ECLI:NL:RBDHA:2026:1698

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
09-172589-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jonge verdachte voor mensenhandel en seksuele uitbuiting in vereniging

De rechtbank Den Haag heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een jonge verdachte geboren in 2008, die samen met een medeverdachte een jonge vrouw uit Letland heeft uitgebuit door haar te dwingen als prostituee te werken. De verdachte heeft het slachtoffer geworven, vervoerd en overgebracht, en dwangmiddelen zoals misleiding, dreiging met feitelijkheden, misbruik van overwicht en kwetsbare positie ingezet om haar te laten werken en zichzelf te bevoordelen uit de opbrengsten.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de gedragingen plaatsvonden tussen 10 april 2024 en 27 mei 2024. De verdachte handelde in nauwe samenwerking met een medeverdachte en trok opzettelijk voordeel uit de uitbuiting. De verdediging voerde onder meer vrijspraak voor delen van de periode en ontkende bepaalde dwangmiddelen, maar de rechtbank verwierp deze verweren.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbare positie van het slachtoffer, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een stoornis en positieve gedragsontwikkeling, en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte werd veroordeeld tot 135 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en bijzondere voorwaarden voor begeleiding en toezicht.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €52.047,22. De rechtbank kende €13.446,-- toe, bestaande uit €5.000,-- immateriële schade en €8.446,-- materiële schade, gebaseerd op schattingsbevoegdheid en eerdere vonnissen. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met de medeverdachte. Tevens werden drie telefoontoestellen verbeurd verklaard.

De uitspraak benadrukt het belang van bescherming van slachtoffers van mensenhandel en de inzet van het jeugdstrafrecht bij jonge daders met problematiek.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 135 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een schadevergoeding van €13.446,-- aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-172589-24
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[de verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 15 januari 2026 ).
De officier van justitie in deze zaak is mr. N.Y. Rose en de raadsman van de verdachte is mr. A. Fakiri te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

In de dagvaarding staat wat aan de verdachte ten laste is gelegd. De tekst van de
tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort en eenvoudig weergegeven wordt de verdachte verweten dat hij zich in de periode van 1 maart 2024 tot en met 27 mei 2024, samen met een of meer anderen, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, in de vorm van seksuele uitbuiting van een meerderjarige jonge vrouw, te weten [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De verdachte wordt verweten zich samen met een of meerdere medeverdachte(n) te hebben bediend van dwangmiddelen, om het slachtoffer te laten werken als prostituee, met de bedoeling haar op die manier uit te buiten, en bovendien daar zelf aan te verdienen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De rechtbank zal hieronder waar nodig nader ingaan op specifieke onderdelen van het standpunt van de officier van justitie.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor een deel van de ten laste gelegde pleegperiode, te weten voor de periode van 1 maart tot en met 25 april 2024. In die periode was volgens de verdediging namelijk sprake van instemming van het slachtoffer en werkte zij vrijwillig samen met de verdachte en medeverdachte.
Ten aanzien van de periode van 26 april 2024 tot en met 27 mei 2024 moet de verdachte worden vrijgesproken van de tenlastegelegde dwangmiddelen dwang, geweld, dreiging met geweld of andere feitelijkheden, afpersing en fraude, en van de bestanddelen werven, huisvesten en opnemen. Tenslotte moet de verdachte worden vrijgesproken van het bestanddeel dwang bij de onderdelen sub 4 en sub 9 in de tenlastelegging. Voor die bestanddelen dan wel onderdelen bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring te komen.
Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat de bewijsbeslissing betreft.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Juridisch kader mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De strafbaarstelling heeft kort gezegd betrekking op feitelijke gedragingen, die zijn gericht op uitbuiting van personen, onder het inzetten van zogeheten ‘dwangmiddelen’.
De gedragingen die in artikel 273f lid 1 sub 1 Sr zijn opgenomen en die de verdachte worden verweten, betreffen (onder meer) het werven, vervoeren en overbrengen van het slachtoffer om het slachtoffer in een uitbuitingssituatie te brengen. Deze omschrijvingen van feitelijke gedragingen moeten ruim en praktisch worden uitgelegd, en kunnen deels elkaar overlappen.
Ook het begrip uitbuiting moet niet beperkt worden opgevat. Bij de strafbaarstelling staat het te beschermen belang van het individu voorop. Dat belang is het behoud van lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Een beperkte uitleg van het begrip uitbuiting past daar niet bij.
De dwangmiddelen worden omschreven in artikel 273f lid 1 sub 1 Sr en bestaan bijvoorbeeld uit (en zijn niet beperkt tot) dwang, dreiging (met geweld of andere feitelijkheden), misleiding, misbruik van een kwetsbare positie, of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.
In artikel 273f lid 1 sub 4 Sr zijn strafbaar gesteld gedragingen en handelingen, waardoor de ander zich beschikbaar stelt tot het verrichten van diensten, van (in dit geval) seksuele aard. Die gedragingen of handelingen moeten gepaard gaan met de inzet van de eerder (en in artikel 273 lid 1 sub Pro 1 Sr) genoemde dwangmiddelen of worden verricht onder die omstandigheden, en moeten zijn gericht op uitbuiting, om een strafbare gedraging op te leveren.
In artikel 273 Sr Pro lid 1 sub 6-9 worden verschillende vormen van het trekken van profijt uit mensenhandel strafbaar gesteld. De profijttrekker kan een ander zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd.
De rechtbank zal hieronder de bewijsbeslissingen over de ten laste gelegde gedragingen, de ingezette dwangmiddelen en het oogmerk van uitbuiting toelichten.
3.4.2.
Gedragingen onder artikel 273f lid 1 sub 1 Sr: werven, vervoeren en overbrengen
Uit de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte volgt dat de verdachte aan het slachtoffer heeft gevraagd of zij als sekswerker met hem en de medeverdachte wilde samenwerken. De medeverdachte [de medeverdachte] heeft aan het slachtoffer verteld dat hij werk voor haar had; de verdachte heeft vervolgens uitgelegd aan het slachtoffer dat zij zouden gaan samenwerken en dat zij comfortabel en veilig zou zijn. In eerste instantie is haar daarbij verteld dat zij alleen met klanten moest praten en dineren, later dat zij met de klant naar bed moest als de klant dat wilde. Nadat het slachtoffer niet direct had ingestemd, heeft zij na daarover met de verdachte te hebben gesproken laten weten het werk wel te willen doen. Uit deze gang van zaken volgt dat de verdachten het slachtoffer hebben geworven om in de prostitutie te gaan werken en dat de verdachte daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het werven bewezen is.
Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast dat de verdachte meerdere malen het slachtoffer heeft vervoerd naar afspraken met klanten voor sekswerk. Zowel het slachtoffer als de verdachte heeft in verhoor dan wel ter zitting verklaard dat de verdachte meerdere malen, alleen of samen met de medeverdachte, het slachtoffer heeft gebracht en opgehaald naar de adressen waar zij haar diensten moest verlenen. Op andere momenten is door de verdachte of de medeverdachte vervoer van het slachtoffer naar en van afspraken met een taxi of Uber geregeld. Dat volgt ook uit de telefoongegevens van de verdachte. Daarmee is sprake geweest van het vervoeren en overbrengen van het slachtoffer.
Net als de officier van justitie en de raadsman van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat voor ‘huisvesten’ en ‘opnemen’ van het slachtoffer, met het oogmerk van uitbuiting, onvoldoende bewijs is. Deze gedragingen zijn wel ten laste gelegd, maar kunnen dus niet bewezen worden verklaard.
3.4.3.
Dwangmiddelen
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of, en zo ja welke, dwangmiddelen zijn aangewend door de verdachte.
Misleiding
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hem al snel duidelijk was dat het slachtoffer mogelijk sekswerk had verricht en dat dat voor hem reden was om zijn relatie met het slachtoffer niet (meer) als affectieve relatie te beschouwen. Hij heeft ook verklaard dat hij wist dat het slachtoffer met hem wilde zijn. Uit de verklaring van het slachtoffer en het berichtenverkeer tussen de verdachte en het slachtoffer volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft voorgehouden dat zij het sekswerk zeker moest gaan doen en dat dit niet in de weg hoefde te staan aan hun relatie. Hij heeft haar ook verteld dat hij het geld dat hij door haar werkzaamheden verdiende apart hield om een huis te kopen zodat zij later bij elkaar zouden kunnen wonen, en ook dat hij ‘over vijf maanden’ een eigen huis zou hebben waar zij samen zouden kunnen wonen. Aldus heeft de verdachte haar in de veronderstelling gelaten dat zij een relatie had met verdachte.
Het slachtoffer heeft verklaard dat de verdachten haar hebben beloofd dat zij 50% van de inkomsten zou krijgen. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat zij in werkelijkheid veel minder dan dat heeft ontvangen. Daarnaast heeft de verdachte aan het slachtoffer, in strijd met de waarheid, verteld dat hij dagelijks kosten moest betalen van de websites waarop geadverteerd werd met het door het slachtoffer te verrichten sekswerk, zodat er minder geld overbleef voor haar (en voor hemzelf).
De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is geweest van misleiding van het slachtoffer, door de verdachte, zowel ten tijde van het werven, als in de periode dat zij het sekswerk verrichtte.
Dreiging met feitelijkheden
De rechtbank is ook van oordeel dat sprake is geweest van het dreigen met feitelijkheden. Op momenten dat het slachtoffer liet weten niet nog een klant te willen of bepaalde handelingen niet te willen verrichten, heeft de verdachte namelijk gedreigd met het stopzetten van de samenwerking en het verwijderen van haar advertentie, zodat zij helemaal niets meer zou verdienen.
Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht
Om misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht aan te nemen, is vereist dat sprake is van een ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer beperkt wordt. Het is niet noodzakelijk dat er zodanige druk of dwang op het slachtoffer rust, dat er voor haar geen andere keuze meer mogelijk is. Een beperking van keuzevrijheid is voldoende. In de prostitutie is hiervan sprake als het slachtoffer in een situatie verkeert, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een ‘gemiddelde, mondige prostituee in Nederland’ pleegt te verkeren. Daarbij geldt in ieder geval dat de prostituee zelf bepaalt waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden en tegen welke opbrengsten zij werkt. De omstandigheid dat een slachtoffer eerder (vrijwillig) bij prostitutie betrokken is geweest, vormt geen aanwijzing voor vrijwilligheid. Het hebben van schulden of niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen kunnen dat wel zijn.
Uit de tussen de verdachte en het slachtoffer gewisselde berichten en wat zij daarover beiden hebben verklaard, volgt dat wanneer het slachtoffer liet weten geen nieuwe klanten te willen of bepaalde handelingen niet te willen verrichten, de verdachte daar meerdere malen aan voorbij is gegaan en zijn overwicht heeft ingezet om haar toch te laten werken. Toen het slachtoffer aangaf vanwege haar menstruatie niet te willen werken, heeft de verdachte aangedrongen, gezegd dat zij haar werk serieus moest nemen, en toch bij herhaling klanten aangeboden en gevraagd/gezegd dat zij naar klanten moest. Tot kort voor het bezoek aan klanten, of wanneer het slachtoffer bij klanten was, verliep het contact met de klant ook via de verdachte, mede omdat het slachtoffer de Nederlandse en Engelse taal niet (goed) machtig is. Alle contacten en afspraken over prijzen, te verrichten handelingen, aantal klanten en werktijden liepen via de verdachte. Het slachtoffer had daarover erg beperkt zeggenschap. Wanneer zij aangaf niet te willen of kunnen werken of bepaalde handelingen niet te willen verrichten, werden haar verdere berichten genegeerd, haar telefoonnummer tijdelijk geblokkeerd of haar medegedeeld dat de verdachten wel op zoek zouden gaan naar iemand anders om mee te werken. Verdachten waren er van op de hoogte dat het slachtoffer geld nodig had en niet in staat was zelfstandig als prostituee te werken. De verdachten hadden ook op die manier overwicht.
Het slachtoffer heeft dan ook duidelijk niet verkeerd in de omstandigheden van een ‘gemiddelde mondige prostituee in Nederland’, zodat de rechtbank ook misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht aanneemt.
Misbruik van een kwetsbare positie
Een overlap tussen de verschillende dwangmiddelen kan bestaan. De hiervoor genoemde feitelijke omstandigheden dat het slachtoffer de Nederlandse taal niet, en de Engelse taal beperkt spreekt, maken ook dat zij zich in een kwetsbare positie heeft bevonden, waar de verdachte en zijn medeverdachte misbruik van hebben gemaakt. Zij was bovendien een jonge vrouw van negentien jaar oud, afkomstig uit Letland en nog maar kort in Nederland. Ze had weinig financiële middelen, moest geleend geld terugbetalen, haar huur betalen en moest ook geld sturen naar haar familie in Letland. De verdachte en zijn medeverdachte waren daarvan op de hoogte. Het slachtoffer verkeerde daarnaast in de veronderstelling dat de verdachte haar vriendje was, en wilde hem om die reden graag terwille zijn. Ook van deze emotionele afhankelijkheid heeft de verdachte gebruik gemaakt om haar over te halen te (blijven) werken.
Van de overige tenlastegelegde dwangmiddelen, fraude, afpersing, geweld, (een) feitelijkhe(i)d(en) en bedreiging met geweld, is de rechtbank niet gebleken, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken, zoals zowel door de officier van justitie als door de raadsman van de verdachte gevraagd en bepleit.
3.4.4.
Het oogmerk van uitbuiting
Het oogmerk van uitbuiting houdt in, dat het slachtoffer in een situatie wordt gebracht of gehouden waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten uitbuiten. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van het slachtoffer. Eventuele instemming van het slachtoffer met de beoogde uitbuiting doet niet ter zake, wanneer het slachtoffer door het gebruik van een of meerdere dwangmiddelen een reële, vrije keuze wordt onthouden.
Van uitbuiting in de prostitutie kan worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin de ‘gemiddelde mondige prostituee in Nederland’ verkeert. Op grond van vaste jurisprudentie zal in het geval van prostitutiewerkzaamheden – gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit – in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting.
De rechtbank is van oordeel dat bij de verdachte een oogmerk van uitbuiting bestond. De inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer volgt uit de aard van het sekswerk waarvoor zij (mede) door de verdachte is geworven en ingezet. Dat haar zeggenschap over het werk door de verdachte is ingeperkt en daarmee sprake is van een mate van onvrijwilligheid, volgt uit de afhankelijke positie waarin het slachtoffer verkeerde, zowel in het algemeen, als jonge vrouw in Nederland die de taal niet spreekt en geldzorgen heeft, als specifiek waar het ging om haar werktijden, het vervoer naar en van klanten en afspraken over wel of niet te verrichten handelingen.
De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van bij de verdachte bestaand oogmerk van uitbuiting.
3.4.5.
Ten laste gelegde gedragingen onder artikel 273f lid 1 sub 4 Sr
Uit de bewijsmiddelen en wat hiervoor is overwogen, volgt dat de verdachte de al genoemde dwangmiddelen heeft ingezet om het slachtoffer zich beschikbaar te laten stellen tot het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden, met het oogmerk haar uit te buiten. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging.
3.4.6.
Ten laste gelegde gedragingen onder artikel 273f lid 1 sub 6 Sr
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hem door de medeverdachte vooraf is verteld dat hij zou kunnen bijverdienen door het slachtoffer het sekswerk te laten verrichten en daarbij behulpzaam te zijn. Hij heeft ook daadwerkelijk een deel van de opbrengsten ontvangen. Ook dit onderdeel kan - gelet op wat hiervoor is overwogen over de uitbuitingssituatie van het slachtoffer - dan ook bewezenverklaard worden.
3.4.7.
Ten laste gelegde gedragingen onder artikel 273f lid 1 sub 9 Sr
Uit het dossier blijkt dat de verdachte het slachtoffer heeft bewogen opbrengsten van het sekswerk aan hem en de medeverdachte af te staan. Hij heeft meerdere malen betaalverzoeken verstuurd en opbrengsten ontvangen. Ook heeft hij bij vragen van het slachtoffer over de verdeling van de opbrengst misleidende antwoorden gegeven door verkeerde informatie te geven over hoge (advertentie)kosten die uit de opbrengst betaald zouden moeten worden. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de inzet van dwangmiddelen en de uitbuitingssituatie waarin het slachtoffer zich bevond, acht de rechtbank ook dit deel van de tenlastelegging bewezen.
3.4.8.
Pleegperiode
De rechtbank heeft hierboven overwogen dat zij komt tot bewezenverklaring van de gedragingen die het ‘werven’ van het slachtoffer betreffen, van de inzet van dwangmiddelen daarbij, en van het oogmerk van uitbuiting.
De rechtbank heeft in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen om een datum te kunnen vaststellen, waarop het werven van het slachtoffer onder de inzet van een dwangmiddel, is begonnen. Wel kan de rechtbank vaststellen dat op 10 april 2024 een foto van het paspoort van het slachtoffer tussen de medeverdachten is verstuurd, en dat op 12 april 2024 vijf verificatiefoto’s van het slachtoffer door de verdachte aan de medeverdachte zijn verstuurd, en dat dit te maken had met het plaatsen van een advertentie waarin sekswerk door het slachtoffer wordt aangeboden.
De rechtbank concludeert daaruit dat het werven van het slachtoffer – met als eerst bekende handeling het haar laten weten dat er werk voor haar was, en of zij dat wilde doen – ten laatste op 10 april 2024 is begonnen.
Omdat de rechtbank bewezen acht dat ook het werven onder de inzet van dwangmiddelen en met het oogmerk van uitbuiting heeft plaatsgevonden, houdt de rechtbank de periode van 10 april 2024 tot en met 27 mei 2024 aan als de periode waarin de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden.
3.4.9.
Medeplegen
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij berichten van en aan het slachtoffer heeft doorgegeven, die hij aan zijn medeverdachte [de medeverdachte] voorlas, of die zijn medeverdachte aan hem dicteerde en hij vervolgens aan het slachtoffer stuurde.
Uit het dossier volgt echter ook dat de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld bij het werven van het slachtoffer en dat zijn medeverdachte hem gevraagd heeft daarbij te helpen. Vanwege zijn relatie met het slachtoffer is het ook de verdachte geweest die veelvuldig contacten met het slachtoffer heeft onderhouden. Ook contacten met klanten zijn via de verdachte en via zijn telefoon gelopen. Naar eigen zeggen (vrijwel) altijd in samenspraak met zijn medeverdachte, die hem instructies gaf, maar ook wanneer dat ’s nachts was en wanneer de medeverdachte niet bij hem in de buurt was, of zelfs met vakantie was. Daarnaast is de verdachte meerdere malen meegegaan met het slachtoffer naar de adressen waar zij moest werken en heeft hij haar daar (al dan niet samen met de medeverdachte [de medeverdachte] ) opgehaald. Ook heeft hij een deel van de opbrengsten gekregen en bemoeide hij zich, samen met [de medeverdachte] , met de afrekening met klanten en het verdelen van opbrengsten. De verdachte is ook degene die een advertentie op Kinky.nl en op Sexjobs.nl gemaakt en geplaatst, gericht op het aantrekken van klanten voor het slachtoffer, en in zijn telefoon zijn vele e-mails van de supportafdeling van Kinky.nl aangetroffen, waaruit een actieve rol van de verdachte blijkt.
Hoe de verdeling van taken tussen de verdachte en zijn medeverdachte precies is geweest, hoeft niet vast komen te staan. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte. De rechtbank acht het medeplegen dan ook bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
hij in de periode van 10 april 2024 tot en met 27 mei 2024 te ’s-Gravenhage en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een ander, te weten [het slachtoffer] ,
telkens door dreiging met
feitelijkheden, door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [het slachtoffer] ,
- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard,
- heeft bewogen hem verdachte en zijn mededader, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [het slachtoffer] met een derde,
- telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [het slachtoffer] ,
immers hebben hij verdachte, en zijn mededader, meermalen
  • die [het slachtoffer] verteld dat hij werk voor haar had gevonden als sekswerker en
  • die [het slachtoffer] verteld dat hij de verdiensten uit het sekswerk zou sparen voor een huis waar zij samen zouden kunnen wonen en
  • die [het slachtoffer] verteld dat zij 50% van de verdiensten zou krijgen en
  • die [het slachtoffer] verteld dat er dagelijks betaald moet worden voor de website en hij elke dag betaalde voor de website en
  • die [het slachtoffer] verzocht (verificatie)foto‘s ten behoeve van het maken van een seksadvertentie toe te zenden en
  • een (seks)advertentie gemaakt en op sekssites geplaatst en
  • telefonisch contact onderhouden met prostitutieklanten en afspraken
  • uitleg en instructie gegeven aan die [het slachtoffer] met betrekking tot de door die
  • naar die [het slachtoffer] gezegd/geschreven:
o dat als die [het slachtoffer] geen geld heeft om condooms te kopen dat zij het maar zonder moet doen en
o dat het tijd is dat [het slachtoffer] aan het werk gaat en dat zij het serieus moet nemen en niks doet terwijl hij al het werk deed en
  • die [het slachtoffer] vervoerd naar seksafspraken en
  • na weerstand of weigering(en) om sekswerk te verrichten - (in de Engelse
o dat zij het twee dagen van tevoren aan moet geven als zij niet wil werken en
o dat zij haar werk niet serieus neemt en hij tegen Metin heeft gezegd dat zij niet meer wil werken en hij op zoek gaat naar iemand anders en
o dat hij boos op haar is en haar een paar dagen niet wil zien en
o dat hij de website dicht doet en ze geen werk meer kan doen en/of hij haar gaat blocken en
o dat indien zij de klant annuleert hij de website verwijdert en
  • die [het slachtoffer] instructies gegeven omtrent de afdracht van het verdiende geld en
  • het verdiende geld in ontvangst genomen en
  • in reactie op diefstal van het verdiende geld – tegen [het slachtoffer] gezegd dat zij voor haar tas en portemonnee moet zorgen en niet hij en dat ze maar moet zorgen dat hij morgen 250 euro van haar krijgt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht, rekening houdend met het in enige mate meespelen van de geconstateerde stoornissen bij het tot stand komen van het feit en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 131 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 90 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden toezicht door de jeugdreclassering, en het meewerken aan begeleiding door Chapter Next of een andere (ambulante) begeleiding.
De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 120 uren gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden moet worden met de ondergeschikte rol van de verdachte ten opzichte van zijn (oudere) medeverdachte, die hij als een broer zag. Hij heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met een verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte een positieve ontwikkeling doorgemaakt en laat hij sinds zijn schorsing uit voorlopige hechtenis goed en geresocialiseerd gedrag zien. Dat moet in het voordeel van de verdachte meewegen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
6.3.1.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan mensenhandel. Hij heeft samen met een medeverdachte een jonge vrouw uit Letland uitgebuit. Zij hebben haar bewogen tot het verrichten van werkzaamheden in de prostitutie. Zij bevond zich in een kwetsbare en afhankelijke positie, en is in situaties gebracht waarin zij zelf niet vrij kon bepalen waar en met wie zij welke seksuele handelingen zou verrichten of ondergaan. Ook wanneer zij zich niet goed voelde, wilde slapen of menstrueerde, hebben de verdachten bij haar aangedrongen toch klanten te bezoeken of ontvangen, zodat geld verdiend kon worden. Haar werktijden mocht het slachtoffer niet zelf bepalen en het aantal klanten dat zij per dag of nacht bezocht ook niet. Wanneer zij liet blijken iets niet te willen, drong de verdachte bij haar aan en liet hij zijn overwicht gelden of speelde hij in op haar gevoelens. Van de opbrengsten van haar werk mocht het slachtoffer maar een klein gedeelte zelf houden. Kosten voor voorbehoedmiddelen, menstruatieproducten en in sommige gevallen haar vervoer moest zij zelf ook uit die opbrengsten betalen. Ondanks toezeggingen te zullen zorgen voor haar veiligheid heeft de verdachte haar, nadat zij door een klant was beroofd en mishandeld, aan haar lot overgelaten.
De verdachte heeft zich op zeer jonge leeftijd schuldig gemaakt aan het op grove wijze inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zijn eigen gewin heeft hij boven haar waardigheid en welzijn geplaatst. De rechtbank rekent dat de verdachte sterk aan.
6.3.2.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat weegt in de strafmaat verder niet mee omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
6.3.3.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 26 maart 2025, opgesteld door [naam 1] , GZ-psycholoog en [naam 2] , kinder- en jeugdpsychiater, van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 12 januari 2026 en van de rapporten van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van 11 en 12 december 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundigen ter zitting is gegeven.
Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte veel heeft meegemaakt in zijn leven, voor en tijdens zijn komst naar Nederland. Hij heeft al op zeer jonge leeftijd te zelfstandig moeten zijn. Door traumatische gebeurtenissen is sprake van een stoornis in de zin van een beperkte sociaal-emotionele en persoonlijkheidsontwikkeling. Hij wijt zijn problematisch gedrag aan anderen, alsof het hem overkomt en staat onvoldoende stil bij negatieve gevolgen voor anderen. Hij zou cognitief in staat moeten zijn het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien, maar het is mogelijk dat hij onvoldoende sturing heeft gehad op zijn handelen, waardoor zijn vermogen daartoe gebrekkig is ontwikkeld.
De verdachte heeft zich na zijn schorsing uit voorlopige hechtenis goed aan de schorsende voorwaarden gehouden. Hij is een coachingstraject gestart en heeft zich daarvoor goed ingezet. Het is belangrijk dat de begeleiding vanuit Chapter Next blijft doorgaan. Hij is ook met behandeling gestart, en ook daarvoor toont hij inzet. Het algemeen recidiverisico van de verdachte wordt geschat op hoog, maar het dynamisch risicoprofiel op heel laag.
De rechtbank weegt in strafmatigende zin mee dat de vastgestelde ontwikkelingsproblematiek al speelde ten tijde van het bewezenverklaarde feit en daarin in enige mate een rol zal hebben gespeeld.
6.4.4.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met drie maanden overschreden. De verdachte is op 27 mei 2024 aangehouden en op 29 mei 2024 verhoord. De rechtbank gaat uit van 29 mei 2024 als het moment waarop de redelijke termijn is aangevangen, omdat de verdachte op dat moment in redelijkheid mocht verwachten dat tegen hem een daad van vervolging zou worden ingesteld. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.
De rechtbank weegt de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee, zoals hieronder nader toegelicht.
6.4.5.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Het gepleegde feit rechtvaardigt een forse jeugddetentie en de rechtbank vindt dat in dit geval ook passend. De rechtbank zal in het voordeel van de verdachte rekening houden met de lange duur waarin hij zich aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, en zal het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie bepalen op de duur van de periode die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het is van belang dat de straf bijdraagt aan het voorkomen van nieuwe feiten, zodat de rechtbank de straf voor een deel voorwaardelijk zal opleggen, met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank legt een jeugddetentie op voor de duur van 135 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, onder aftrek van de voorlopige hechtenis en met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank vindt het van groot belang dat de begeleiding van de verdachte vanuit Chapter Next zal blijven doorgaan en zal hiertoe bijzondere voorwaarden opleggen bestaande uit een toezicht door de jeugdreclassering en (ambulante) begeleiding vanuit Chapter Next.
De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een taakstraf en zal die niet opleggen, daarbij ook rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en de ontwikkelingsproblematiek van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Het slachtoffer [het slachtoffer] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.P. de Klerk, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 52.047,22, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 48.547,22 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot (hoofdelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 24.273,61 aan materiële schade en € 5.000,-- aan vergoeding van immateriële schade.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich namens de verdachte primair op het standpunt gesteld dat de vordering een onredelijke belasting van het strafgeding oplevert, wat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Subsidiair stelt hij dat de vordering wat de materiële schade betreft onvoldoende is onderbouwd, dan wel moet worden gematigd. Er moet namelijk rekening gehouden worden met kosten, zoals de kosten van vervoer van het slachtoffer (per Uber of eigen auto van de medeverdachte). De door de benadeelde partij opgegeven gemiste inkomsten zijn bovendien te hoog. Het slachtoffer heeft maximaal twee klanten per nacht kunnen ontvangen, omdat rekening gehouden moet worden met reistijd, wachttijd, regelen van vervoer en andere zaken, zo betoogt de raadsman van de verdachte.
Bij toekenning van een vergoeding voor immateriële schade rekening moet worden gehouden met de aanvankelijke vrijwilligheid van het slachtoffer bij de start van het sekswerk, en met het feit dat geen sprake is geweest van geweld of bedreiging met geweld. Dat moet wat de immateriële schade betreft leiden tot matiging van het bedrag tot € 1.000,-- tot maximaal € 1.500,--.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
Verplichting tot schadevergoeding
Het bewezenverklaarde feit levert een door de verdachte gepleegd strafbaar feit op. Het staat daarmee vast dat de verdachte jegens het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Het slachtoffer heeft gesteld en onderbouwd dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan immateriële en materiële schade heeft geleden. Dat wordt door de verdachte als zodanig niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt.
7.3.2.
Vergoeding van immateriële schade
Het slachtoffer heeft de hoogte van haar immateriële schade begroot op € 5.000,-- en daarbij gewezen op het door de meervoudige kamer van deze rechtbank gewezen vonnis van 9 december 2025 en de in dat vonnis gegeven motivering voor het bepalen van de hoogte van de door het slachtoffer geleden immateriële schade.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aansprakelijk is voor schade van het slachtoffer, die zij heeft geleden door aantasting in haar persoon, in de zin van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW, als gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade van het slachtoffer, neemt de rechtbank ook het vonnis dat is gewezen tegen de medeverdachte in acht. Daarin is aansluiting gezocht bij categorie (c) ‘Tamelijk ernstig’, bij mensenhandel, in de Rotterdamse Schaal. Daaruit volgt een bandbreedte van € 2.000,-- tot € 5.000,--. De rechtbank heeft de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade in dat vonnis vastgesteld op € 5.000,--, rekening houdend met het ontbreken van een (bedreiging met) geweld en een aanvankelijke instemming van het slachtoffer met het verrichten van sekswerk. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak in het verweer van de raadsman van de verdachte dan ook geen aanleiding of grond af te wijken van de omvang van de schade zoals die bij vonnis van 9 december 2025 tussen het slachtoffer en de medeverdachte is vastgesteld. Het gevorderde bedrag van € 5.000,-- aan vergoeding van immateriële schade zal (hoofdelijk) worden toegewezen.
7.3.3.
Vergoeding van materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat het slachtoffer rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Het slachtoffer stelt schade te hebben geleden doordat zij inkomsten is misgelopen en sluit aan bij de ontnemingsrapportage in het dossier, waarin het ‘wederrechtelijk voordeel’ dat de verdachten hebben genoten is berekend. De advocaat van het slachtoffer heeft aangegeven ook de schatting en onderbouwing van die schatting door de rechtbank in het vonnis van 9 december 2025 in de zaak van de medeverdachte te onderkennen.
De raadsman van de verdachte heeft niet betwist dat het slachtoffer schade heeft geleden door het mislopen van inkomsten. Hij betwist wel de omvang van de misgelopen inkomsten, door te wijzen op de geschatte opbrengsten van het werk en verschillende kostenposten, waar rekening mee moet worden gehouden.
De omvang van de geleden materiële schade kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid om de hoogte van de schade te kunnen bepalen. In de zaak van de medeverdachte heeft de rechtbank aan de hand van de bevindingen in de ontnemingsrapportage van 28 februari 2025 gemiddeldes aangenomen voor het aantal klanten van het slachtoffer per nacht, het aantal dagen per week dat het slachtoffer werkzaam is geweest, het aantal minuten per klant, en de opbrengsten per minuut.
Op basis van de chatgesprekken tussen het slachtoffer en de verdachte, de klantcontacten en de door het slachtoffer afgelegde verklaring, heeft de rechtbank in het vonnis van 9 december 2025 het gemiddeld aantal werkdagen op 3,5 dagen per week geschat en het gemiddelde aantal klanten op drie per nacht. De rechtbank zal die gemiddeldes aanhouden. Het gemiddelde aantal minuten per klant is in de ontnemingsrapportage berekend op 67 minuten, met inbegrip van afspraken na 10 april 2024 maar voor 26 april 2024, en een afspraak op 16 mei 2024 van 660 minuten vanwege onevenredige invloed op het gemiddelde, buiten beschouwing latende.
De rechtbank zal in de onderhavige zaak uitgaan van gemiddeld 67 minuten per klant en niet van 69 minuten zoals in de zaak van de medeverdachte, omdat in die zaak afspraken vóór 26 april 2024 niet zijn meegenomen in de bepaling van het gemiddelde. In deze zaak is dat anders, omdat ten aanzien van de verdachte een pleegperiode vanaf 10 april 2024 bewezenverklaard wordt. De gemiddelde opbrengsten komen daarmee conform de ontnemingsrapportage op € 4,17 per minuut.
Uit het onderzoek en de ontnemingsrapportage volgt dat de chatgesprekken tussen de verdachten en vermoedelijke klanten liepen vanaf 17 april 2024, zodat tot 27 mei 2024 wordt gerekend met afgerond vijf weken aan opbrengsten. Zodoende houdt de rechtbank rekening met vijf weken, maal 3,5 werkdagen, maal 3 klanten, maal 67 minuten per klant, maal € 4,17 opbrengst per minuut. Dat maakt een totaal aan inkomsten van € 14.668.
De rechtbank houdt vervolgens, zoals de rechtbank in de zaak van de medeverdachte heeft aangehouden, rekening met een aftrek van 20% (€ 2.933,60) voor het deel dat het slachtoffer heeft behouden, een bedrag van € 207,59 aan websitekosten en een aftrek van 21% (€ 3.080,28) aan omzetbelasting. De door het slachtoffer geleden materiële schade stelt de rechtbank dan ook met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid vast op
€ 8.446.
7.3.4.
Totale schadevergoeding en wettelijke rente
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding aldus (hoofdelijk) toe tot een totaalbedrag van € 13.446,--, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 27 mei 2024, de laatste dag van de pleegperiode nu de schade uiterlijk op die dag is ontstaan.
7.3.5.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
7.3.6.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
7.3.7.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte is ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht. De verdachte zal voor dit feit worden veroordeeld. De rechtbank zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.446,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen
(beslaglijst) onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen verbeurd worden verklaard. Het gaat om de volgende voorwerpen:
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-DHRCC24009_817133, Zwart, merk: Apple)
Voorwerpnummer: 817133
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-DHRCC24009_817619, Apple)
Voorwerpnummer: 81761
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-DHRCC24009_817559, Zwart, merk: Samsung)
Voorwerpnummer: 817559
8.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen voorwerpen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 273f van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
mensenhandel in vereniging;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
135 (HONDERDVIJFENDERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
45 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie van
90 (negentig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. zal meewerken aan begeleiding door of vanuit Chapter Next of van een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 13.446,-- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader(s) de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [het slachtoffer] , te betalen € 13.446,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader/mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2, en 3 genummerde voorwerpen, te weten:
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-DHRCC24009_817133, Zwart, merk: Apple)
Voorwerpnummer: 817133
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-DHRCC24009_817619, Apple)
Voorwerpnummer: 81761
1 STK Telefoontoestel
(Omschrijving: PL1500-DHRCC24009_817559, Zwart, merk: Samsung)
Voorwerpnummer: 817559
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. E. van Die, kinderrechter,
en mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.
Bijlage I
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 27 mei 2024 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) althans alleen,
een ander, genaamd [het slachtoffer] ,
(telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met
geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie,
- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [het slachtoffer] (sub 1),
- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [het slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4),
- heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [het slachtoffer] met of voor een derde (sub 9),
- ( telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [het slachtoffer] (sub 6),
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (meermalen)
• die [het slachtoffer] verteld dat hij werk voor haar had en/of een baan voor haar had
gevonden als sekswerker en/of
• die [het slachtoffer] verteld dat hij de verdiensten uit het sekswerk zou sparen voor een
huis waar zij samen zouden kunnen wonen en/of
• die [het slachtoffer] verteld dat zij 50% van de verdiensten zou krijgen en/of
• die [het slachtoffer] verteld dat er dagelijks betaald moet worden voor de website (p. 1411)
en/of hij elke dag betaalde voor de website (1412) en/of
• (een) (verificatie)foto’s van die [het slachtoffer] gemaakt en/of die [het slachtoffer] verzocht (een)
(verificatie)foto(‘s) ten behoeve van het maken van een seksadvertentie toe te
zenden en/of
• een (seks)advertentie gemaakt en/of op sekssites geplaatst en/of
• telefonisch contact onderhouden met prostitutieklanten en/of (een) afspra(a)k(en)
met klanten gemaakt en/of
• uitleg en/of instructie gegeven aan die [het slachtoffer] met betrekking tot de door die
[het slachtoffer] te verrichten/hanteren prostitutiewerkzaamheden en/of werktijden en/of
prijzen
• tegen/naar die [het slachtoffer] gezegd/geschreven:
• dat als die [het slachtoffer] geen geld heeft om condooms te kopen dat zij het maar zonder
moet doen en/of
• dat het tijd is dat [het slachtoffer] aan het werk gaat en dat zij het serieus moet nemen (p.
1413) en/of niks doet terwijl hij al het werk deed en/of
• die [het slachtoffer] vervoerd naar seksafspraken en/of
• -na (een) weerstand of weigering(en) om sekswerk te verrichten - (in de Engelse
taal) tegen/naar die [het slachtoffer] gezegd/geschreven:
• dat zij het twee dagen van tevoren aan moet geven als zij niet wil werken en/of
• dat zij haar werk niet serieus neemt en hij tegen Metin heeft gezegd dat zij niet
meer wil werken en hij op zoek gaat naar iemand anders en/of
• dat hij boos op haar is en haar een paar dagen niet wil zien (p. 1405) en/of dat hij
de website dicht doet en ze geen werk meer kan doen en/of hij haar gaat blocken
en/of
• dat indien zij de klant annuleert hij de website verwijdert en/of
• die [het slachtoffer] instructies gegeven omtrent de afdracht van het verdiende geld en/of
• het verdiende geld afgenomen en/of in ontvangst genomen en/of
• - in reactie op diefstal van het verdiende geld – tegen [het slachtoffer] gezegd dat zij voor
haar tas en portemonnee moet zorgen en niet hij en dat ze maar moet zorgen dat hij
morgen 250 euro van haar krijgt (p. 1423), althans woorden van gelijke aard en/of strekking;