ECLI:NL:RBDHA:2026:17114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL25.25220
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende bewijs eerwraak en kwetsbare positie Palestijnen in Jordanië

Eiser, een Palestijnse asielzoeker, vordert bescherming tegen terugkeer naar Jordanië uit vrees voor vervolging wegens het maken van valse paspoorten en dreiging van eerwraak. De minister van Asiel en Migratie wees zijn asielaanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardige onderbouwing.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Palestijnen in Jordanië als kwetsbare groep worden benadeeld of dat hij onevenredig is gestraft vanwege zijn afkomst. Ook is onvoldoende bewijs geleverd dat de mishandeling op de luchthaven verband houdt met zijn Palestijnse achtergrond.

Daarnaast zijn de overgelegde documenten over eerwraak niet origineel en onvoldoende om de gevreesde vervolging te onderbouwen. De verklaringen van eiser zijn niet samenhangend en overtuigend genoeg om het beroep toe te wijzen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van eerwraak en kwetsbare positie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25220

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1964 en de Jordaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 11 januari 2023 een asielaanvraag in Nederland gedaan. Eiser is op 18 september 2023 opgenomen in de nationale procedure omdat hij niet tijdig is overgedragen aan Zweden. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot de Palestijnse bevolkingsgroep behoort. Om zijn vertrek uit Jordanië mogelijk te maken, heeft hij in 2016 voor zijn twee kinderen valse paspoorten laten maken met behulp van zijn vriend [vriend] (hierna: [vriend] ). [vriend] is aangehouden vanwege deze vervalsing en hij is verhoord door de autoriteiten. [vriend] is vrijgelaten, maar overleed hierna. Eiser vreest bij terugkeer naar Jordanië vervolging wegens het maken van valse identiteitsdocumenten. Ook vreest eiser de familie en de stam van [vriend] , omdat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn overlijden.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met de Jordaanse autoriteiten vanwege de vervalsing van documenten worden niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft met documenten voldoende aannemelijk gemaakt dat hij als verdachte is aangemerkt en dat in 2016 een strafvervolging is ingezet, maar niet is gebleken dat sprake is geweest van een veroordeling voor dit delict. Verweerder volgt dat eiser vervolgd is of was vanwege de poging tot het verkrijgen van een vals paspoort voor een ander. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij onevenredig is gestraft vanwege zijn Palestijnse origine. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een klap in zijn gezicht heeft gekregen vanwege zijn Palestijnse origine. Eisers problemen met de familie van [vriend] worden door verweerder niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en ook de overgelegde documenten leiden niet tot een ander oordeel. De informatie over de bedreigingen jegens eiser vanwege het overlijden van [vriend] heeft hij slechts van horen zeggen en daar kan geen of beperkte waarde aan worden toegekend. Ook is het volgens verweerder niet te volgen dat eiser nooit door de familie van [vriend] zou zijn benaderd en dat hij nooit iets concreets heeft meegemaakt in die context.
Eiser voert in beroep het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn stelling dat de positie van Palestijnen in Jordanië zeer kwetsbaar is en dat eiser vanwege zijn Palestijnse afkomst vreest voor onevenredige bestraffing vanwege het begaan van een commuun delict. Eiser meent dat de door hem ondervonden mishandeling mede geïnitieerd is vanwege zijn Palestijnse afkomst. Daarbij is door verweerder in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op eisers problematiek rondom de eerwraak. Eiser verwijst in dit kader naar de documenten die hij in beroep heeft overgelegd. [1] Eisers verklaringen zijn zeer geloofwaardig en kunnen niet leiden tot afwijzing van het asielverzoek.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, in het verweerschrift en ter zitting voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat de door hem ondervonden veroordeling van een commuun delict leidt tot een onevenredige bestraffing. De rechtbank is het eens met verweerder dat niet is gebleken dat Palestijnen als kwetsbaar worden aangemerkt in Jordanië. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat uit openbare cijfers blijkt dat er veel Palestijnen in Jordanië wonen en dat geenszins is gebleken van stelselmatige benadeling, slechte behandeling of dat Palestijnen in Jordanië dusdanig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De rechtbank merkt hierbij op dat dit ook door eiser niet wordt betwist. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser eerder een bestaan heeft kunnen opbouwen in Jordanië en dat geenszins uit openbare bronnen, noch uit eisers eigen verklaringen is gebleken dat aldaar sprake is van discriminatie jegens Palestijnen. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de kwetsbare positie van Palestijnen in Jordanië, heeft verweerder kunnen overwegen dat het aan eiser is om dit nader te onderbouwen. Hierin is eiser niet geslaagd.
5. Eiser heeft ter zitting erkend dat Palestijnse asielzoekers in Jordanië over het algemeen goed worden behandeld. Eisers standpunt dat zijn ervaring op de luchthaven in Jordanië uitzonderlijk is, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in dit kader kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de klap die hij op de luchthaven in Jordanië stelt te hebben gekregen te wijten is aan zijn Palestijnse afkomst. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting over deze gebeurtenis heeft verklaard dat het wachten op de luchthaven in Jordanië lang duurde, waarna de vrouw van eiser aan de agenten vroeg of zij de procedure wilden versnellen. De agenten werden hierop boos en begonnen te schreeuwen tegen de vrouw van eiser, waarna eiser het voor zijn partner opnam. De agent heeft eiser toen geslagen. Ook uit deze verklaringen volgt niet dat eiser door de agent op de luchthaven is geslagen vanwege zijn Palestijnse afkomst.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de door hem gestelde eerwraak. Verweerder heeft kunnen overwegen dat de door eiser in beroep overgelegde documenten niet origineel zijn en over de echtheid van deze documenten daarom geen standpunt kan worden ingenomen. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat de inhoud van deze documenten niet tot een ander oordeel leidt, omdat hiermee de door eiser gestelde eerwraak niet wordt aangetoond. Uit deze overgelegde documenten valt immers niet op te maken dat eiser verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van [vriend] . Daarbij heeft verweerder ter zitting niet ten onrechte overwogen dat deze stukken niet onderbouwen wat de reden van het overlijden van [vriend] is of op welke wijze de familie van [vriend] op dit overlijden heeft gereageerd. Ten aanzien van de verklaring van [persoon] heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eerder in de procedure een soortgelijk document is overgelegd, waarover verweerder het ongerijmd heeft kunnen vinden dat [persoon] tot de stam van [vriend] behoort en toch een verklaring voor eiser zou opstellen. Te meer, omdat eiser onder anderen stelt te vrezen voor de stam van [vriend] .
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een overlijdensakte van [vriend] , een verklaring van [persoon] over de door eiser ondervonden eerwraak.