdnestingregeling, waarbij partijen afwisselend met de dochter in de woning verblijven. Hij wil niet vooruitlopend op de volledige afwikkeling van de beëindiging van de relatie meewerken aan toedeling van de woning aan de vrouw.
4.2.
Over het voorlopig gebruik van de woning en de verblijfplaats van de dochter van partijen is al door de familierechter geoordeeld in de beschikking van 10 februari 2026. In die beschikking is uitdrukkelijk overwogen dat birdnesting op dit moment niet haalbaar en niet in het belang van de dochter van partijen is. Die beslissing is gewezen op grond van artikel 822 Rv Pro. Op grond van artikel 824 Rv Pro kan onder bepaalde voorwaarden wijziging van een getroffen voorlopige voorziening worden gevraagd. Dat heeft de man niet gedaan en hij stelt ook niet dat er sprake is van omstandigheden die wijziging van die beschikking rechtvaardigen. Het is de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat er sprake is van dergelijke omstandigheden. Gelet op dit alles neemt de voorzieningenrechter de beschikking van 10 februari 2026 tot uitgangspunt en de wens van de man om tot birdnesting over te gaan wordt dus niet betrokken bij de beoordeling van de vordering van de vrouw.
4.3.
De vrouw heeft gesteld dat partijen overeenstemming hadden over toedeling van de woning aan haar. De man betwist dat van overeenstemming sprake was. Binnen het bestek van dit kort geding kan niet worden vastgesteld dat van volledige overeenstemming op dit punt daadwerkelijk sprake was. Dat neemt niet weg dat de vrouw op dit moment wel voldoende (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van haar vordering. Zij wil duidelijkheid over de woonsituatie van haarzelf en de dochter van partijen, heeft de mogelijkheid om de woning over te nemen en wil gebruik maken van de gunstige rentevoorwaarden in het renteaanbod dat zij heeft gekregen.
4.4.
Het belang van de man staat niet aan toewijzing van de vordering van de vrouw in de weg. De man heeft niet kenbaar gemaakt dat hij zelf de woning over wil (en/of kan) nemen. Uit de stellingen van de man blijkt dat zijn belang bij de woning – naast zijn wens tot birdnesting – erin is gelegen dat hijzelf en zijn onderneming nog op het adres van de woning staan ingeschreven. Gelet op de omstandigheid dat de man al sinds de beschikking van 10 februari 2026 niet meer in de woning woont, moet aan die inschrijvingen hoe dan ook een einde komen. De vrouw heeft ter zitting haar eis gewijzigd in die zin dat toedeling van de woning niet eerder hoeft plaats te vinden dan op 7 juli 2026. Zij heeft ermee ingestemd dat de man en zijn onderneming tot die datum op het adres van de woning ingeschreven blijven en komt daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden voldoende aan de belangen van de man tegemoet.
4.5.
Het vorenstaande leidt er toe dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw op de in het dictum weer te geven manier zal toewijzen. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter een vordering tot toedeling van de woning aan de vrouw ook zou toewijzen. De voorzieningenrechter zal de termijn waarbinnen de man de benodigde papieren (waaronder het renteaanbod van Allianz) moet ondertekenen in redelijkheid bepalen op twee werkdagen na een schriftelijk verzoek van de vrouw. De voorzieningenrechter zal in het dictum uitdrukkelijk bepalen dat de vrouw de helft van de overwaarde aan de man moet uitkeren bij toedeling van de woning aan haar. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat de man zichzelf en zijn onderneming na 7 juli 2026 van het adres van de woning moet laten uitschrijven. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man hier zelf toe overgaat, zodat de vrouw zo snel mogelijk aanspraak kan maken op de fiscale toeslagen waar zij als alleenstaande ouder voor in aanmerking komt.
4.6.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
gelast de man zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan alle (rechts)handelingen die noodzakelijk zijn om de vrouw uiterlijk op 7 juli 2026 of zoveel later als de vrouw voorstelt, in staat te stellen de woning aan [adres] te [plaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening over te nemen en de man uiterlijk op 7 juli 2026 te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening, onder de voorwaarde dat de helft van de overwaarde van de woning op het moment van notariële levering aan de vrouw van het aandeel van de man in de woning aan de man wordt uitgekeerd, waarbij de man in elk geval
binnen twee werkdagen na een schriftelijk verzoek van de vrouw de benodigde formulieren ondertekent, waaronder maar niet uitsluitend in ieder geval het renteaanbod van Allianz;
op eerste verzoek schriftelijk verzoek van de vrouw dan wel de notaris medewerking verleent aan het verlijden en passeren van een notariële akte waarmee (het aandeel van de man in) de woning aan de vrouw wordt overgedragen;
5.2.
bepaalt dat indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald onder 5.1 dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de man;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
idt

Voetnoten

1.De vrouw stelt in de dagvaarding dat de resterende hypotheekschuld € 260.824,= bedraagt. In de omzettingsofferte van Allianz Vermogen B.V. 3 juni 2026 staat vermeld dat de hoofdsom van de huidige hypotheek € 264.019,48 bedraagt. De voorzieningenrechter gaat daarvan uit.