ECLI:NL:RBDHA:2026:17080
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf ondanks medische ingreep minderjarige zoon
Verzoeker heeft een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen. Tegen deze afwijzing is bezwaar gemaakt en vervolgens is een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de bezwaarprocedure als visumhouder te worden behandeld, zodat verzoeker aanwezig kan zijn bij de medische ingreep van zijn in Nederland wonende minderjarige zoon.
De voorzieningenrechter oordeelt dat toewijzing van het verzoek feitelijk een onomkeerbare situatie creëert, omdat een visum voorafgaand aan de bezwaarprocedure vereist is. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan een dergelijke voorlopige voorziening worden toegekend. Hoewel het begrijpelijk is dat verzoeker bij de medische ingreep aanwezig wil zijn, is niet gebleken van zulke bijzondere omstandigheden. De aanwezigheid van de moeder van de minderjarige zoon, die in Nederland woont, en de mogelijkheid tot betrokkenheid op afstand wegen mee.
Verder is het oordeel van de minister over de afwijzing van het visum voldoende gemotiveerd en is niet aannemelijk gemaakt dat de belangen van het kind onvoldoende zijn meegewogen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om als visumhouder te worden behandeld wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.