Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
14 juni 2026 vanuit Zweden in Nederland aangekomen en heeft daarbij een aanvraag ingediend om in Nederland te verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Standpunten van partijen
De Nederlandse overheid heeft besloten dat mensen die op of na 15 juni 2026 tijdelijke bescherming in Nederland aanvragen en in een andere lidstaat tijdelijke bescherming hebben of hebben gehad niet in aanmerking komen voor verblijfsrecht onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland. Om die reden valt u niet onder de Richtlijn.
“Het staat de autoriteiten van een lidstaat (…) vrij om in het kader van de behandeling van een (…) aanvraag na te gaan of de personen die een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/55 aanvragen, behoren tot de in artikel 2 van Pro uitvoeringsbesluit 2022/382 bedoelde categorieën van personen en tijdelijke bescherming genieten, en of zij reeds een verblijfstitel in een andere lidstaat hebben verkregen.”
15 juli 2025 is als punt 4 vervolgens het volgende neergelegd:
In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland een geldige reguliere verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft, wordt in de regel geen terugkeerbesluit uitgevaardigd (Stcrt. 2026, 18956).Ook in het nieuwe WBV is daarmee nog steeds de hoofdregel neergelegd dat de vreemdeling met een verblijfsrecht in een andere lidstaat eerst een aanzegging krijgt om zich naar die lidstaat te begeven (Stcrt. 2018, 69964, WBV 2018/14).
Daarbij is het irrelevant of de tijdelijke beschermingsstatus nog actueel is.”
Beslissing
- wijst het verzoek toe in die zin dat de verzoekster dient te worden behandeld als een vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het bezwaar is beslist;
- veroordeelt de minister tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van