ECLI:NL:RBDHA:2026:16976

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28418
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 2 DublinverordeningArt. 9 DublinverordeningArt. 10 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, met de Armeense nationaliteit, diende op 8 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Dit werd bevestigd door een geldig visum van Bulgarije en de aanvaarding van een overnameverzoek door de Bulgaarse autoriteiten.

Eiser betwistte de verantwoordelijkheid van Bulgarije en stelde dat de gezinsband met zijn partner en minderjarig kind in Nederland onvoldoende werd erkend. Hij voerde aan dat de Bulgaarse autoriteiten het verzoek aanvankelijk hadden afgewezen vanwege het gezinsprincipe en dat verweerder onvoldoende informatie had verstrekt over zijn gezinsleden.

De rechtbank oordeelde dat eiser de gezinsband onvoldoende had onderbouwd met objectieve gegevens, waardoor de artikelen 9 en 16 van de Dublinverordening niet van toepassing waren. De informatie in het terugnameverzoek was voldoende en relevant, en verweerder handelde correct door de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28418

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 20 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Armeense nationaliteit en is geboren op [datum] 1995. Eiser heeft op 8 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 30 januari 2026 tot en met 28 februari 2026. Op grond van artikel 12, vierde lid van de Dublinverordening heeft verweerder aan Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Op 8 mei 2026 hebben de Bulgaarse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Bulgarije vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. De verantwoordelijkheid van Bulgarije is op een onrechtmatige wijze tot stand gekomen. De autoriteiten van Bulgarije hadden het verzoek tot overname op 14 april 2026 afgewezen, omdat het principe van eenheid van het gezin moet worden gerespecteerd. Eiser heeft een partner en een minderjarig kind in Nederland. Verweerder heeft de Bulgaarse autoriteiten onvoldoende zorgvuldig geïnformeerd over de aanwezigheid van de partner en hun minderjarige kind. Ook heeft eiser tijdens zijn aanmeldgehoor verklaard over zijn gezinsleden waardoor deze niet onbekend zijn bij verweerder. Tot slot is hij er niet op gewezen dat hij de familieband moet onderbouwen middels documenten. Eiser heeft in beroep de identiteitsdocumenten van zijn partner en minderjarige kind overgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de gestelde gezinsband onvoldoende heeft onderbouwd. Onder artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening vallen als gezinsleden de echtgenoot en de ongehuwde partner met wie een duurzame relatie bestaat en de minderjarige kinderen van paren zoals hiervoor omschreven. Van een echtgenoot is geen sprake, nu door eiser geen stukken zijn overgelegd waaruit een huwelijk blijkt. Daarnaast heeft verweerder kunnen concluderen dat niet is gebleken dat sprake is van een duurzame relatie in de zin van de Dublinverordening, nu eiser dit niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen toepassing hoeven geven aan artikel 9 en Pro artikel 16 van Pro de Dublinverordening nu zijn gestelde partner en minderjarig kind niet kunnen worden aangemerkt als een in deze artikelen bedoeld gezinslid, zoals omschreven in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening.
6. Uit artikel 23, vierde lid en artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening [3] volgt dat verweerder slechts gehouden is informatie in het terugnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of hij krachtens de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag van de vreemdeling. Nu de gestelde gezinsband niet aannemelijk is geworden en alleen daarom niet is gebleken dat Nederland verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag van eiser op grond van artikel 9, 10, 11 of 16 van de Dublinverordening, is de rechtbank van oordeel dat de informatie over het claimakkoord van de gestelde partner en het minderjarige kind van eiser niet relevant is voor de vraag of hij terug kan keren naar Bulgarije. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het terugnameverzoek aan Bulgarije onvolledig is geweest.
7. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014.