Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL25.43136
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang

Eiser heeft op 8 september 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 januari 2024. Op 23 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie alsnog een besluit genomen op deze aanvraag. Eiser heeft het beroep niet ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank overweegt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit, mits het bestuursorgaan in gebreke is en twee weken zijn verstreken na schriftelijke mededeling. Echter, nu alsnog een besluit is genomen, is niet gebleken dat eiser nog een afzonderlijk belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Volgens vaste jurisprudentie vormt het verzoek om proceskostenvergoeding onvoldoende aanleiding voor inhoudelijke beoordeling.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht' vanwege de beperkte aard van het beroep. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 22 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43136

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde] )

Procesverloop

Eiser heeft op 8 september 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 januari 2024.
Op 23 oktober 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Eiser heeft het beroep niet ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
In artikel 6:20, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan, als het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verplicht blijft dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft.
In artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond kan worden verklaard, als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
2. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser nog een afzonderlijk belang, als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, heeft bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag, aangezien tijdens dat beroep alsnog een beslissing op die aanvraag bekend is gemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat volgens vaste jurisprudentie de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding vormt om tot een inhoudelijke beoordeling van een beroep over te gaan. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang.
3. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van eiser heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan eiser tegemoetgekomen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A. Hiddouch, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.