Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17030

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27814
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:72 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid Al-Shabaab bedreigingen

Eiseres, afkomstig uit Somalië, diende een asielaanvraag in vanwege bedreigingen door Al-Shabaab, waaronder een collega die haar bedreigde en een moord op haar nichtje. De minister wees de aanvraag af, stellende dat de problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende bewijswaarde hechtte aan een verklaring van het district court in Somalië, waarin werd bevestigd dat eiseres slachtoffer is van Al-Shabaab. Ook vond de rechtbank dat de minister ten onrechte sprak van wisselende verklaringen over de collega en onvoldoende motiveerde waarom de politiehandeling ongerijmd zou zijn.

Hoewel de minister onzorgvuldig handelde door de aanvraag in de Algemene Asielprocedure te behandelen in plaats van de Verlengde Asielprocedure, leidt dit niet tot vernietiging omdat eiseres alsnog haar stukken kon indienen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het motiveringsgebrek en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van €1.868,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27814

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. T. Tichelaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Zij voert aan dat de minister haar asielaanvraag ten onrechte in de Algemene Asielprocedure heeft behandeld, ondanks toezeggingen om haar aanvraag in de Verlengde Asielprocedure te behandelen. Verder voert eiseres aan dat de minister haar problemen met Al-Shabaab ten onrechte niet gelooft. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich met zijn motivering niet op het standpunt mogen stellen dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staat een samenvatting van wat eiseres aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Onder 4. staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
  • Heeft de minister de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig mogen vinden?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag in de Algemene Asielprocedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
In de beroepsprocedure heeft eiseres drie documenten ingediend. De minister heeft deze documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten. Naar aanleiding van deze documenten heeft de minister op 30 oktober 2025 een aanvullend besluit genomen. Op 1 april 2026 heeft eiseres hierop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, I. Osman als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres komt uit Somalië en was werkzaam bij de [bedrijf] in [plaats] . Zij werd op een gegeven moment telefonisch bedreigd door Al-Shabaab. Zij kwam erachter dat de bedreigingen afkomstig waren van een collega, genaamd [naam] . Hij was in het geheim aangesloten bij Al-Shabaab en dreigde eiseres om het leven te brengen als zij niet zou stoppen met haar werkzaamheden. Eiseres heeft hiervan aangifte gedaan en [naam] is opgepakt. Vervolgens is eiseres ontslagen door haar problemen met Al-Shabaab. Eiseres had geen inkomen meer en kon haar woning niet meer betalen. Zij is uiteindelijk bij haar tante terechtgekomen. Op de eerste avond kwamen er mannen van Al-Shabaab aan de deur. Het nichtje van eiseres deed de deur open en is ter plekke doodgeschoten. Al- Shabaab belde eiseres de volgende dag. Haar werd verteld dat de kogel voor haar bedoeld was en dat eiseres alsnog vermoord zou worden. Toen heeft eiseres ervoor gekozen om Somalië te verlaten. Bij terugkeer vreest zij vermoord te worden door Al-Shabaab.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • de problemen met Al-Shabaab.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met Al-Shabaab vindt de minister niet geloofwaardig. De minister concludeert dat niet is gebleken dat eiseres een gegronde vrees heeft voor vervolging en heeft daarom de asielaanvraag afgewezen.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Hiervoor is het volgende van belang.
5.1.
Op 19 juni 2025 neemt de minister het voornemen dat hij de asielaanvraag van eiseres wil afwijzen in de Algemene Asielprocedure. Op 20 juni 2025 vraagt eiseres tijd om nadere stukken in te dienen én om haar aanvraag verder te behandelen in de Verlengde Asielprocedure. Met een e-mail van dezelfde dag stemt de minister in met dat verzoek. Dit bevestigt de minister nogmaals met een brief van 23 juni 2025. Op diezelfde dag laat de minister echter weten dat deze laatste brief berust op een ambtelijke misslag en dat die dag nog een beslissing wordt genomen op de asielaanvraag van eiseres, wat ook gebeurt. Door op 23 juni 2025 mee te delen dat de asielaanvraag toch in de Algemene Asielprocedure wordt behandeld en diezelfde nog een besluit te nemen, is eiseres de mogelijkheid ontnomen om tijdig haar zienswijze te geven op het voornemen. Hierdoor is het besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen.
5.2.
Er kleeft dus een gebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. En dat doet zij ook. Het is op dit moment in de procedure niet langer zo dat eiseres door de onzorgvuldigheid van de minister wordt benadeeld. Zij heeft in de beroepsprocedure de door haar gewenste stukken ingediend. De minister heeft deze stukken beoordeeld en eiseres in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze te geven, wat zij op 22 oktober 2025 heeft gedaan. Vervolgens heeft de minister, met inachtneming van de door eiseres ingediende stukken en haar zienswijze, een aanvullend besluit genomen. Dat aanvullend besluit ligt hier mede ter toetsing voor.
5.3.
Kortom: verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld, maar dit leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.
Heeft de minister de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig mogen vinden?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de door hem gegeven motivering zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de gestelde problemen van eiseres met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. Daarvoor zijn de volgende drie punten van belang.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen bewijswaarde wordt gehecht aan de verklaring van het ‘district court’ van 1 april 2024 (met referentienummer [nummer] ). Eiseres heeft in de beroepsprocedure drie documenten ingediend. De documenten zijn door Bureau Documenten als echt beoordeeld. Een van de documenten is van het ‘district court’ van 1 april 2024. In dit document staat het volgende vermeld:
“The court confirmed that [eiseres] is a victim who escaped from a terrorist group, and as such, she is in need of legal protection and humanitarian assistance. Upon reviewing the testimonies of the witnesses and family members, the [bedrijf] affirms that [eiseres] is a victim who fled for her life from the terrorist group Al-Shabaab.”
De minister stelt zich op het standpunt dat Bureau Documenten de juistheid van de inhoud niet heeft kunnen vaststellen. Ook is het voor de minister onduidelijk wie de desbetreffende getuigen zijn, hoe zij aan hun informatie komen en wat deze informatie precies inhoudt. De rechtbank vindt dit standpunt onvoldoende om geen bewijswaarde aan dit document toe te kennen. De minister gaat er met dit standpunt aan voorbij dat het ‘district court’ bevestigt dat eiseres slachtoffer is en voor haar leven is gevlucht voor Al-Shabaab. Dit stelt de ‘district court’ vast op basis van verklaringen van getuigen en familieleden. In de zienswijze heeft eiseres er op gewezen dat de verklaringen van haar oom en haar neef zijn. In wat de minister stelt ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van de inhoud van dit document te twijfelen.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres wisselend heeft verklaard over [naam] . Volgens de minister heeft eiseres enerzijds verklaard dat [naam] niet sociaal was en niet vaak communiceerde met collega’s. Anderzijds heeft zij verklaard dat zij hem regelmatig zag en met hem praatte. De rechtbank ziet -kijkend naar de verklaringen waar de minister naar verwijst- geen tegenstrijdigheid. Op de vraag of eiseres [naam] wel eens tegenkwam op werk, antwoordt zij dat zij hem regelmatig zag. Vooral in de ochtend of bij de omkleedruimte. Zij praatte dan met elkaar, ook met andere collega’s erbij. Het ging dan vooral over algemene dingen. [1] Later tijdens het gehoor is eiseres gevraagd of [naam] verdacht was onder andere collega’s. Zij antwoordt dat [naam] zich normaal gedroeg, maar niet sociaal was. Hij was teruggetrokken en communiceerde niet vaak met andere collega’s. [2] Om hieruit te concluderen dat eiseres wisselend heeft verklaard over hoe [naam] op het werk interacteerde met collega's, is te verstrekkend. Dat [naam] niet sociaal is en niet vaak met andere collega's communiceerde, sluit niet uit dat eiseres regelmatig met hem praatte.
6.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister het standpunt dat de werkwijze van de politie ongerijmd is, onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister verwijst naar een passage uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 waarin staat dat de overheid niet de capaciteit had om burgers tegen Al-Shabaab te beschermen. Volgens de minister is het dan ongerijmd dat eiseres naar de politie is gegaan om aangifte te doen tegen [naam] en dat hij binnen een paar uur is gearresteerd. Daarbij merkt de minister op dat het opmerkelijk is dat eiseres dit van [naam] zelf heeft gehoord in plaats van de politie. De rechtbank overweegt dat de passage in het ambtsbericht waar de minister naar verwijst betrekking heeft op belastinginning door Al-Shabaab. Daar gaat het hier niet over. Verder overweegt de rechtbank dat eiseres heeft verklaard dat zij naar de politie is gegaan om aangifte te doen tegen [naam] . Een agent had alles opgeschreven en gaf aan dat ze een onderzoek gingen opstarten. Op dezelfde dag werd zij gebeld door [naam] die haar vertelde dat hij was opgepakt en dat hij vastzat. [3] Naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat ook met een beperkte capaciteit door de politie snel kan worden gehandeld. Eiseres is namelijk met concrete aanwijzen naar de politie gegaan over wie haar bedreigde. De minister heeft ook opgemerkt dat het opmerkelijk is dat [naam] haar zelf heeft gebeld om te vertellen dat hij vast zat. Hoewel de rechtbank op zichzelf kan volgen dat dit een opmerkelijke gang van zaken is, heeft eiseres hierover ook opgemerkt dat zij denkt dat hij een telefoon van iemand anders heeft gebruikt om haar te bellen. Ook indien dit opmerkelijk wordt gevonden, is het standpunt van de minister dat eiseres ongerijmd heeft verklaard over de werkwijze van de politie gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd.
6.4.
De rechtbank constateert dat door de minister ook andere argumenten ten grondslag zijn gelegd aan het standpunt dat het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig kan worden geacht. Maar naar het oordeel kunnen die argumenten op zichzelf die conclusie niet dragen. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de bewijswaarde van het document van de ‘district court’ doorwerkt in en van belang is voor de hele geloofwaardigheidsbeoordeling.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat de minister opnieuw naar de asielaanvraag van eiseres moet kijken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de minister opnieuw moet beoordelen of hij de door eiseres gestelde problemen met Al-Shabaab geloofwaardig acht, met inachtneming van wat hiervoor is geoordeeld. Het toepassen van een zogenoemde bestuurlijke lus is gelet hierop geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 juni 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Pagina 14 van het rapport nader gehoor.
2.Pagina 21 van het rapport nader gehoor.
3.Pagina 8 van het rapport nader gehoor