8.3.In het Informatiebericht (IB) 2026/20 van 15 juni 2026 is het volgende neergelegd:
“De opvang zit vol en tegelijkertijd zijn er signalen dat ontheemden in meerdere lidstaten staan geregistreerd voor tijdelijke bescherming. Dat is niet de bedoeling en ondermijnt het draagvlak voor opvang van ontheemden. De IND gaat daarom, in opdracht van de Minister van Asiel en Migratie, personen weigeren die reeds elders in de EU tijdelijke bescherming hebben gekregen. (…) De tijdelijke bescherming kan worden beëindigd als aannemelijk is dat er sprake is (geweest) van tijdelijke bescherming in een andere lidstaat vóór 15 juni 2026.”
Oordeel van de voorzieningenrechter
9. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht geen grond gelegen voor het voorlopig oordeel dat de minister in onderhavige situatie de aanvraag niet kan toetsen aan Uitvoeringsbesluit 2025/1460. De verwijzing naar een stuk van RefugeeHelp kan verzoekster reeds niet baten, nu deze niet over de werkwijze van de minister gaat. Verder volgt ook uit het hiervoor aangehaalde IB niet dat in onderhavige situatie niet getoetst kan worden aan Uitvoeringsbesluit 2025/1460.
10. De voorzieningenrechter leest in het bestreden besluit dat de minister ervan uitgaat dat verzoekster tijdelijke bescherming in Zweden heeft gehad en dat zij dit niet verlengd heeft. Uit punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 van 15 juli 2025 blijkt dat een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten. Hoe het er voor staat met de tijdelijke bescherming in Zweden blijkt niet uit het besluit of de overgelegde stukken. Zo valt op dat een door de minister overgelegde kopie van het in 2021 afgegeven paspoort enkel de personalia bevatten. Kopieën van pagina’s met stempels zijn niet overgelegd.
11. De voorzieningenrechter leest in het bestreden besluit ook niet terug dat verzoekster zich naar Zweden moet begeven om de aan de tijdelijke bescherming verbonden rechten te genieten. De minister legt zelfs een terugkeerbesluit op, waarin is bepaald dat verzoekster de lidstaten van de EU (zonder Ierland) binnen vier weken dient te verlaten. Verzoekster dient volgens de minister terug te keren naar Oekraïne en als zij dat niet doet, kan zij, zo leest de voorzieningenrechter, worden uitgezet. Verder is verzoekster vanwege het terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem gesignaleerd.
12. Een stap die moeilijk te verklaren is als er in Zweden een toestemming tot verblijf zou zijn. Zo valt in WBV 2026/11 in paragraaf A3/2 te lezen: “
In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland een geldige reguliere verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft, wordt in de regel geen terugkeerbesluit uitgevaardigd (Stcrt. 2026, 18956).Ook in het nieuwe WBV is daarmee nog steeds de hoofdregel neergelegd dat de vreemdeling met een verblijfsrecht in een andere lidstaat eerst een aanzegging krijgt om zich naar die lidstaat te begeven (Stcrt. 2018, 69964, WBV 2018/14).
13. In het verweerschrift is dit niet rechtgezet. De voorzieningenrechter leest: “
Daarbij is het irrelevant of de tijdelijke beschermingsstatus nog actueel is.”
14. Daarmee lijkt de thans gegeven uitleg van de minister niet aan te sluiten bij de uitleg die het Hof van Justitie in het arrest van 27 februari 2025 aan de RTB heeft gegeven. Zo leest de rechtbank in die prejudiciële beslissing, en overigens ook in het Uitvoeringsbesluit 2025/1460, nergens terug dat een terugkeerbesluit kan worden opgelegd als een persoon die, nadat hij tijdelijke bescherming heeft gekregen in een van de lidstaten van de EU, in een andere lidstaat om tijdelijke bescherming vraagt. Ook leest de voorzieningenrechter in het arrest, noch het Uitvoeringsbesluit, terug dat de vraag of verzoekster in Zweden de aan de tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten irrelevant is. Daarmee roept dit besluit vragen op, die maken dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet het verzoek toe te wijzen en te bepalen dat verzoekster dient te worden behandeld als een vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt, totdat een beslissing op het bezwaar is genomen.
15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend.