ECLI:NL:RBDHA:2026:17023

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.46526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten wegens niet-tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Verzoekster heeft op 24 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 30 september 2023 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis.

Op 29 april 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op deze aanvraag. Verzoekster heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de minister door het niet tijdig beslissen geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoet is gekomen. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank de minister veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht', omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van deze proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot betaling van € 467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46526

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet)
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 24 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [persoon] van 30 september 2023.
Op 29 april 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekster heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.