ECLI:NL:RBDHA:2026:17034

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
K/4502/12039380
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Meester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:438 BWArt. 1:440 BWArt. 6:96 BWArt. 6:265 BWArt. 556 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming bij huur gesloten tijdens bewind zonder medewerking bewindvoerder

De zaak betreft een huurovereenkomst gesloten op 1 februari 2021 tussen eiser en drie huurders, waarvan twee sinds 2017 onder bewind staan. De huurders zijn in gebreke gebleven met betaling van de huur, waardoor eiser ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van huurachterstand vordert.

De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, omdat het aangaan van de huurovereenkomst een obligatoire rechtshandeling is en geen beheershandeling die toestemming van de bewindvoerder vereist. Echter, op grond van artikel 1:440 lid 1 BW Pro kan eiser zich niet verhalen op het vermogen van de onder bewind gestelden, omdat het bewind was ingeschreven in het CCBR en eiser dit had moeten kennen.

De huurachterstand van twaalf maanden wordt als ernstig genoeg beoordeeld om ontbinding en ontruiming toe te wijzen, ondanks het belang van een minderjarig kind in de woning. De kantonrechter weegt mee dat hulpverlening en bewindvoerder betrokken zijn en dat eiser bereid is het gezin tot 31 december 2026 in de woning te laten tegen een gereduceerde huur.

De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen tegen de niet-onder bewind gestelde huurder, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden hoofdelijk aan gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en ontruiming toegewezen; betaling huurachterstand wordt toegewezen tegen niet-onder bewind gestelde huurder, maar niet tegen onder bewind gestelden.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JMM / B/C
Zaaknummer: 12039380 \ RL EXPL 26-92
Vonnis (bij vervroeging) van 25 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen

1.JAAP BEWINDVOERDERS B.V.,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam 1] ,
te [woonplaats 1] ,
gemachtigde: mr. P. van der Veld,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,
3.
JAAP BEWINDVOERDERS B.V.,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam 2] ,
te [woonplaats 1] ,
gemachtigde: mr. P. van der Veld,
gedaagde partijen.
Eiser wordt hierna aangeduid als [eiser] . Gedaagden 1 en 3 worden samen aangeduid als de bewindvoerder q.q. Gedaagde 2 wordt aangeduid als [gedaagde sub 2] . De onder bewind gestelden worden aangeduid als [naam 1] en [naam 2] .
De zaak in het kort
[eiser] is eigenaar van een appartementsrecht aan de [adres] . Hij heeft het appartement verhuurd aan [naam 1] , [naam 2] en [gedaagde sub 2] . Er is een huurachterstand ontstaan. [eiser] vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van € 25.350 met nevenvorderingen. [naam 1] en [naam 2] staan sinds 2017 onder bewind. De bewindvoerder q.q. is verschenen en voert verweer.
De kantonrechter wijst de gevorderde ontbinding toe en [naam 1] , [naam 2] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld het gehuurde uiterlijk 31 december 2026 te ontruimen. [gedaagde sub 2] wordt veroordeeld tot betaling van een deel van het door [eiser] gevorderde bedrag. De van [naam 1] en [naam 2] gevorderde betaling wordt afgewezen. Zij hebben de huurovereenkomst gesloten terwijl hun goederen onder bewind stonden, zonder dat de bewindvoerder daaraan heeft meegewerkt. [eiser] kon van het bewind weten. Dit betekent dat er wel een overeenkomst tot stand is gekomen, maar [eiser] zich niet op het vermogen van [naam 1] en [naam 2] kan verhalen voor de huurachterstand. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 december 2025, met bijlagen,
- de conclusie van antwoord, met bijlagen,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het e-mailbericht van [eiser] van 9 juni 2026 met bijlage,
- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen. Ook is [naam 3] namens de bewindvoerder q.q. verschenen samen met haar advocaat mr. Van der Veld. [gedaagde sub 2] is niet verschenen. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De beoordeling

Vonnis op tegenspraak
2.1.
In deze procedure is [gedaagde sub 2] niet verschenen. Omdat de in de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [gedaagde sub 2] verstek verleend. De bewindvoerder q.q. is wel verschenen. Daarom wordt op grond van de wet één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering).
2.2.
In beginsel gelden de verweren van de verschenen gedaagde, niet ten gunste van de niet-verschenen gedaagde. Maar dit is anders als sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Dat is een rechtsverhouding waarbij het noodzakelijk is dat de beslissing tegen alle betrokkenen hetzelfde is. Wat betreft de gevorderde ontbinding en ontruiming is daarvan sprake. Wat betreft de gevorderde betaling van een geldsom is daarvan geen sprake. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] , hoewel hij niet is verschenen, als het ware ‘meelift’ op het verweer van de bewindvoerder q.q. over de ontbinding en ontruiming, maar niet wat betreft de gevorderde betaling van een geldsom.
Het staat vast dat een huur van € 1.550 per maand is afgesproken
2.3.
[eiser] stelt dat hij op 1 februari 2021 een huurovereenkomst heeft gesloten met [naam 1] , [gedaagde sub 2] en [naam 2] waarbij zij het appartement aan de [adres] huurden tegen betaling van € 1.550 per maand. Ter zitting heeft [eiser] het bestaan van deze overeenkomst nader onderbouwd, onder meer door te wijzen op betalingen die [gedaagde sub 2] en [naam 1] gedaan hebben. Hierop heeft de bewindvoerder q.q. niet langer betwist dat [naam 1] , [gedaagde sub 2] en [naam 2] een huurovereenkomst zijn aangegaan met een huurprijs van € 1.550 per maand. Ook [gedaagde sub 2] heeft dat niet betwist. Dit staat dus tussen partijen vast.
De huurovereenkomst is rechtsgeldig
2.4.
Op 28 maart 2017 is door de kantonrechter bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [naam 1] en [naam 2] wegens hun lichamelijke of geestelijke toestand. Op 4 april 2017 is dat bewind ingeschreven in het Centraal curatele- en bewindregister (CCBR). De bewindvoerder q.q. voert aan dat de huurovereenkomst vernietigbaar is, omdat de huurovereenkomst tijdens het bewind is aangegaan zonder haar medewerking.
2.5.
Dit verweer slaagt niet. Door het bewind zijn [naam 1] en [naam 2] niet handelingsonbekwaam geworden. Wel heeft het bewind tot gevolg dat [naam 1] en [naam 2] niet langer bevoegd zijn om de onder bewind staande goederen te beheren en dat zij alleen met toestemming van de bewindvoerder of de kantonrechter over de onder bewind staande goederen kunnen beschikken (artikel 1:438 lid 1 en Pro 2 Burgerlijk Wetboek, BW). ‘Beheer’ betekent: alle feitelijke- en rechtshandelingen die gedaan worden om de onder bewind staande goederen in stand te houden of de opbrengst ervan te verwerven, en dus samenhangen met de normale exploitatie van het goed. ‘Beschikken’ betekent: het vervreemden of met enig recht bezwaren van de onder bewind staande goederen. Een beheershandeling of beschikkingshandeling die door de rechthebbende zelf wordt verricht, is ongeldig (nietig). Het bewind tast niet de bevoegdheid van [naam 1] en [naam 2] aan om obligatoire rechtshandelingen te verrichten, waaronder het aangaan van obligatoire overeenkomsten. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis. [1] Dit is alleen anders als het aangaan van de obligatoire overeenkomst direct samenhangt met de normale exploitatie van een onder bewind staand goed en daarmee een beheershandeling is. Het aangaan van de huurovereenkomst waarover deze zaak gaat, is naar het oordeel van de kantonrechter een obligatoire rechtshandeling die geen beheershandeling is. Deze rechtshandeling mochten [naam 1] en [naam 2] dus verrichten.
2.6.
Dit betekent dat de huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende verbintenis om de huur van € 1.550 te betalen, rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.
Er is een huurachterstand van twaalf maanden
2.7.
Door de bewindvoerder q.q. is ter zitting niet langer betwist dat de huur geruime tijd niet is betaald. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat door de bewindvoerder q.q. na dagvaarding een tijd lang een deel van de huur is betaald en dat het nu gaat om een achterstand van twaalf maanden, dus (12 × € 1.550 =) € 18.600.
[eiser] kan geen verhaal nemen op het vermogen van [naam 1] en [naam 2]
2.8.
De bewindvoerder q.q. voert aan dat [eiser] geen verhaal kan nemen op het vermogen van [naam 1] en [naam 2] , omdat het bewind was ingeschreven in het CCBR en [eiser] dit bewind had moeten kennen.
2.9.
Dit verweer slaagt. Ondanks het gegeven dat een rechthebbende ook tijdens het bewind bepaalde rechtshandelingen rechtsgeldig kan verrichten (zie hierboven 2.5), wordt de rechthebbenden in bepaalde gevallen beschermd tegen de gevolgen van die rechtshandelingen. Artikel 1:440 lid 1 BW Pro biedt de rechthebbende bescherming tegen verhaal van schulden die ontstaan door (rechts)handelingen die niet de onder bewind gestelde goederen betreffen. [2] Het gaat daarbij om (rechts)handelingen met de rechthebbende door een schuldeiser die het bewind kende of had moeten kennen. Naar het oordeel van de kantonrechter had [eiser] het bewind moeten kennen. Het bewind was gepubliceerd in het CCBR. Dit register is voor iedereen gratis toegankelijk, doorzoekbaar en te raadplegen via www.rechtspraak.nl. Dat [eiser] dit niet heeft gecontroleerd, komt voor zijn risico. Omdat het bewind geldt voor alle (toekomstige) goederen van [naam 1] en [naam 2] en dit op grond van artikel 1:440 lid 1 BW Pro ook geldt na beëindiging van het bewind, zal [eiser] zich voor de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet kunnen verhalen op de goederen van [naam 1] en [naam 2] . Dit betekent dat de gevorderde huurachterstand, de buitengerechtelijke incassokosten en de rente daarover ten aanzien van de bewindvoerder q.q. wordt afgewezen.
De ontbinding en ontruiming wordt toegewezen
2.10.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [3] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. Ook is van belang of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt artikel 3 lid 1 IVRK Pro mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht en bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, als eerste overweging in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. [4]
2.11.
Bij [naam 1] en [naam 2] woont onder meer een minderjarig kind dat in beginsel een zwaarwegend belang heeft om in het gehuurde te blijven wonen. De kantonrechter heeft dit zwaarwegend belang afgewogen tegen de volgende omstandigheden. De huurachterstand van twaalf maanden is groot en in beginsel ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. Er is hulpverlening betrokken die meezoekt naar een andere woning voor [naam 1] , [naam 2] en hun gezin. Ook is de bewindvoerder q.q. betrokken en zijn verwachting is dat wanneer de onduidelijkheid over het huurcontract en de huurschuld bij dit vonnis is weggenomen, het gezin betere kans maakt te worden toegelaten tot de schuldsanering. Tot slot heeft [eiser] zich bereid verklaard het gezin nog tot 31 december 2026 in de woning te laten wonen tegen maandelijkse betaling van € 1.256 door de bewindvoerder q.q. Dit geeft het gezin en de hulpverlening nog een aantal maanden de tijd om een andere woning te vinden. Deze omstandigheden wegen, samen gezien, zwaarder dan het belang van gedaagden en het minderjarige kind om in de woning te blijven.
2.12.
De kantonrechter heeft niet kunnen vaststellen dat [eiser] ten aanzien van gedaagden heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Dit maakt het voorgaande echter niet anders. Gezien de hoogte van de huurachterstand en het feit dat al hulpverlening en een bewindvoerder bij het gezin betrokken was, acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat een vroeghulpsignalering het oplopen van de huurschuld had kunnen voorkomen.
2.13.
De kantonrechter komt daarom tot de slotsom dat de gevorderde ontbinding en ontruiming gerechtvaardigd zijn en zullen worden toegewezen.
2.14.
De ontruiming wordt toegewezen tegen de datum van 31 december 2026. Vanwege de hierboven geschetste omstandigheden acht de kantonrechter deze ruime termijn redelijk.
2.15.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat op grond van de wet alleen de deurwaarder een ontruiming van een woning mag uitvoeren. [5]
[gedaagde sub 2] moet de huurachterstand betalen
2.16.
[gedaagde sub 2] heeft tegen de gevorderde betaling van de huurachterstand geen verweer gevoerd. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat de achterstand op dit moment twaalf termijnen is, dus (12 × € 1.550 =) € 18.600. Deze vordering komt de kantonrechter niet kennelijk ongegrond of onrechtmatig voor en wordt tegen [gedaagde sub 2] toegewezen. De gevorderde hoofdsom is voor het overige kennelijk ongegrond en wordt afgewezen.
[gedaagde sub 2] moet wettelijke rente betalen
2.17.
De huur moest vooruit worden betaald. Door de huurtermijnen te laat te betalen, is [gedaagde sub 2] de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand verschuldigd.
[gedaagde sub 2] moet incassokosten betalen
2.18.
[eiser] vordert van [gedaagde sub 2] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 2] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft [gedaagde sub 2] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding is gelijk aan het tarief voor het bedrag dat is vermeld in de aanmaning van 1 juli 2025, namelijk € 12.800. Daarbij hoort het tarief van € 903 en dit bedrag zal worden toegewezen.
De gevorderde verklaring voor recht en rechterlijk bevel worden afgewezen
2.19.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat gedaagden zijn tekortgeschoten in de naleving van haar verplichtingen als huurder uit hoofde van de met eiser gesloten huurovereenkomst. [eiser] heeft niet toegelicht welk belang hij heeft bij deze verklaring van recht anders dan het verkrijgen van betaling en ontbinding en ontruiming, die apart zijn gevorderd. De gevorderde verklaring wordt daarom afgewezen wegens gebrek aan belang.
2.20.
[eiser] vordert een veroordeling van gedaagden om de huur tot aan de ontbinding tijdig bij vooruitbetaling te voldoen. Deze verplichting vloeit echter al voort uit de huurovereenkomst. De bewindvoerder q.q. heeft bovendien toegezegd tot 31 december 2026 maandelijks een bedrag van € 1.256 aan Shah te betalen. De kantonrechter wijst deze vordering daarom af wegens gebrek aan belang.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
2.21.
Gedaagden zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
238,80
- griffierecht
753,00
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.317,30
2.22.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] ,
3.2.
veroordeelt gedaagden om het gehuurde uiterlijk op 31 december 2026 te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
3.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] € 18.600 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
3.4.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 903 aan buitengerechtelijke kosten,
3.5.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.317,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op
25 juni 2026.

Voetnoten

1.MvA bij art. 3.6.1.2,
2.MvT bij het wetsontwerp ‘Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen’,
3.Artikel 6:265 BW Pro.
4.Hoge Raad 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.
5.Artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro.