Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van omwonenden tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Delft verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een woning aan de achterzijde, zowel op de begane grond als de eerste verdieping.
Eisers betoogden dat de uitbreiding niet als een aan- en uitbouw in de zin van het bestemmingsplan Voorhof kon worden aangemerkt, omdat de uitbouw ook op de eerste verdieping plaatsvond. Zij stelden dat het college ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt en dat de vergunning in strijd was met het bestemmingsplan.
De rechtbank oordeelde dat de uitbreiding bouwkundig te onderscheiden is van het hoofdgebouw en als één enkel bouwwerk op de begane grond staat, waardoor het voldoet aan de definitie van aan- en uitbouw in het bestemmingsplan. De diepte en bouwhoogte van de uitbouw zijn binnen de toegestane grenzen volgens artikel 15.2.2 van het bestemmingsplan. Er is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan of andere weigeringsgronden uit artikel 2.10 Wabo.
Daarom is de omgevingsvergunning terecht verleend en is het beroep van eisers ongegrond verklaard. Eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.