ECLI:NL:RBDHA:2026:17118

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.62916 en NL25.62917
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46, derde lid, richtlijn 2013/32/EUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Sri Lankaanse man wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele vrees

Eiser, een 24-jarige man van Sri Lankaanse nationaliteit en behorend tot de Tamil bevolkingsgroep, vroeg asiel aan in Nederland vanwege problemen die hij zou ondervinden vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Hij verklaarde mishandeld te zijn en vluchtte via Zanzibar naar Nederland, waarbij hij een vervalst Maleisisch paspoort zou hebben gebruikt.

De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet ook de Maleisische nationaliteit bezit en zijn verhaal over de problemen vanwege zijn homoseksualiteit onvoldoende geloofwaardig was. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de minister voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn culturele achtergrond en religie.

De rechtbank vond dat eiser onvoldoende inzicht had gegeven in zijn gevoelens en ervaringen rondom zijn homoseksualiteit, en dat zijn verklaringen over incidenten en zijn kennis van LHBTI-organisaties in Sri Lanka niet aannemelijk waren. Ook was het niet aannemelijk dat het Maleisische paspoort vervalst was, mede omdat eiser het paspoort vrijwillig had vernietigd.

De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond had afgewezen en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.62916 (beroep)
NL25.62917 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

geboren op [geboortedag] 2001, van Sri Lankaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. Eiser heeft op 22 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 december 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer A.P. Chantan als tolk in de taal Tamil en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij afkomstig is uit Sri Lanka, tot de Tamil bevolkingsgroep behoort en dat hij problemen heeft gehad in Sri Lanka vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Hij verklaart dat hij is betrapt op de middelbare school met een jongen en dat de vader van deze jongen hem heeft mishandeld. Eiser is daarna samen met zijn moeder van Jaffina naar Colombo verhuisd. Eiser verklaart in Colombo een nieuwe relatie te hebben gekregen. De vader van deze jongen heeft hen betrapt tijdens een videobelgesprek. Eiser verklaart dat hij bij zijn moeder thuis door de vader van deze jongen is mishandeld. Eiser is enige tijd later in een busje gestapt in de veronderstelling dat hij zijn vriend kon zien. Dit bleek niet zo te zijn en eiser verklaart in het busje opnieuw te zijn mishandeld. Door interventie van een persoon is eiser ontkomen.
4.1.
Eiser is op 22 november 2025 vanuit Sri Lanka vertrokken naar Zanzibar. Eiser verklaart dat hij in het hotel waar hij in Zanzibar verbleef zijn Sri Lankaanse paspoort door het toilet heeft gespoeld, omdat hij dit niet wilde afgeven aan zijn reisagent. Met behulp van diezelfde reisagent verklaart eiser aan een vervalst Maleisisch paspoort te zijn gekomen. Eiser verklaart met dit Maleisische paspoort naar Nederland te zijn afgereisd en dat hij dit paspoort op instructie van de reisagent in het toilet in het vliegtuig heeft verscheurd. Eiser verklaart enkel in het bezit te zijn van de Sri Lankaanse nationaliteit.
4.2.
De minister heeft bij de beoordeling van eisers asielaanvraag het volgende betrokken in het referentiekader. Eiser is een volwassen man van 24 jaar oud. Eiser heeft eerst in de stad Jaffna gewoond en vervolgens vanaf zijn veertiende in de hoofdstad Colombo. Hij heeft een opleiding in handel gevolgd bij de hoge school ofwel “Advanced Level”. Verder heeft hij bij een telefoonwinkel gewerkt. Ten slotte is eiser medisch gezond. Uit het medisch advies blijken wel enkele beperkingen tijdens het horen, waar tijdens het nader gehoor rekening mee is gehouden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat de volgende relevante elementen:
- zijn identiteit, nationaliteit en herkomst;
- zijn problemen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.
De minister acht het eerste asielmotief deels geloofwaardig. De minister acht geloofwaardig dat eiser de Sri Lankaanse nationaliteit heeft, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet óók de Maleisische nationaliteit heeft. Eiser heeft geen oprechte inspanningen geleverd om aan te tonen dat het Maleisische paspoort dat hij heeft verscheurd en weggegooid een vervalst paspoort betreft.
5.1.
De minister acht de problemen vanwege eisers homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser oppervlakkig, niet inzichtelijk en summier verklaart over zijn gevoelens voor mannen. Eiser is er volgens de minister niet in geslaagd om inzicht te geven in zijn persoonlijke gedachtes en gevoelens, maar verklaart alleen over fysieke handelingen. Ook kan eiser niet verklaren hoe het voor hem is dat mensen in de maatschappij homoseksuelen een schande vinden en hoe hij schaamte heeft ervaren rondom zijn homoseksuele gerichtheid. Verder verklaart eiser volgens de minister oppervlakkig over zijn huidige en voorgaande relaties en heeft hij nog nooit gehoord van de Pridemars in Colombo die al achttien jaar door Equal Ground, een LHBTI-belangenorganisatie in Sri Lanka, wordt georganiseerd. Ook dat acht de minister niet inzichtelijk en ongerijmd. Eiser verklaart volgens de minister eveneens ongerijmd en onsamenhangend over de gebeurtenissen waardoor hij in de problemen is gekomen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
De beoordeling van de rechtbank
6. De rechtbank wijst allereerst op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 juni 2026 in de zaak Quotal [1] . Daarin heeft het Hof geoordeeld dat de nationale rechter in eerste aanleg bevoegd is om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het in het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade en over de gegrondheid van het verzoek en dat de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken. [2] Deze bevoegdheid gaat verder dan een “enigszins terughoudende toets” van het bestreden besluit. De nationale rechter in eerste aanleg komt naar het oordeel van het Hof de bevoegdheid toe om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de feitelijke en juridische elementen en van de behoefte aan internationale bescherming van eiser.
Het (vals afgegeven) Maleisische paspoort
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat eiser óók de Maleisische nationaliteit heeft. Hij stelt dat hij alleen de Sri Lankaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft in zijn zienswijze van 7 december 2025 onderbouwd dat een dubbele nationaliteit op grond van de Maleisische wetgeving niet mogelijk is. De minister heeft daar in het bestreden besluit ten onrechte niet op gereageerd. Daarnaast stelt de minister zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt dat niet kan worden geverifieerd of het paspoort vals is, omdat het origineel daarvan niet beschikbaar is. De Maleisische ambassade heeft reeds met een controle van het paspoortnummer bevestigd dat het paspoort vals is. De gemachtigde van eiser is naar de Maleisische ambassade in Den Haag gegaan om navraag te doen aan de hand van de kopie van het paspoort. Daar is geconstateerd dat zijn paspoort vervalst is, omdat het paspoortnummer begint met A70 en de paspoorten die nu worden afgegeven beginnen met A60. De kopie van het paspoort is ingenomen om onderzoek te doen naar het persoonsnummer dat op het kopie van het Maleisische paspoort staat vermeld. De minister heeft hiermee volgens eiser niet aan de samenwerkingsverplichting voldaan.
7.1.
De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat eiser geen origineel Maleisisch paspoort bij de minister voor onderzoek heeft ingediend, maar enkel over een kopie daarvan beschikte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister daarmee niet kan verifiëren of eiser dit paspoort ook daadwerkelijk heeft gekregen en of hij op dit paspoort naar Nederland is afgereisd. De rechtbank gaat uit van de informatie die de gemachtigde van eiser heeft gekregen van de Maleisische ambassade in Den Haag. Daarmee valt echter niet te verifiëren of de informatie die zij heeft gekregen juist is en ook niet wat de functie is van de medewerker die haar te woord heeft gestaan. Dat de Maleisische ambassade heeft gezegd dat de Maleisische autoriteiten op dit moment paspoorten uitgeven waarvan het paspoortnummer begint met A60, kan de rechtbank niet verifiëren. Eiser is met het betreffende paspoort met een vliegtuig van TUI naar Nederland gereisd en heeft dat paspoort tijdens de vlucht vernietigd, terwijl hij daar niet toe werd gedwongen, want hij reisde immers alleen. Gelet op deze omstandigheden is het niet op voorhand aannemelijk dat het een vervalst paspoort is en het ligt dan ook op de weg van eiser om dit aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd. Het ligt niet op de weg van de minister om in het kader van de samenwerkingsverplichting contact op te nemen met de Maleisische ambassade, nu eiser heeft gesteld dat zijn vluchtmotief ook ziet op terugkeer naar Maleisië. Ook met het gegeven dat de Maleisische ambassade nog nader onderzoek gaat verrichten naar het persoonsnummer dat op het kopie van dit paspoort staat, heeft eiser nog niet aannemelijk gemaakt dat hij met een vervalst Maleisisch paspoort naar Nederland is gereisd. Eiser is er daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij niet óók de Maleisische nationaliteit bezit. De grond slaagt niet.
Het referentiekader
8. Eiser voert verder aan dat de minister eisers culturele achtergrond, religie en bevolkingsgroep ten onrechte niet in het referentiekader opgenomen. Daarnaast heeft de minister zijn verklaringen onvoldoende vanuit zijn referentiekader beoordeeld. De minister heeft de verklaringen vanuit het Nederlandse referentiekader beoordeeld waarbij wordt verwacht dat eiser uitgebreid en diepgaand kan verklaren over zijn persoonlijke relatie, die hij altijd geheim heeft moeten houden. Daarbij is de maatschappelijke beperking onvoldoende betrokken.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. In de besluitvorming komt duidelijk naar voren waar het referentiekader van eiser uit bestaat. Eiser is er niet in geslaagd om uit te leggen waarom het referentiekader onvolledig is en waarom de minister zijn culturele achtergrond, religie en bevolkingsgroep expliciet bij het referentiekader had moeten betrekken. De minister heeft in de besluitvorming wél betrokken dat eiser Hindoe is. [3] Zijn religie is daarmee naar het oordeel van de rechtbank - in tegenstelling tot hetgeen eiser stelt - expliciet bij de besluitvorming betrokken. Daarnaast heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening heeft gehouden met de schaamte en de maatschappelijke beperking die eiser heeft ervaren. Ondanks herhaaldelijke vragen, heeft eiser hier beperkt over verklaard waardoor de minister niet meer bij het referentiekader had kunnen betrekken dan hij nu heeft gedaan. Indien de minister daar meer rekening mee had moeten houden, had het op de weg van eiser gelegen om daar uitgebreider over te verklaren. De beroepsgrond slaagt eveneens niet.
Eisers homoseksuele gerichtheid
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij weldegelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor zijn homoseksuele gerichtheid. Dat blijkt volgens eiser uit zijn verklaringen. Daarnaast heeft de minister ten onrechte negatief bij de beoordeling laten meewegen dat eiser niet heeft onderzocht of hij hulp en bescherming kon krijgen van LHBTI-organisaties in Sri Lanka, omdat hij zijn homoseksuele gerichtheid verborgen wilde houden. Verder stelt eiser duidelijk over incidenten te hebben verklaard waarmee de problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid zijn ontstaan.
9.1.
De rechtbank overweegt dat eiser meerdere keren in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over zijn ervaringen, gevoelens en relaties met betrekking tot zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om inzicht te geven in de schande en schaamte die hij heeft ervaren. Uit zijn verklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk hoe eiser dit persoonlijk heeft ervaren, ondanks dat hij meerdere keren in de gelegenheid is gesteld daar inzicht in te geven. De rechtbank verwijst hiervoor naar pagina’s 15, 18, 19 en 22 is van het nader gehoor. De verklaringen van eiser uit deze passages blijven summier en oppervlakkig.
9.2.
Verder heeft eiser ook op de zitting de tegenwerpingen van de minister niet kunnen ophelderen of wegnemen. Dat hij als homoseksuele man in Colombo geen weet heeft van aldaar opererende LHBTI-organisaties en zelfs niet heeft meegekregen dat in Colombo jaarlijks een Pride wordt gehouden, acht de rechtbank zonder nadere toelichting niet aannemelijk. Eiser heeft daarover ter zitting enkel verklaard dat hij en zijn vriend niets opzochten en hun homoseksualiteit verborgen hielden. Dit kan de rechtbank niet rijmen met zijn verklaring in het nader gehoor dat hij wel met zijn vriend naar een bioscoop ging met een aparte ruimte voor echtparen en koppels. De rechtbank acht het onnavolgbaar dat eiser niks afwist van de Pride in Colombo, nu hij hier van zijn zeventiende tot zijn vertrek naar Zanzibar heeft gewoond. Eiser was toen vierentwintig jaar oud. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de minister zijn kennis over LHBTI-organisaties ten onrechte negatief bij de beoordeling van dit asielrelaas heeft betrokken.
9.3.
Daarnaast heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe eiser tweemaal betrapt kon worden met een vriend, terwijl hij veel schaamte voelde en de eerste ontdekking grote gevolgen heeft gehad: zijn ouders zijn toen gescheiden en eiser moest met zijn moeder en zus zijn geboortestad verlaten en verhuizen naar Colombo. Eiser herhaalt enkel ter zitting dat hij zich niet kon inhouden en dat gold ook voor zijn vriend. De verklaringen van eiser zijn naar het oordeel van de rechtbank niet samenhangend en niet aannemelijk.
9.4.
Ook kan de rechtbank de verklaring van eiser over het videogesprek dat door de vader van de vriend werd opgemerkt evenmin volgen. In het nader gehoor zegt eiser dat de vader het gesprek op een of andere manier had afgeluisterd. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat de vriend met zijn hele familie in een busje zat toen het videogesprek plaatsvond. Eiser heeft in het gesprek gezegd dat hij zijn vriend mist en dat heeft de vader gezien. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser en zijn vriend de relatie verborgen wilden houden en dat eiser tegelijkertijd met zijn vriend een intiem gesprek voert in een busje in het bijzijn van de familie van zijn vriend.
9.5.
Op basis van hetgeen eiser heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat de minister de gestelde problemen van eiser vanwege zijn homoseksuele gerichtheid terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt ook niet.
Kennelijk ongegrondheid
10. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afdoen, nu ten onrechte aan eiser is tegengeworpen dat hij geen Maleisisch paspoort heeft overgelegd. Het is onredelijk om van hem te verwachten dat hij met twee verschillende paspoorten uit een land waarvan hij de nationaliteit niet heeft te vertrekken. Volgens eiser kan verder niet aan hem worden tegengeworpen dat hij zijn Sri Lankaanse paspoort niet aan de reisagent wilde afstaan.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond heeft mogen afdoen, nu eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet óók de Maleisische nationaliteit bezit. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het inreisverbod en terugkeerbesluit
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij naar geen enkel van de drie landen die in het terugkeerbesluit zijn genoemd, kan terugkeren, omdat hij in alle drie de landen heeft te vrezen voor problemen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid.
11.1.
De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt, omdat de problemen van eiser vanwege zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat de removal order voor Tanzania nog steeds uitvoerbaar is. De minister heeft daarom aan eiser ook een terugkeerbesluit mogen opleggen voor Sri Lanka, Maleisië en Tanzania en aan hem een inreisverbod mogen opleggen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.
12.1.
Omdat op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
12.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL25.62916:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.62917:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447.
2.Uitleg van het Hof van artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU (de Procedure-richtlijn), gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
3.Pagina 3 van het voornemen van 15 december 2025.