ECLI:NL:RBDHA:2026:17081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23803
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen voor terugkeervisum wegens ernstig zieke vader

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de weigering van een verblijfsvergunning en verzocht om een voorlopige voorziening om rechtmatig verblijf te verkrijgen en een terugkeervisum te kunnen aanvragen. Dit verzoek is gedaan omdat haar vader in Tunesië ernstig ziek is en zij hem wil bezoeken om afscheid te nemen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek voldoet aan het connexiteitsvereiste en dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de palliatieve toestand van de vader. De belangenafweging van de minister, die het gezinsleven tussen verzoekster en haar dochter onvoldoende heeft meegewogen, vertoont een motiveringsgebrek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft en schorst het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist. Tevens worden de proceskosten en griffierecht ten laste van de minister vergoed.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst zodat verzoekster rechtmatig verblijf krijgt en een terugkeervisum kan aanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23803

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. Deze zaak gaat (alleen nog) over de vraag of het weigeren van een verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. De minister stelt zich in het besluit van 30 maart 2026 op het standpunt dat dit niet het geval is. Weliswaar is er tussen verzoekster en haar jongvolwassen dochter [naam dochter] van 22 jaar (dochter) sprake van gezinsleven, maar de door de minister te verrichten belangenafweging valt in het nadeel van verzoekster uit.
1.1.
Verzoekster heeft op 27 april 2026 beroep ingesteld tegen het besluit van 30 maart 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Op 15 juni 2026 heeft verzoekster de minister en de rechtbank via een bericht in het digitaal dossier geïnformeerd dat haar vader die in Tunesië woont stervende is en dat zij hem wil bezoeken om afscheid te kunnen nemen. Hangende haar beroepsprocedure heeft zij alleen geen rechtmatig verblijf in Nederland zodat zij niet in aanmerking komt voor een terugkeervisum. Zij verzoekt de rechtbank daarom om de voorlopige voorziening te treffen dat hangende de beroepsprocedure de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort zodat zij weer rechtmatig verblijf heeft en zij in aanmerking komt voor een terugkeervisum. Op deze manier kan zij (hopelijk tijdig) afreizen naar Tunesië.
1.3.
Met het bericht van 17 juni 2026 heeft de minister laten weten zich te verzetten tegen het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft partijen gelet op de aard van het verzoek op zeer korte termijn uitgenodigd voor een zitting. Het verzoek is vervolgens op 19 juni 2026 op zitting behandeld en hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster [1] en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Het onderzoek ter zitting is rond 11:30 uur gesloten.
1.5.
De griffier heeft diezelfde dag, omstreeks 13:00 uur, het dictum aan partijen doorgebeld waarbij is medegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen. Dit oordeel licht de voorzieningenrechter onder 5.3 tot en met 5.5 nader toe.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. [2]
2.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Is er voldaan aan het connexiteitsvereiste?
3. Een verzoek om voorlopige voorziening moet voldoen aan het vereiste van connexiteit. [3] Dit betekent dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan hangende een bezwaar – of beroepsprocedure tegen een besluit (formele connexiteit) en dat wat verzoekster met haar verzoek wil bereiken betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
3.1.
De voorzieningenrechter stelt in onderhavige zaak vast dat sprake is van een connexe procedure zodat wordt voldaan aan het vereiste van connexiteit. Verzoekster heeft tegen het afwijzende besluit van 30 maart 2026 namelijk beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening zorgt ervoor dat verzoekster hangende haar beroepsprocedure rechtmatig verblijf in Nederland verkrijgt. Het schort namelijk de rechtsgevolgen van dit besluit op. Hierdoor komt zij in aanmerking voor een terugkeervisum. Dit is met de schriftelijke reactie van 17 juni 2026 ook door de minister bevestigd en evenmin op zitting betwist.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Verzoekster voert aan dat zij spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening, en daarmee het kunnen verkrijgen van een terugkeervisum, omdat haar vader die in Tunesië verblijft ernstig ziek is en waarschijnlijk op zeer korte termijn zal komen te overlijden. Verzoekster wil haar vader daarom graag bezoeken om afscheid van hem te kunnen nemen en (mogelijk) zijn uitvaart bij te kunnen wonen.
4.1.
In deze situatie ziet de voorzieningenrechter aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen bij het treffen van de verzochte voorziening. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de gezondheidstoestand van de vader van verzoekster slecht (palliatief) is en dat hij hard achteruitgaat. Er is daarom spoed geboden bij het treffen van een voorziening.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kan van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. De vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft beantwoordt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekster.
5.1.
Om een voorlopig oordeel te kunnen geven over de vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft, vindt de voorzieningenrechter het eerst van belang om (kort) uiteen te zetten wat de minister in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM heeft overwogen. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat tussen verzoekster en haar dochter sprake is van familie-en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De door de minister gemaakte belangenafweging is alleen in het nadeel van verzoekster uitgevallen. Daarbij stelt de minister, kort samengevat, dat het economisch belang in het nadeel van verzoekster weegt. Verzoekster verdient onvoldoende om in haar eigen inkomen en dat van haar dochter(s) te voorzien. Verder is niet gebleken dat de zorg die verzoekster aan haar dochter verleent niet op afstand kan worden verleend. Daarbij acht de minister van belang dat de dochter in Nederland hulp krijgt voor haar mentale problemen en dat er andere familieleden in Nederland wonen. Ook zijn er geen objectieve dan wel subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in Tunesië voort te zetten en zijn de banden van verzoekster met Tunesië sterker dan haar banden met Nederland.
5.2.
Tegen deze belangenafweging heeft verzoekster gronden gericht. Daarbij heeft zij onder meer aangevoerd dat de weging van (de intensiteit van) het gezinsleven onjuist in de belangenafweging is betrokken.
Oordeel van de voorzieningenrechter
5.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wijst verzoekster er terecht op dat uit de besluitvorming niet kenbaar blijkt in hoeverre rekening is gehouden met het feit dat de dochter als jongvolwassene onderdeel uitmaakt van het gezin van haar moeder. Hierover is in de besluitvorming enkel gesteld dat verzoekster en haar dochter sinds 20 augustus 2021 samenwonen. Op het eerste gezicht lijkt de minister hier in de besluitvorming geen (kenbaar) belang aan te hechten. Tijdens de behandeling op de zitting heeft de minister toegelicht dat als vertrekpunt voor de gemaakte belangenafweging geldt dat sprake is van familie-en gezinsleven tussen verzoekster en haar dochter en dat hier geen verdere waarde aan toekomt. Het aangenomen familie- en gezinsleven kan enkel een rol spelen bij de vraag in hoeverre haar dochter van verzoekster afhankelijk is. De voorzieningenrechter volgt bovenstaand standpunt van de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 december 2024 [4] , niet. In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat de feiten die ten grondslag liggen aan het gezinsleven in het kader van de belangenafweging ook moeten meewegen. Dat mag op een andere manier, maar er moet aan deze feiten wel waarde toekomen in de belangenafweging. Daar geeft de besluitvorming geen blijk van. Over de intensiteit van het gezinsleven wenst de voorzieningenrechter verder nog het volgende op te merken. Dat de dochter van verzoekster op 16-jarige leeftijd alleen naar Nederland is gekomen en verzoekster pas na 7 maanden is ingereisd betekent niet zonder meer dat het gezinsleven ook op afstand mogelijk is. Verzoekster wijst er terecht op dat de minister moet kijken naar de huidige (afhankelijkheids)relatie. In dit kader acht de voorzieningenrechter van belang dat de dochter momenteel mentale problemen heeft waarvoor ze veel steun krijgt van haar moeder. Tijdens de hoorzitting van 16 maart 2026 is onbetwist gesteld dat verzoekster een grote steun is voor haar dochter en haar dagelijks verzorgt. Dit blijkt ook uit het huisartsenjournaal. Dat de dochter van verzoekster in Nederland ook andere familieleden heeft en zij professionele hulp krijgt voor haar mentale problemen, doet de intensiteit van de gezinsband tussen de dochter en haar moeder niet teniet. Uit de belangenafweging blijkt onvoldoende of en zo ja welke waarde hieraan toekomt en op welke manier de intensiteit van de gezinsband meeweegt in de belangenafweging.
5.4.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van een gebrek in de motivering van de belangenafweging. Op dit moment is niet inzichtelijk op welke manier dit motiveringsgebrek van invloed is op de door de minister gemaakte belangenafweging en het bestreden besluit. De aard van de voorlopige voorzieningsprocedure biedt ook geen aanleiding en mogelijkheid om hier onderzoek naar te verrichten. Dit kan verder onderzocht worden in de beroepsprocedure. Daar kunnen ook de andere beroepsgronden die verzoekster tegen de gemaakte belangenafweging heeft gericht, besproken worden.
5.5.
Gelet op het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft en wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in het ingenomen standpunt dat het toewijzen van de voorlopige voorziening te verstrekkend is. Toewijzing zorgt er alleen voor dat de situatie wordt hersteld zoals deze was voor het besluit van 30 maart 2026, namelijk dat verzoekster rechtmatig verblijf heeft in Nederland hangende haar beroepsprocedure, dat zij haar procedure in Nederland mag afwachten en haar werk mag hervatten.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en schorst het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist. Omdat het verzoek wordt toegewezen veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht €1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting door de gemachtigde van verzoekster, met een waarde per punt van €934,- en wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van €1.868,-;
- bepaalt dat de minister het door verzoekster betaalde griffierecht van €200,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De gemachtigde van verzoekster heeft via Teams digitaal aan de zitting deelgenomen.
2.Dit volgt uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit staat in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
4.ABRvS 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, rechtsoverweging 5.2.