Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17068

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL26.7722
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 45 Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 66a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken verdragsvluchtelingenstatus ondanks discriminatie en dienstweigering

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man, diende op 11 december 2023 een asielaanvraag in met het beroep dat hij vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging en weigering van de dienstplicht in Turkije wordt gediscrimineerd en vervolgd. De minister wees de aanvraag op 10 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, mede vanwege het te kwader trouw vernietigen van zijn paspoort.

De rechtbank behandelde het beroep op 13 mei 2026 en oordeelde dat de minister terecht concludeerde dat eiser geen verdragsvluchteling is. De rechtbank vond dat de ervaren discriminatie niet ernstig genoeg was om te spreken van vervolging en dat de minister voldoende rekening had gehouden met de Turkse grondwettelijke vrijheid van godsdienst. Ook de vrees voor dienstplichtweigering en mogelijke inzet bij oorlogshandelingen werd onvoldoende onderbouwd door eiser.

Verder was het vernietigen van het paspoort te kwader trouw, wat de afwijzing als kennelijk ongegrond rechtvaardigde. Het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar was eveneens rechtmatig en hoefde niet nader gemotiveerd te worden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7722

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Anik),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister is terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging of vanwege zijn weigering de dienstplicht te vervullen verdragsvluchteling is. Verder mocht de minister de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond en mocht de minister eiser een inreisverbod opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 december 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.7723, op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1998. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Turkije wordt gediscrimineerd vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging. Daarnaast heeft hij de dienstplicht nog niet vervuld, zodat hij bij terugkeer zal worden gedwongen om die alsnog te vervullen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Negatieve reacties vanwege sjiitische geloofsovertuiging;
(3) Eiser heeft de dienstplicht nog niet vervuld.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het volgende standpunt. De minister vindt alle drie de asielmotieven geloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van deze asielmotieven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser geen verdragsvluchteling is en bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat eiser daarnaast te kwader trouw zijn paspoort heeft vernietigd, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [2]
Is eiser verdragsvluchteling?
5. Eiser betoogt dat hij verdragsvluchteling is, omdat hij in Turkije vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging wordt gediscrimineerd en vreest voor vervolging vanwege het niet vervullen van de dienstplicht.
Discriminatie vanwege sjiitische geloofsovertuiging
6. Eiser betoogt dat hij als gevolg van de discriminatie vanwege zijn sjiitische geloofsovertuiging verdragsvluchteling is. De minister heeft eiser tegengeworpen dat zijn problemen slechts bestaan uit “negatieve bejegening en pesterijen” die niet ernstig genoeg zijn om te spreken van een vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft daarmee de frequentie, duur en intensiteit van de negatieve bejegeningen en de sociale uitsluiting niet onderkend, heeft de discriminatie, sociale uitsluiting en de algemene positie van sjiieten in Turkije onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld en de beoordeling ten onrechte slechts beperkt tot de vraag of eiser is uitgesloten van onderwijs of werk. Juist de combinatie van deze elementen heeft ertoe geleid dat eiser in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt. Eiser stelt verder dat de minister onvoldoende ‘toekomstgericht’ heeft getoetst. Dat eiser nooit eerder ernstige problemen heeft ondervonden, sluit niet uit dat dit in de toekomst wél kan gebeuren. De minister is onvoldoende ingegaan op de gevolgen voor eiser als hij zijn religie in het openbaar gaat uiten. De enkele verwijzing van de minister naar de grondwettelijke vrijheid van religie is onvoldoende, omdat formele waarborgen niet zonder meer verhinderen dat minderheden in de praktijk worden gediscrimineerd. De minister had de positie van sjiieten aan de hand van algemene landeninformatie moeten beoordelen en deze moeten toetsen aan het relaas van eiser.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. Niet iedere vorm van discriminatie is een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarvan is slechts sprake als een vreemdeling vanwege die discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk of sociaal gebied kan functioneren. [3] De minister heeft terecht geconcludeerd dat dit bij eiser niet is gebleken. De minister wijst er namelijk terecht op dat eiser heeft verklaard dat hij in Turkije naar school is geweest en heeft kunnen werken. [4] Het is vervelend dat eiser vanwege zijn geloofsovertuiging in het dagelijks leven is gepest en negatief is bejegend, en daardoor belemmeringen heeft gevoeld om zijn geloof buiten zijn eigen leefomgeving te belijden, maar dat maakt – ook in onderlinge samenhang bezien – nog niet dat hij in Turkije niet in het dagelijks leven kon functioneren. De minister heeft geen beperkte toetsing verricht. Hij heeft de omstandigheden die eiser in zijn verklaringen naar voren heeft gebracht beoordeeld. De rechtbank ziet verder niet in waarom de toetsing van de minister onvoldoende toekomstgericht zou zijn. De minister heeft er, onder verwijzing naar het recentste ambtsbericht, [5] op gewezen dat de Turkse grondwet een vrijheid van religie garandeert. De niet-onderbouwde suggestie dat de praktijk in Turkije weerbarstiger is, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser (zelf) tegen problemen aan zal lopen als hij zijn geloofsovertuiging in het openbaar uit. Datzelfde geldt voor de verwijzing van eiser op zitting naar wat zijn vader heeft meegemaakt. Daarmee is immers niet gezegd dat eiser bij terugkeer dezelfde problemen zal ondervinden. [6]
Dienstweigering
7. Eiser betoogt verder dat hij verdragsvluchteling is omdat hij in Turkije de dienstplicht nog niet heeft vervuld. Eiser zal de dienstplicht bij terugkeer naar Turkije alsnog moeten vervullen, en daar heeft hij – mede vanuit zijn geloof – diepgewortelde gewetensbezwaren tegen. In Turkije kunnen dienstplichtigen namelijk structureel worden ingezet bij operaties waarbij ernstige mensenrechtenschendingen worden gemeld. Eiser wil vanuit zijn geloofsovertuiging geen mensen doden. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom inzet in een gewapend conflict, gelet op de leeftijd en nationaliteit van eiser en de algemene systematiek van de Turkse dienstplicht, niet reëel zou zijn. Bovendien mag niet van eiser worden verwacht dat hij concretiseert bij welke eenheid, op welke locatie of bij welke operatie hij zal worden ingezet als hij in dienst moet. De minister mocht daarom niet aan eiser tegenwerpen dat hij zijn vrees enkel baseert op vermoedens. Daar komt nog bij dat eiser vreest voor de algemene veiligheidssituatie voor dienstplichtigen en hoe Turkije omgaat met dienstplichtweigeraars. Ook dat heeft de minister niet onderkend.
7.1.
Als een vreemdeling stelt te vrezen voor vervolging vanwege dienstweigering, toetst de minister eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd vanwege een vrees om (anders) te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven. Is dat niet het geval, dan beoordeelt de minister of dienstweigering leidt tot een onevenredige of discriminatoire bestraffing, of dat de dienstweigering voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren (vanuit bijvoorbeeld een godsdienst). [7]
7.2.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen verdragsvluchteling is vanwege dienstweigering. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het Thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije van juli 2019, op het standpunt gesteld dat Turkse dienstplichtigen al enkele jaren niet meer worden ingezet bij gevechtshandelingen en dat strijdkrachten in de grensgebieden grotendeels bestaan uit beroepsmilitairen. [8] Eiser heeft deze informatie slechts betwist met zijn niet-onderbouwde vermoeden dat hij als dienstplichtige zal worden ingezet bij gevechtshandelingen die mensenrechtenschendingen tot gevolg hebben. Van eiser wordt niet verwacht dat hij tot in detail concretiseert op welke locatie en bij welke eenheid zal worden ingezet, maar wel dat hij de landeninformatie waar de minister naar verwijst weerlegt met (landen)informatie waaruit het tegendeel blijkt. Daar is hij niet in geslaagd, zodat niet valt in te zien waarom eiser als dienstplichtige zal worden gedwongen deel te nemen aan oorlogsmisdrijven. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat op dienstweigering in Turkije geen onevenredige of discriminatoire bestraffing volgt en dat eiser verder geen onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen militaire dienst heeft. Eiser heeft dat in beroep verder niet betwist, anders dan met een niet nader onderbouwde verwijzing naar de “veiligheidssituatie” en de wijze waarop Turkije omgaat met dienstweigeraars.
Conclusie over deze beroepsgrond
8. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen verdragsvluchteling is.
Mocht de minister de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
9. Eiser betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond op de grond dat hij zijn paspoort te kwader trouw heeft vernietigd. Eiser erkent dat hij in een vroeg stadium fouten heeft gemaakt onder invloed van angst en stress, en dat hij zijn paspoort heeft vernietigd uit vrees voor terugzending naar Turkije. In latere fasen (zoals tijdens het nader gehoor en in de correcties en aanvullingen) heeft eiser echter volledige openheid van zaken gegeven en heeft hij zijn eerdere onjuiste verklaringen gecorrigeerd. Het valt niet in te zien waarom deze correcties niet als uitgangspunt kunnen dienen.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser zijn paspoort te kwader trouw heeft vernietigd en dat hij de aanvraag daarom mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft verklaard dat hij zijn Turkse paspoort in België heeft verscheurd uit angst om teruggestuurd te worden naar Turkije en een terugkeer naar Turkije te verhinderen. [9] Dat is voldoende om aan te nemen dat eiser zijn paspoort te kwader trouw heeft vernietigd. Dat eiser dit onder invloed van angst en stress of vanwege zijn psychische situatie heeft gedaan, heeft eiser niet onderbouwd en is daarom – zoals de minister terecht stelt – niet verschoonbaar. Evenmin is van belang dat eiser later volledige openheid van zaken heeft gegeven en onjuiste verklaringen heeft gecorrigeerd. Dat doet er feitelijk namelijk niet aan af dat eiser zijn paspoort aanvankelijk heeft vernietigd.
Mocht de minister eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opleggen?
10. Eiser betoogt dat de minister het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de minister het profiel van eiser (als sjiitische moslim en dienstplichtontduiker), de mogelijke gevolgen bij terugkeer en de persoonlijke omstandigheden van eiser daar onvoldoende bij heeft betrokken. Eiser stelt dat de minister (daarom) had moeten uitleggen waarom in eisers geval een inreisverbod van twee jaar proportioneel is.
10.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat de minister de asielaanvraag van eiser mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Dat heeft (van rechtswege) tot gevolg dat tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn wordt uitgevaardigd [10] en dat aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar wordt opgelegd. [11] De minister hoeft het terugkeerbesluit en het inreisverbod daarom niet nader te motiveren en daarbij in te gaan op de persoonlijke situatie van eiser. Voor zover eiser nog heeft betoogd dat de minister aanleiding had moeten zien om het opleggen van een inreisverbod achterwege te laten, [12] legt hij met het enkele noemen van zijn profiel, de gevolgen bij terugkeer en zijn persoonlijke omstandigheden niet nader uit waarom deze elementen aanleiding moeten zijn om geen inreisverbod op te leggen, zodat de minister daarom niet van het opleggen van een inreisverbod had hoeven afzien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser daarom niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat is mogelijk op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, zoals die gold tot 12 juni 2026.
3.Dat staat in paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals die gold tot 12 juni 2026.
4.Zie het verslag van het aanmeldgehoor van 23 februari 2024, p. 5 en het verslag van het nader gehoor van 4 februari 2026, p. 8.
5.De minister heeft gewezen op het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025, p. 67.
6.Vergelijk paragraaf C2/2.3 van de Vc 2000, zoals die gold tot 12 juni 2026.
7.Dat staat in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc 2000, zoals die gold tot 12 juni 2026.
8.De minister wijst op het Thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije van juli 2019, p. 15 en 22.
9.Zie het verslag van het nader gehoor van 4 februari 2026, p. 4.
10.Vergelijk artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met paragraaf A3/3.3 van de Vc 2000.
11.Dat staat in artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf A4/2.3 van de Vc 2000.
12.Dat kan de minister doen op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000.