ECLI:NL:RBDHA:2026:17038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12066828 \ RP VERZ 26-50085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing causaal verband gezondheidsklachten na arbeidsongeval en toewijzing voorschot buitengerechtelijke kosten

Verzoekster, voormalig docent Lichamelijke Opvoeding bij WSKO, stelt dat haar gezondheidsklachten het gevolg zijn van een arbeidsongeval waarbij een metalen ladder op haar viel. WSKO en haar verzekeraar MSIG erkennen aansprakelijkheid voor het ongeval, maar betwisten het causaal verband met de klachten. Diverse medische expertises, waaronder van een neuroloog en een neuropsycholoog, zijn overgelegd. De neuroloog constateert tendomyogene afwijkingen zonder neurologisch substraat voor de klachten, en de neuropsycholoog vindt geen aanwijzingen voor cognitieve disfuncties door het ongeval.

De kantonrechter oordeelt dat verzoekster onvoldoende feiten en bewijs heeft geleverd om het causaal verband aannemelijk te maken. De whiplashjurisprudentie is niet van toepassing omdat er wel een medisch objectiveerbare afwijking is, maar deze verklaart de klachten niet volledig. Ook bestonden sommige klachten al voor het ongeval. Het verzoek om een verzekeringsgeneeskundige expertise wordt daarom afgewezen wegens gebrek aan belang.

Wel wordt een voorschot op de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand toegewezen, omdat de zaak complex is, er veel medische rapportages zijn en de causaliteitsdiscussie de schaderegeling vertraagt. De kosten van het deelgeschil worden begroot en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot causaal verband en verzekeringsgeneeskundige expertise afgewezen, voorschot op buitengerechtelijke kosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
br/cd
Zaaknummer / rekestnummer: 12066828 \ RP VERZ 26-50085
Beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster],
gemachtigde: mr. S. Boer (Solvit Letselschade Advocaten),
tegen

1.WESTLANDSE STICHTING VOOR KATHOLIEK ONDERWIJS (WSKO),

te Poeldijk,
2.
SOCIETAS EUROPAEA (BELGIË) MET VESTIGING IN NEDERLAND MSIG EUROPE,
te Amstelveen,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: WSKO en MSIG,
gemachtigde: mr. H.M. Kruitwagen (Kruitwagen & Partners).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlages 1 tot en met 24, binnengekomen op de griffie op 16 januari 2026,
  • het verweerschrift met bijlages 1 tot en met 16.
1.2.
Op 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat toen is besproken. In overleg met partijen heeft de kantonrechter de procedure daarna aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.
1.3.
Nadat partijen de kantonrechter op 11 mei 2026 hebben geïnformeerd dat zij niet tot een schikking zijn gekomen, is de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
WSKO heeft zeventien basisscholen verdeeld in de gemeentes [gemeente 1] en [gemeente 2]. [verzoekster] is vanaf 30 [maand] 2004 tot 1 september 2020 als docent Lichamelijke Opvoeding in dienst geweest van WSKO.
2.2.
[verzoekster] is op 4 februari 2019 betrokken geraakt bij een arbeidsongeval (hierna: het ongeval). Toen zij ter voorbereiding van een gymles op een school van WSKO diverse materialen aan het klaarzetten was is een metalen ladder met een geschat gewicht van circa 28 kilogram omgevallen en op de linkerzijde van het achterhoofd, de nek en de schouder van [verzoekster] beland. Daarbij heeft [verzoekster] het bewustzijn niet verloren.
2.3.
[verzoekster] heeft WSKO aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval. MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO aansprakelijkheid erkend voor schade ontstaan door het ongeval. Beide partijen hebben vervolgens medische adviezen aangevraagd, die in deze procedure zijn overgelegd.
2.4.
Partijen en hun medisch adviseurs hebben van begin af aan een andere mening over het realiteitsgehalte van de klachten van [verzoekster] en het causaal verband tussen haar klachten en het ongeval. [verzoekster] heeft daarom een verzoek tot het benoemen van een deskundige bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. De door de kantonrechter benoemde deskundige, [neuroloog 2], heeft in zijn concept neurologische expertise van 17 juni 2024 voor zover hier relevant het volgende geschreven en op de vragen van de kantonrechter geantwoord:
“(…)
Vroegere ziekten, operaties of ongevallen
In 2009 moest zij acuut stoppen met topsport handbal. Dat gaf spanningsklachten. In deze periode heeft ze ook een kijkoperatie gehad van de linkerknie waarbij een deel van de meniscus is verwijderd en waarbij er een gedeeltelijke kruisbandletsel werd vastgesteld. Plotseling stoppen gaf problemen. Daarvoor kwam ze onder behandeling van de psychosomatisch therapeut [therapeut]. Dat heeft effect gehad. Rond de zwangerschap (ze beviel in [maand] 2015) heeft ze ook spanningsklachten gehad. De hoofdpijn kan ze zich niet herinneren. Deze klachten waren volstrekt anders dan de klachten die ze na het ongeval had. Ze had toen aan beide kanten klachten, terwijl dit nu enkelzijdig is. Ook rond de zwangerschap waaruit haar zoontje is geboren (2018) waren er spanningsklachten, waarbij ze ook niet goed kon doorslapen. Het waren drukke tijden. Ze heeft toen ontspanningsoefeningen gehad. Een en ander had een goed effect. (…)
Samenvatting en bespreking
In de voorgeschiedenis is sprake van angstklachten met ook verminderde energie en problemen met slapen waarvoor al behandeling in 2009 en 2011 door psychosomatisch fysiotherapeut heeft plaatsgevonden. Deze meldt in 2015 dat ze al langer tension headache klachten heeft, alsmede spanningsklachten van de nek en schouder/arm regio. In verband met een bevalling is de behandeling in 2015 een periode onderbroken en vervolgens weer gestart in december 2015, waarbij in 2016 wordt gemeld dat onrust, tension headache klachten en nek- en schouder klachten zijn afgenomen c.q. zijn verdwenen. Ze slaapt goed en heeft een normale energie. In mei 2018 meldt [therapeut] opnieuw spanningsklachten en onrust in het hele lichaam. Er volgt dan een behandeling tot juli 2018, waarbij de energie voldoende is. Ze slaapt beter. (…)
De anamnese voor wat betreft ongeval en ongeval mechanisme komt overeen met de dossierbevindingen. Dat geldt in grote lijnen ook voor het beloop van de klachten en de ingestelde behandelingen. In het dossier meldt de neuroloog dat de duizeligheid op een bepaald moment weg was. Ze geeft aan dat het soms ook op een dag wel even weg kan zijn, maar feitelijk eigenlijk bijna continu aanwezig is. Uit de anamnese werd duidelijk dat ze op 07-09-2019 een telefonisch contact heeft gehad met de huisarts en zo ook op 04-02-2019. Er is op deze dagen geen onderzoek verricht. Ten aanzien van de klachten uit het verleden geeft ze aan dat deze anders waren dan de klachten na het ongeval, waarbij er met name een verschil zit in het feit dat deze toen beiderzijds aanwezig waren en nu slechts aan één kant en ook anders en waarbij ook de duizeligheidklachten nu aanwezig zijn. De vermoeidheid was eerder fysiek en nu lichamelijk en mentaal. In de periode direct voorafgaand aan het ongeval had zij geen klachten en ook geen beperkingen, met uitzondering van het feit dat zij niet moest gaan hardlopen vanwege de linkerknie. Wat betreft de duizeligheidklachten is er met name een zeeziek gevoel en niet zozeer draaiduizeligheid. Het kan ook een valgevoel zijn; dat kan naar alle kanten zijn. Er persisteren klachten van visuele overprikkeling, tinnitus rechts meer dan links, vermoeidheidklachten zowel in haar hoofd als in haar lijf waarbij ze ook niet fit opstaat maar wel voldoende slaapt. Daarnaast is er sprake van pijnklachten links in de nek en bij het schouderblad links als ook in het craniocervicale overgangsgebied links, waarbij de pijn ook kan doortrekken naar het voorhoofd aan de linkerkant. De pijn heeft een zeurend karakter en neemt af bij bewegen. De NRS-score varieert tussen 3 en 8. Bij belasten nemen de klachten toe. De duizeligheid vertoont pieken, is eigenlijk dagelijks aanwezig, maar niet continu. Het is veelal een soort golfidee. Ze heeft overdag rust nodig om te ontprikkelen, waarbij ze gebruik maakt van mindfulness en wandelen. Bij oriënterend neuropsychologisch onderzoek kan zij de anamnese goed en voldoende gedetailleerd vertellen. De aandacht is goed te trekken en te houden. Bij de MOCA scoort zij 27/30. Bij de algemene feiten is er slechts 1 afwijkend antwoord. Neurologisch onderzoek in engere zin laat geen afwijkingen zien aan hersenzenuwen, motoriek, sensibiliteit, coördinatie en reflexen. Met name is er geen sprake van afwijkende oogbewegingen, ook niet bij provocatie. Er is sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio mn links. De onderzoeksbevindingen komen in essentie overeen met de eerder in het dossier beschreven onderzoeksbevindingen van [neuroloog 1]. Beeldvormend onderzoek liet geen afwijkingen zien.
Op basis van de onderzoeksbevindingen is er sprake van tendomyogene afwijkingen in de nekregio, met name aan de linkerzijde. Er zijn geen aanwijzingen voor primair vestibulaire afwijkingen. De beschrijving van de duizeligheidklachten past bij PPPD (Staab et al., Journal of Vestibular Research, 2017,27, 191-208); dit betreft een functionele aandoening waarvan de etiologie onduidelijk is. Er is eerder onderzoek verricht, onder andere een EEG en ook neuropsychologisch onderzoek, op basis waarvan postcommotioneel syndroom is gediagnosticeerd, maar op basis van de anamnese is/was er niet overtuigend sprake van traumatisch hersenletsel. Daarmee moet naar mijn mening een nieuw en uitgebreider neuropsychologisch onderzoek worden verricht om te zien of de bewering in het verrichte onderzoek stand houdt. De diagnose BPPD is in het verleden gesteld, maar nimmer bevestigd door onderzoeksbevindingen. Het lijkt met name gebaseerd te zijn geweest op anamnestische gegevens. (De neuroloog [neuroloog 1] concludeerde in 2019 tot BPPD en posttraumatische cervicobrachialgie). Zoals hierboven is aangegeven past een en ander beter bij PPPD, een diagnose die ook eerder is gesteld door Kelder. (…)
Beantwoording van uw vragen

1.De situatie met ongeval

(…)
Medische gegevens
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:
- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;
- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.
Antwoord:
Op basis van het medisch dossier van betrokkene is de medische voorgeschiedenis beschreven, niet alleen op het vakgebied van de neurologie. Ik wil daarbij verder verwijzen naar het hoofdstuk “Vroegere ziekten, operaties en ongevallen”. Voor de medische behandeling van het letsel van betrokkene en resultaten daarvan wordt verwezen naar de samenvatting zoals die hierboven is weergegeven.
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? (…)
Antwoord:
d. op hoofdlijnen is er een overeenkomst tussen anamnese en dossier. Dat geldt ook voor de onderzoeksbevindingen.
Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Antwoord:
Er is sprake van een status na trauma capitis en trauma van de nek en scapularegio aan de linkerkant met nu posttraumatische tendomyogene klachten in de nek en scapularegio links, alsmede energetische klachten en duizeligheidklachten. Voor de duizeligheidklachten kan ik geen neurologisch substraat aangeven. Ik vind geen aanwijzingen voor centraal of perifeer vestibulaire afwijkingen. De ervaren energetische en cognitieve problemen (onder andere “sensore integratie” klachten) lijken mij secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom. Voor het primair bestaan van cerebraal letsel zijn er op basis van de anamnese en het dossier en de beeldvorming alsmede het onderzoek van drs vd Scheer geen overtuigende aanwijzingen.
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn/haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Antwoord:
Bij het ontbreken van een neurologisch substraat voor de klachten kan ik conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie op dit moment geen beperkingen aangeven.

2.De situatie zonder ongeval

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen en welk percentage functionele invaliditeit voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Antwoord:
a. Betrokkene had op basis van anamnese en dossier in de periode direct voor het ongeval geen klachten of afwijkingen op het vakgebied van de neurologie. In het verleden heeft ze in 2009, 2015 en 2018 tendomyogene pijnklachten gehad rond zwangerschappen en plotseling moeten afkicken van een topsportcarrière. Deze klachten waren toen bilateraal aanwezig, terwijl ze nu enkelzijdig zijn en er ook andere klachten aanwezig zijn die er toen niet waren.
b. N.v.t.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
Antwoord:
c. Op basis van anamnese en dossier heb ik geen reden aan te nemen dat zij de klachten ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen met uitzondering van de spierspanningsklachten die ook eerder al aanwezig waren blijkens het dossier en die derhalve opnieuw hadden kunnen optreden, maar dat laatste is geen zekerheid. Een en ander wil overigens niet zeggen dat daarmee een neurologisch substraat voor de klachten kan aangeven. Er is een relatie in tijd.
d. Zie c.

3.Overig

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
Antwoord:
a. Ik heb verder geen opmerkingen anders dan het advies om een nieuw neuropsychologisch onderzoek te laten doen. Voor dit onderzoek adviseer ik u om bijvoorbeeld mevrouw drs. [neuropsycholoog], klinisch neuropsycholoog te Zutphen, te vragen betrokkene daartoe uit te nodigen waarna ik desgewenst aanvullend kan rapporteren. Zij is bekend bij uw rechtbank en heeft ervaring in deze.
(…)”
2.5.
[verzoekster] is vervolgens neuropsychologisch onderzocht door [neuropsycholoog], die daarover in haar neuropsychologische expertise van 23 juni 2025 voor zover hier relevant het volgende heeft geschreven:
“(…)
Eindconclusie
Het neuropsychologisch onderzoek levert in relatie tot de gestelde neurologische werkhypothesen gelieerd aan het ongeval (zie neurologische bevindingen dr. [neuroloog 2]) geen evidentie voor het bestaan van een primair dan wel pijngemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid. De werkhypothese/labelling dat we mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval is vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar. (…) Om voorts tot verdere labelling (hypothese: somatisch-symptoomstoornis (300.82) dan wel anderszins) te komen én om na te gaan wat de klachtenonderhoudende dan wel herstelbelemmerende factoren zijn, is het zinvol om het oordeel van de psychiater te raadplegen (aanbeveling).
Beantwoording van de vragen
1.
Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in helderheid van het bewustzijn?
Het onderzoek levert geen aanwijzingen voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid.
2.
Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval van 4 februari 2019?
3.
Zijn er wellicht andere oorzaken dan dit ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die een verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?
Aangezien er op basis van onderhavig onderzoek géén stoornissen kunnen worden vastgesteld, is het antwoord op beide vragen (vraag 2 en 3) ‘niet van toepassing’.
4.
Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een als gevolg van het ongeval d.d. 4 februari 2019 ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?
Daar het onderzoek geen evidentie levert voor het bestaan van verminderde cognitieve belastbaarheid, welke mogelijk toegeschreven kan worden aan structurele schade aan het brein, luidt het antwoord op deze vraag ‘niet van toepassing’.
(…)”
2.6.
[neuroloog 2] heeft in zijn aanvullend rapport van 27 augustus 2025 geschreven dat zijn eerdere bevindingen in het neuropsychologisch onderzoek van [neuropsycholoog] worden bevestigd en dat de door [neuropsycholoog] aangeraden psychiatrische expertise voor zijn beoordeling niet nodig is.
2.7.
WSKO en MSIG hebben in totaal een bedrag van € 12.000,00 aan voorschotten op schade aan [verzoekster] betaald.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking:
voor recht verklaart dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval,
WSKO en MSIG beveelt mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] op basis van de vraagstelling zoals die in bijlage 24 bij het verzoekschrift is opgetekend,
WSKO en MSIG beveelt de openstaande kosten van rechtsbijstand ter hoogte van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,
de kosten van dit deelgeschil begroot op een bedrag van € 7.018,09 en WSKO en MSIG hoofdelijk veroordeelt tot betaling van dit bedrag en het griffierecht aan [verzoekster].
3.2.
Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Er bestaat een (juridisch) causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval, aangezien het klachtenpatroon van [verzoekster] plausibel is en geen sprake is van een alternatieve oorzaak voor het ontstaan van haar klachten. Om te voorkomen dat de schaderegeling (opnieuw) stokt, wil [verzoekster] dat een verzekeringsgeneeskundige wordt benoemd. Verder staat op dit moment een bedrag van € 19.927,50 aan buitengerechtelijke kosten open. Deze kosten maken onderdeel uit van de schade en komen voor vergoeding in aanmerking. Het is daarom onacceptabel dat WSKO en MSIG dit bedrag onbetaald laten.
3.3.
WSKO en MSIG vragen de kantonrechter de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.
3.4.
WSKO en MSIG voeren daartoe het volgende aan. De gezondheidsklachten van [verzoekster] zijn niet terug te voeren op het ongeval. Van een medisch of juridisch causaal verband tussen de geduide klachten en het ongeval is dan ook geen sprake. De verzochte verklaring voor recht dient daarom te worden afgewezen. Uit de deskundigenberichten van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] volgt dat voor geen van de door [verzoekster] gestelde klachten een neurologisch substraat bestaat waardoor geen beperkingen kunnen worden geduid. Er is daarom geen reden om een verzekeringsgeneeskundige expertise te gelasten. Partijen schieten met eventuele conclusies van een verzekeringsarts ook niets op, aangezien het enkele vastleggen van de geduide beperkingen niets zegt over de vraag of die beperkingen te relateren zijn aan feitelijke letsels of ziektes als gevolg van het ongeval. Daarnaast doorstaan de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet. Aan [verzoekster] zijn al meerdere voorschotten betaald. Gelet op de causaliteitsdiscussie tussen partijen, is op dit moment geen ruimte voor nadere bevoorschotting.

4.De beoordeling

De deelgeschilprocedure
4.1.
[verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de causaliteit tussen de door [verzoekster] geduide klachten en het ongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in worden voortgezet. De kantonrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk bespreken.
De inhoudelijke beoordeling
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] het gestelde causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en het ongeval onvoldoende heeft onderbouwd en dat de door haar verzochte verklaring voor recht en het bevel om mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise daarom niet voor toewijzing in aanmerking komen. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.
De verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen
4.5.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat haar gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019. Het gaat hierbij om de volgende klachten:
hoofdpijn,
(posttraumatische) tendomyogene schouder- en nekklachten met uitstraling naar de armen aan de linkerzijde (cervicobrachialgie),
energetische gezondheidsklachten, waaronder ernstige vermoeidheid en (daaruit voorvloeiende) sterk verminderde fysieke en motorische belastbaarheid en verhoogde emotionele sensitiviteit,
cognitieve gezondheidsklachten, waaronder sensorische integratie problematiek, (draai)duizeligheid en overgevoeligheid voor prikkels.
4.6.
De vraag die dan beantwoord moet worden is of de hierboven genoemde klachten zijn veroorzaakt door het ongeval, zoals [verzoekster] stelt en WSKO en MSIG betwisten. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medisch objectiveerbare klachten bij [verzoekster], maar dat sprake is van een juridisch causaal verband omdat sprake is van een plausibel klachtenpatroon en een alternatieve oorzaak voor de klachten ontbreekt.
4.7.
Deze stelling van [verzoekster] lijkt te zijn ontleend aan de zogenoemde ‘whiplashjurisprudentie’. Deze jurisprudentie kan in deze zaak echter niet (onverkort en naar analogie) worden toegepast. De whiplashjurisprudentie vormt een uitzondering, die beperkt blijft tot gevallen waarin weliswaar sprake is van klachten die voor het ongeval niet bestonden, maar niet van een medische objectiveerbare afwijking die aan die klachten ten grondslag kan liggen. De kantonrechter is met WSKO en MSIG van oordeel dat het in de situatie van [verzoekster] gaat om een ongeval waardoor een medisch objectiveerbare afwijking kán en ook is ontstaan, te weten een kneuzing van de schouder- en nekspieren waarop de ladder is gevallen. Het enkele feit dat [verzoekster] na het ongeval aanhoudende klachten ervaart (waarvoor geen medisch substraat wordt gevonden), is daarom onvoldoende om het conditio sine qua non-verband aan te nemen.
Dit geldt te meer nu, zoals hierna wordt overwogen, een deel van de klachten ook al voorafgaand aan het ongeval bestond.
4.8.
Het is aan [verzoekster] om feiten te stellen waaruit volgt dat het letsel en de schade die daaruit is voortgevloeid door het ongeval zijn veroorzaakt en deze feiten, bij gemotiveerde betwisting daarvan, te bewijzen. De kantonrechter merkt op dat door partijen een forse hoeveelheid aan medische informatie en rapportages is verzameld. Omdat ter zitting met partijen is geïnventariseerd dat de deskundigen [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] ten tijde van het uitbrengen van hun expertises over alle eerder verzamelde medische informatie beschikten en dat hun expertises daarom leidend zijn, zijn alleen de bevindingen uit die expertises in de feiten van deze beschikking opgenomen.
4.9.
[verzoekster] heeft ter onderbouwing van het door haar gestelde causaal verband gewezen op hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise over de anamnese, de diagnose en over de consistentie van haar klachten heeft geschreven. Hoewel het klopt dat [neuroloog 2] in zijn expertise schrijft dat hij op basis van de anamnese en het dossier geen reden heeft om aan te nemen dat [verzoekster] de klachten, met uitzondering van de al eerder aanwezige spierspanningsklachten, ook zou hebben ontwikkeld wanneer haar het ongeval niet was overkomen en dat sprake is van een relatie in tijd, lijkt het hier om een aanname te gaan waar verder geen handen en voeten aan wordt gegeven. Voorts geldt dat [neuroloog 2] geen functionele beperkingen op neurologisch gebied heeft kunnen vaststellen. Ook [neuropsycholoog] komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een primaire dan wel pijn gemedieerde verminderde cognitieve belastbaarheid van [verzoekster] en schrijft dat de werkhypothese dat we in de situatie van [verzoekster] mogelijk te maken zouden kunnen hebben met het bestaan van cognitieve disfuncties in relatie tot het ongeval vanuit neuropsychologisch perspectief niet houdbaar is. Op basis van de medische expertises van [neuroloog 2] en [neuropsycholoog] kan het causaal verband tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval dus niet worden vastgesteld.
4.10.
Van belang is verder dat (een gedeelte van) de klachten van [verzoekster] voor het ongeval ook al bestonden. Zo volgt uit hetgeen [neuroloog 2] in zijn expertise onder het kopje ‘Vroegere ziekten, operaties of ongevallen’ heeft opgenomen dat [verzoekster] zowel in 2009, 2015 als in 2018 last heeft gehad van spanningsklachten en volgt uit hetgeen onder het kopje ‘samenvatting en bespreking’ is geschreven dat [verzoekster] zowel in 2015 als in 2016 ook al
tension headacheervaarde. Daarbij komt dat uit de samenvatting van het medisch dossier van [verzoekster] volgt dat haar klachten vlak na het ongeval snel minder werden en pas na een vakantie in juli 2019 weer toenamen. Op basis van dit alles ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten om een causaal verband aan te nemen. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] om voor recht te verklaren dat de onder randnummer 7 van het verzoekschrift opgesomde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval wordt afgewezen.
WSKO en MSIG hoeven niet mee te werken aan een verzekeringsgeneeskundige expertise
4.11.
Omdat hierboven is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de gezondheidsklachten van [verzoekster] in juridisch causaal verband staan met het ongeval van 4 februari 2019, is het weinig zinvol een verzekeringsarts te benoemen om beperkingen te laten vaststellen. Dit is door [verzoekster] desgevraagd ter zitting ook bevestigd. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] om WSKO en MSIG te bevelen mee te werken een verzekeringsgeneeskundige expertise door de heer [naam] daarom vanwege een gebrek aan belang daarbij afwijzen.
Openstaande kosten rechtsbijstand
4.12.
Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.
4.13.
Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schaden beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en/of is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.
4.14.
Bij de vraag of de gedeclareerde kosten redelijk zijn is het volgende van belang. In het algemeen wordt in letselschadezaken op basis van het aantal gewerkte uren bij de verzekeraar gedeclareerd. Zo is het hier ook gegaan. Een advocaat heeft een grote mate van vrijheid bij de inrichting en de omvang van de werkzaamheden ten behoeve van zijn of haar cliënt. De cliënt en advocaat zijn ook vrij om een bepaald tarief overeen te komen. Maar als de benadeelde verlangt dat de aansprakelijke partij deze kosten van de rechtsbijstand betaalt mag verwacht worden dat de benadeelde en diens professionele belangenbehartiger ook rekening houden met het belang van de aansprakelijke partij door er voor te zorgen dat de kosten binnen de grenzen van de redelijkheid blijven. Het gaat er niet om of de belangbehartiger alle gedeclareerde werkzaamheden werkelijk heeft verricht, maar om de vraag of het redelijk is dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de aansprakelijke partij komen. Eén van de aspecten die daarbij een rol kan spelen is de vraag of de kosten van rechtsbijstand in een aanvaardbare verhouding staan tot de hoogte van de schade. Ook de houding of een gebrek aan medewerking van de aansprakelijke partij kan een rol spelen.
4.15.
Het gaat in deze zaak om een relatief ingewikkelde zaak. Over de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid is weliswaar geen discussie geweest, MSIG heeft namens haar verzekerde WSKO immers aansprakelijkheid erkend en voorschotten betaald, maar tussen partijen bestaat wel een causaliteitsdiscussie. Mede in dat kader zijn meerdere medische expertises verricht, die de belangenbehartiger van [verzoekster] steeds heeft moeten bestuderen en met [verzoekster] heeft moeten bespreken. Daarbij komt dat die expertises er niet voor hebben gezorgd dat partijen het eens zijn geworden over het antwoord op de vraag of een causaal verband bestaat tussen de klachten van [verzoekster] en het ongeval van 4 februari 2019, waardoor zij ook nog geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de schade. Gelet op de looptijd van dit dossier, de hoeveelheid medische expertises en de causaliteitsdiscussie, acht de kantonrechter de gedeclareerde kosten redelijk. WSKO en MSIG worden daarom veroordeeld om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 te betalen.
De kosten van het deelgeschil
4.16.
Omdat de vorderingen van [verzoekster] voor het belangrijkste deel worden afgewezen zullen WSKO en MSIG niet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil. Wel moet de kantonrechter op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.17.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter wederom de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.18.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 7.018,09 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. WSKO en MSIG hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben WSKO en MSIG aangevoerd dat twintig uur bovenmatig is. Volgens WSKO en MSIG is een aantal van vijftien uren redelijk.
4.19.
Gelet op de complexiteit van dit geschil, komt de door de gemachtigde van [verzoekster] opgegeven tijdsbesteding de kantonrechter niet bovenmatig voor. De kantonrechter zal de kosten van dit deelgeschil dan ook begroten op (16 uren x € 290,00 inclusief btw) + (4 uren x € 270,00 inclusief btw), zijnde € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
beveelt WSKO en MSIG om de openstaande kosten van rechtsbijstand van een bedrag van € 19.927,59 (rechtstreeks) aan Solvit Letselschade Advocaten te betalen,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.018,09 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.