Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.57275 en NL25.57276
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 30b VwArt. 6:19 AwbArtikel 3 EVRMRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somaliër wegens onvoldoende bewijs persoonlijke dreiging Al Shabaab

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na te zijn gevlucht vanwege vermeende bedreigingen door Al Shabaab. Hij stelde dat hij vanwege financiële eisen, dreigementen en een handgranaataanval niet veilig was in Somalië en vreest voor zijn leven bij terugkeer.

Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief, aanvankelijk ook de identiteit van eiser. Na onderzoek van het originele paspoort door Bureau Documenten werd de identiteit alsnog geloofwaardig geacht, maar het asielmotief bleef onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat verweerder een integrale geloofwaardigheidstoets heeft uitgevoerd en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft gegeven dat Al Shabaab het specifiek op hem gemunt had.

Het terugkeerbesluit blijft gehandhaafd, waarbij eiser een vertrektermijn van vier weken is gegeven. De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenvergoeding. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.57275 (beroep)
NL25.57276 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1996, van Somalische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
Eiser heeft op 6 november 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 21 november 2025 als kennelijk ongegrond afgewezen. Bij het besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
1.2.
Op 25 november 2025 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen dat ertoe strekt dat eiser ook op grond van een
removal orderkan terug keren naar China.
1.3.
Eiser heeft tegen de besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Warsame als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen het door eiser op zitting aangekondigde originele paspoort op echtheid te onderzoeken door Bureau Documenten. Vervolgens heeft verweerder op 28 april 2026 een aanvullend besluit genomen. Met het aanvullend besluit heeft verweerder de identiteit van eiser alsnog geloofwaardig geacht en de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiser heeft van rechtswege mede betrekking op het aanvullend besluit. [1] Eiser heeft op 26 mei 2026 op het aanvullend besluit gereageerd. Het besluit van 21 november 2025, het aanvullend terugkeerbesluit van 25 november 2025 en het aanvullend besluit van 28 april 2026 worden hierna tezamen aangeduid als het bestreden besluit.
1.6.
Nadat geen van de partijen heeft laten weten prijs te stellen op een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij Somalië heeft verlaten vanwege problemen met Al Shabaab. Begin 2022 heeft eiser op een akker bij Afgooye zelfstandig gewerkt. Een werknemer die lid was van Al Shabaab zou eiser toen telefonisch hebben benaderd om vijftig procent van zijn oogst af te staan. Nadat eiser dit weigerde werd de oogst vervolgens in beslag genomen, waarop eiser besloot te stoppen. Eind 2022 ging eiser werken bij het [bedrijf] van zijn broer. Ook daar zouden telefonisch financiële eisen en dreigementen zijn geuit namens Al Shabaab. De broer van eiser is daarop naar hen toe gegaan en werd na betaling van een bedrag vrijgelaten. In juni 2022 raakte eiser bovendien gewond bij een handgranaataanval, waarvan eiser vermoedt dat Al Shabaab verantwoordelijk was. Door deze gebeurtenissen voelde eiser zich niet meer veilig in Somalië en besloot hij te vertrekken. Bij terugkeer vreest eiser vermoord te worden door Al Shabaab.
Bestreden besluit
5. Volgens verweerder bestaat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
dat eiser in de negatieve belangstelling staat van Al Shabaab.
5.1.
Verweerder heeft in het besluit van 21 november 2025 de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De identiteit van eiser heeft verweerder ongeloofwaardig geacht, omdat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd ter onderbouwing daarvan. Verweerder heeft ook ongeloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve belangstelling staat van Al Shabaab omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw [2] en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
5.2.
In het aanvullend besluit van 28 april 2026 heeft verweerder de identiteit van eiser alsnog geloofwaardig geacht. Het in beroep overgelegde originele paspoort van eiser is door Bureau Documenten namelijk met een positief advies beoordeeld. Verweerder blijft echter bij het standpunt dat het asielmotief van eiser over de problemen met Al Shabaab ongeloofwaardig wordt geacht, omdat het overgelegde originele paspoort dit asielmotief niet onderbouwt. Het gevolg hiervan is dat de afwijzingsgrond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw is komen te vervallen. Dit houdt in dat verweerder de aanvraag niet langer als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, maar enkel als ongegrond. Ook het opgelegde inreisverbod is komen te vervallen. Verweerder heeft het terugkeerbesluit gehandhaafd maar in plaats van een onmiddellijke vertrektermijn heeft eiser een vertrektermijn van vier weken gekregen.
Afwijzingsgrond en inreisverbod
6. Nu verweerder in het aanvullend besluit de afwijzingsgrond heeft laten vallen, niet langer een vertrektermijn onthoudt en het inreisverbod niet langer handhaaft, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van de beroepsgronden die daartegen gericht zijn.
Problemen met Al Shabaab
7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser in de negatieve belangstelling staat van Al Shabaab. Eiser is namelijk rechtstreeks door Al Shabaab gebeld op zijn nummer dat publiekelijk aan zijn bedrijfsactiviteiten was gekoppeld. Verweerder heeft ten onrechte de telefonische doodsbedreiging, oproeping om in persoon te verschijnen, de detentie en beboeting van de broer van eiser en de gedwongen verhuizing van de onderneming niet bezien als een uitvoerbaar dreigingspatroon richting eiser. Na deze gebeurtenissen heeft eiser zijn akkeractiviteiten gestaakt, zijn telefoonnummer gewijzigd en is in Mogadishu ondergedoken om hernieuwd contact met Al Shabaab te voorkomen. Hiermee is het probleem nooit beëindigd, eiser heeft zich slechts gedwongen onttrokken aan de situatie. Dat eiser sinds 2023 niets meer van Al Shabaab heeft vernomen betekent niet dat geen sprake is van een voortdurende dreiging. Daarnaast betaalt de jongere broer van eiser nog steeds geld aan Al Shabaab, wat de dwangrelatie bevestigd. Verder verlangt verweerder volgens eiser ten onrechte naar een directe daderindicatie om de betrokkenheid van Al Shabaab bij de handgranaataanval aannemelijk te achten, terwijl een reëel en voorzienbaar risico volstaat. Eiser heeft consistent over de aanval verklaard en in samenhang met de landeninformatie en de modus operandi van Al Shabaab is absolute zekerheid niet vereist. De afhandeling via de broer van eiser, die ongedeerd terugkeerde, sluit persoonlijke gerichtheid op eiser niet uit. Tot slot voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten alle relevante elementen van zijn asielrelaas afzonderlijk en in samenhang te beoordelen. Volgens eiser had verweerder hem het voordeel van de twijfel moeten geven.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser met Al Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij een persoonlijk en blijvend doelwit van Al Shabaab zou zijn gebleven en er zijn geen concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat Al Shabaab het specifiek op eiser had gemunt. Na het opgeven van de akker toen eiser de belastingbetaling weigerde, heeft Al Shabaab namelijk geen contact meer met hem gezocht en heeft eiser geen verdere gevolgen ondervonden. Over de problemen bij [bedrijf] stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser bedreigingen ontving via de bedrijfstelefoon, niet zijn privénummer. In dit geval was zijn broer degene die de belasting moest betalen en afhandeling hiervan is volledig via zijn broer gelopen. Dit ondersteunt het feit dat de bedreigingen niet op eiser persoonlijk gericht waren. Verder heeft eiser na april 2023 niks meer van Al Shabaab vernomen. Ook tijdens zijn verblijf in Mogadishu heeft eiser geen concreet signaal ontvangen dat Al Shabaab nog naar hem op zoek was of interesse in hem had. Met betrekking tot de handgranaataanval heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete aanwijzingen heeft gegeven dat Al Shabaab achter de aanval zat. Eiser heeft de dader niet gezien, er waren geen getuigen aanwezig en op dat moment had eiser geen lopend conflict met Al Shabaab. Eiser heeft geen informatie overgelegd die een directe koppeling tussen de aanval en Al Shabaab aannemelijk maakt. Het echt bevonden paspoort maakt het voorgaande dit niet anders.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak een integrale geloofwaardigheidstoets verricht. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd welke verklaringen volgens hem niet of onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken. Verweerder heeft gekeken naar de verklaringen van eiser en is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling omdat eiser geen objectieve documenten ter onderbouwing van zijn asielmotief heeft overgelegd. Omdat eiser niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw voldoet heeft verweerder het asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden.
Terugkeerbesluit
8. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit aan hem heeft uitgevaardigd. Bij terugkeer naar Somalië loopt eiser namelijk een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [3] wegens de dreiging van Al Shabaab. Verder is met de echtbevinding van het Somalische paspoort onomstotelijk bevestigd dat eiser de Somalische nationaliteit bezit en niet de Chinese. Het terugkeerbesluit, voor zover het ziet op China, kan zonder nadere motivering niet langer gedragen worden. Dit is namelijk in strijd met de Terugkeerrichtlijn [4] en het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen. Het asielrelaas van eiser is namelijk niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waarom er bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade is in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser kan daarnaast op een
removal orderterugkeren naar China. Zo’n
removal orderhoudt de verplichting in voor de luchtvaartmaatschappij waarmee eiser in Nederland is aangekomen, eiser buiten het Schengengebied te brengen als verweerder daarom vraagt. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd waarom door het effectueren van de
removal ordereen situatie ontstaat als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft en eiser moet terugkeren naar Somalië of China.
10. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden. Eiser heeft immers pas op de zitting een origineel paspoort aangekondigd. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan een aanvullend besluit genomen, maar is op goede gronden bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.57275:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.57276:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Richtlijn 2008/115/EG.