ECLI:NL:RBDHA:2026:17075

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL25.15146
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.G. Noordhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 14 VisumcodeArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familiebezoek

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf in Nederland, welke door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel, namelijk familiebezoek. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing en komt tot het oordeel dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

De rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende objectief verifieerbare bewijsstukken heeft overgelegd die het bestaan van de beoogde familieband aantonen. Ondanks de overgelegde documenten, waaronder een verklaring van garantstelling en geboorteaktes, ontbreekt het bewijs van een gemeenschappelijke voorouder. Eiseres heeft ook niet concreet kunnen aangeven welke aanvullende documenten zij nog zou kunnen overleggen.

Verder oordeelt de rechtbank dat het horen van eiseres in bezwaar niet noodzakelijk was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Ook is geen recht op betaling van een dwangsom, omdat het bezwaar kansloos was. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag wegens onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel familiebezoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15146

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. C. Huy),
en

de minister van Buitenlandse Zaken,

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag door eiseres van een visum kort verblijf in Nederland. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres heeft haar verblijfsdoel namelijk niet aangetoond. Ook oordeelt de rechtbank dat eiseres niet gehoord hoefde te worden en dat eiseres geen recht heeft op de betaling van een dwangsom. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook was referent aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag visum kort verblijf kennelijk ongegrond verklaard omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten, met name omdat de sociale en economische binding met Marokko onvoldoende is aangetoond. De minister heeft afgezien van het horen van eiseres en betaalt geen dwangsom, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
Verblijfsdoel aangetoond?
4. Eiseres betoogt dat haar ten onrechte is tegengeworpen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Zij stelt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij de familieband onvoldoende heeft aangetoond met de door haar overgelegde stukken in combinatie met het feit dat haar vader en referent dezelfde achternaam dragen. Verder heeft eiseres, ongeacht de familierelatie, met het formulier ‘Bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking’ waarin referent verklaart logies te verstrekken en garant te staan in combinatie met de overgelegde stukken en haar toelichting in het bezwaarschrift, aangetoond dat zij als doel heeft om referent als “family or friend” te bezoeken. Tot slot betoogt eiseres dat de minister ten onrechte niet concreet heeft laten weten welke stukken eiseres diende te overleggen om het reisdoel aan te tonen en dat de minister heeft nagelaten om aanvullende stukken op te vragen terwijl de minister dat wel gedaan heeft voor de verdere onderbouwing van de binding met Marokko.
4.1
Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum onder meer geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Op grond van artikel 14, eerste lid, onder a., van de Visumcode met als titel “Bewijsstukken” wordt van aanvragers van een eenvormig visum, dat wil zeggen een visum dat geldig is voor het gehele grondgebied van de lidstaten, verlangd dat zij documenten waaruit het doel van de reis blijkt, verstrekken. Dit betekent dat er een hoge mate van bewijslast ten aanzien van het verblijfsdoel op aanvrager rust.
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld oordeelt de rechtbank, zoals ook ter zitting bevestigd door partijen, dat het verblijfsdoel dat eiseres dient aan te tonen ‘familiebezoek’ betreft. Dit volgt uit de ‘declaration sur l’honneur’ die eiseres heeft overgelegd bij de aanvraag, waarin zij verklaart dat referent haar ‘oncle’ is. Ook blijkt het uit de formulieren die referent heeft ingevuld, waarin hij aangeeft dat eiseres familie [1] en nicht [2] is. Verder heeft eiseres in beroep nog eens herhaald dat referent familie van haar is. Eiseres stelt immers dat de vader van referent een broer van de opa is van eiseres langs vaders kant. [3] De minister heeft terecht als voorwaarde voor het aantonen van het verblijfsdoel van eiseres gesteld dat zij het bestaan van deze gemeenschappelijke voorouder met objectief verifieerbare bewijsstukken aantoont. Dat betekent ook dat eiseres met haar betoog dat zij het verblijfsdoel aannemelijk heeft gemaakt dan wel een begin van bewijs van de verwantschap heeft geleverd, een te lage bewijsmaatstaf aanlegt. De minister concludeert vervolgens terecht dat ook bij het nemen van het besluit in bezwaar stukken ontbraken die het bestaan van deze gemeenschappelijke voorouder aantonen. De wel door eiseres overgelegde stukken (de ‘declaration sur l’honneur’, een foto waarop eiseres en referent beiden zichtbaar zijn, en de overgelegde geboorteaktes van eiseres, van referent en van de vader van referent) tonen het bestaan van deze gemeenschappelijke voorouder niet aan. Hieruit blijkt namelijk enkel dat sprake is van een overeenkomende achternaam, maar de verdere familierelatie tussen referent en de opa van eiseres wordt hieruit niet duidelijk. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat het, ondanks pogingen daartoe, niet mogelijk is gebleken om aan een document te komen dat het bestaan van een gemeenschappelijke voorouder direct aantoont. Deze stelling heeft eiseres echter niet onderbouwd. Wat betreft het betoog van eiseres dat de minister onvoldoende concreet heeft laten weten welke documenten eiseres moest overleggen om haar verzuim te herstellen, overweegt de rechtbank het volgende. Ten eerste heeft eiseres ter zitting verklaard dat er van haar geen verdere documenten te verwachten zijn die het verblijfsdoel aantonen, zodat niet valt in te zien wat het aanbieden van verder herstelverzuim had opgeleverd. Ten tweede stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het voor eiseres duidelijk was dat het op haar weg lag om de gestelde familierelatie in bezwaar alsnog aan te tonen. Dit ook omdat dit in de weigeringsbeschikking en in de Vragenlijst Visumaanvraag [4] aan eiseres en referent kenbaar was gemaakt. Ten derde betekent het feit dat de minister in een email van 12 februari 2025 nadere informatie heeft gevraagd over de economische binding met Marokko, niet dat de minister daarmee ook gehouden was verdere vragen te stellen over het verblijfsdoel. De economische en sociale binding met het land van herkomst betreft een andere beoordelingsmaatstaf (redelijke twijfel), die ook andere informatie vraagt.
4.3.
Omdat de rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verblijfsdoel niet is aangetoond, heeft de minister de aanvraag om een visum terecht afgewezen en behoeven de beroepsgronden tegen het standpunt van de minister dat ook de binding met Marokko niet aannemelijk is gemaakt, geen bespreking. Op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode wordt een visum namelijk geweigerd als aan één van de weigeringsvoorwaarden wordt voldaan.
Had de minister in bezwaar moeten horen?
5. Eiseres betoogt dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. Zij wijst op de summiere motivering van het primaire besluit en het feit dat zij in bezwaar aanvullende verklaringen en documenten heeft aangeleverd. Bij een gehoor zou eiseres een nadere toelichting kunnen geven over haar economische en sociale binding met Marokko.
5.1.
Op grond van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een belanghebbende voor beslissing op bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Artikel 7:3 van Pro de Awb geeft een limitatieve opsomming van uitzonderingen van het uitgangspunt dat belanghebbende gehoord wordt, waaronder onder a. indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald [5] dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Van horen in bezwaar kan worden afgezien in het geval het evident is dat het in bezwaar aangevoerde het primaire besluit redelijkerwijs niet anders kan maken. Het is de taak van de bestuursrechter om de reden om af te zien van horen in bezwaar te toetsen, als daar in de beroepsgronden over wordt geklaagd.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft het bezwaar terecht kennelijk ongegrond verklaard. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat meteen duidelijk is dat het bezwaar over het standpunt dat het verblijfsdoel niet is aangetoond, redelijkerwijs niet tot een ander besluit kan leiden. Een hoorzitting kan namelijk het gebrek aan objectieve bewijsstukken voor de familieband niet herstellen, ook omdat voor het herstel hiervan voldoende gelegenheid is geboden (zie overweging 4.2 hiervoor). Het betreft gezien de bewoording van artikelen 14 en 32 van de Visumcode bovendien geen zaak waarbij er voor de beslissing een sterke afhankelijkheid is van de omstandigheden van het geval en er een individuele belangenafweging moet worden gemaakt, omdat de bewijsmaatstaf “aantonen met documenten” van feitelijke aard is.
Had de minister een dwangsom moeten toekennen?
6. Eiseres betoogt tot slot dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij geen dwangsom verschuldigd is omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. De bedoeling van artikel 4:17, vijfde lid, onder b en c van de Awb is volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen [6] te voorkomen dat burgers misbruik maken van recht. Zo moet onder meer voorkomen worden dat burgers in bezwaar gaan tegen een besluit om een dwangsom te krijgen, terwijl op voorhand duidelijk is dat het bezwaar kansloos is. Dat is in deze zaak niet geval, omdat de minister zelf in de bezwaarfase een herstelmogelijkheid heeft geboden. Eiseres betoogt verder dat het onwenselijk is als een bestuursorgaan om te voorkomen dat er een dwangsom verschuldigd wordt, besluit de belanghebbenden niet te horen en het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De bewoordingen van artikel 4:17, vijfde lid, onder c en artikel 7:14 van Pro de Awb laten in deze zaak geen ruimte voor de lezing van eiseres dat wanneer sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, er toch omstandigheden kunnen zijn waaronder een dwangsom verschuldigd is. Dat in de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting wordt geschreven dat deze bepaling er vooral toe strekt misbruik te voorkomen, maakt dat niet anders. Dit ten eerste omdat de bewoording van het artikel tekstueel eenduidig is en ten tweede omdat het gebruik van het woord ‘vooral’ in de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting ook ruimte laat voor een andere bedoeling dan slechts het voorkomen van misbruik. Voor zover eiseres heeft willen stellen dat de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft verklaard om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen, stelt de rechtbank vast dat deze stelling niet is onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen en terecht geen dwangsom heeft toegekend. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Referent in het formulier Bewijs van garantstelling en/of logiesverstrekking, p. 5.
2.Referent in de vragenlijst visumaanvraag) p. 9, 10, 12 en 13, waar hij zowel stelt dat eiseres familie is als een nicht.
3.Met andere woorden: een grootvader van referent langs zijn vaders kant is ook overgrootvader van eiseres langs haar vaders kant, binnen de familie [achternaam].
4.Vragenlijst Visumaanvraag, p. 9.
5.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
6.TK 2004-2005, 29934, nr.3.