ECLI:NL:RBDHA:2026:17121

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5365 en NL26.5366
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 30b, eerste lid, onder j, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens schending samenwerkingsplicht en onvoldoende motivering

Eiser, een Turkse Koerdische asielzoeker in detentie, diende op 24 juli 2024 een asielaanvraag in Nederland in, nadat zijn eerdere aanvraag in Frankrijk was afgewezen. De minister wees de aanvraag op 24 januari 2026 af als kennelijk ongegrond vanwege twijfel over de identiteit en onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar.

De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende voorbereidingstijd heeft gehad voor het nader gehoor, ondanks dat het aanmeldgehoor en nader gehoor op dezelfde dag plaatsvonden. De minister mocht de identiteit van eiser niet aannemen als vaststaand, omdat eiser geen objectieve documenten overlegde en geen verschoonbare reden gaf voor het ontbreken daarvan.

Belangrijk is dat de minister niet voldeed aan zijn samenwerkingsplicht: hij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de in beroep overgelegde Turkse documenten die een begin van bewijs vormen voor de vrees voor vervolging. Hierdoor is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.5365 (beroep)
NL26.5366 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], eiser en verzoeker, hierna eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven
.De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 juli 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Yildiz als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft op 19 januari 2022 een asielaanvraag ingediend in Frankrijk, die is afgewezen. Op enig moment is hij naar Nederland gereisd, waar hij op 17 mei 2022 een misdrijf heeft gepleegd. Bij uitspraak van 23 december 2025 is hij is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden schuldig bevonden aan zware mishandeling en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het gerechtshof heeft eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. [2] Op 24 juli 2024 heeft eiser vanuit de penitentiaire inrichting een asielaanvraag ingediend. Op grond van de Dublinverordening [3] heeft de minister een terugnameverzoek ingediend. Frankrijk heeft dat verzoek geaccepteerd op 7 november 2024. Eiser is niet binnen de overdrachtstermijn overgedragen aan Frankrijk en is daarom op 8 november 2025 toegelaten tot de nationale asielprocedure.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1993. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en hij was in Turkije lid van de PKK [4] . In mei 2016 heeft hij deelgenomen aan de Gezi-protesten in Istanbul, Turkije. Eiser moest naar aanleiding daarvan voor de rechtbank verschijnen, maar heeft dat niet heeft gedaan. Er is vervolgens een arrestatiebevel tegen eiser uitgevaardigd. In 2020 is eiser daarom vertrokken uit Turkije.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst; en
  • politieke overtuiging en activiteiten.
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers identiteit wordt niet geloofwaardig geacht, omdat eiser geen objectieve documenten ter identificatie heeft overgelegd en hier geen goede verklaring voor heeft gegeven. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat het tweede asielmotief geloofwaardig is, maar niet is gebleken dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico zal lopen op ernstige schade. De minister concludeert dat de asielaanvraag vanwege gevaar voor de openbare orde kennelijk ongegrond is. [5]
Het beroep
Voorbereidingstijd
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat zijn aanmeldgehoor en nader gehoor op dezelfde dag achtereenvolgens zijn afgenomen, zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld om het gehoor voor te bereiden. Uit de rechtspraak [6] en het Vb 2000 [7] volgen dat eiser na het aanmeldgehoor en voor het nader gehoor in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zich met zijn gemachtigde voor te bereiden op het nader gehoor. Dat is niet gebeurd.
6.1.
De rechtbank overweegt dat voor vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld of wiens vrijheid rechtens is ontnomen op grond van een niet-vreemdelingrechtelijke titel, geen rust- en voorbereidingstermijn geldt. [8] Uit het Vb 2000 volgt dat in dat geval moet worden gewaarborgd dat de vreemdeling op een passend moment in de gelegenheid wordt gesteld om te worden voorgelicht over het vervolg van de asielprocedure en om zich op het nader gehoor voor te bereiden. [9]
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser gedetineerd is vanwege zijn strafrechtelijke veroordeling. Eiser heeft dus geen rust- en voorbereidingstermijn gehad. In geschil is of eiser op een passend moment in de gelegenheid is gesteld om zich voor te bereiden op het nader gehoor. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiser op 19 december 2025 een mail heeft ontvangen van de minister met de planning van de procedure van eiser. Op 9 januari 2026 zou het aanmeldgehoor plaatsvinden en op 13 januari 2026 het nader gehoor. De gemachtigde is met die planning akkoord gegaan. Eiser en zijn gemachtigde zouden zich op 12 januari 2026 voorbereiden op het nader gehoor en op 15 januari 2026 zouden zij afspreken om het nader gehoor te bespreken en eventueel correcties en aanvullingen in te dienen. Tijdens het bezoek op 12 januari 2026 kwam de gemachtigde van eiser erachter dat het geplande aanmeldgehoor niet had plaatsgevonden. Eiser en zijn gemachtigde hebben toen niet het nader gehoor voorbereid. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens per mail aan de minister gevraagd waarom het aanmeldgehoor geen doorgang had gevonden, maar heeft hier geen antwoord op ontvangen. Op 15 januari 2026 ontving de gemachtigde van eiser het rapport van het gecombineerde aanmeldgehoor en nader gehoor dat op 13 januari 2026 had plaatsgevonden. Op 20 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiser hem opnieuw bezocht voor de correcties en aanvullingen op het gehoor.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gelegenheid geboden aan eiser om zich met zijn gemachtigde voor te bereiden op het nader gehoor. In artikel 3.109, zevende lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de vreemdeling op een passend moment voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek in die gelegenheid wordt gesteld. Hieruit volgt dus niet dat het tussen het aanmeldgehoor en het nader gehoor moet plaatsvinden. Dit volgt ook niet uit de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen. Het had op de weg van eiser en zijn gemachtigde gelegen om zich op 12 januari 2026 voor te bereiden op het vervolg van de asielprocedure. Door dit niet te doen, komt het voor rekening en risico van eiser dat hij minder goed voorbereid het nader gehoor is ingegaan. De rechtbank overweegt verder dat het ook op de weg van de gemachtigde had gelegen om, als het voorbereiden moeizaam verliep, eerder in de procedure de minister hierover te informeren, zodat er eventueel een ander passend moment voor de voorlichting en voorbereiding kon plaatsvinden. Eiser en zijn gemachtigde hebben dit nagelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Identiteit
7. Eiser voert verder aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn identiteit niet geloofwaardig is, omdat zijn naam en geboortedatum vast zijn komen te staan in het kader van zijn strafrechtelijke veroordeling in Nederland.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft in dit kader terecht overwogen dat de identiteitsvaststelling in strafrechtelijke processen een ander doel heeft dan de identiteitsvaststelling in verblijfsrechtelijke procedures. Voor het uitbrengen van een strafrechtelijk vonnis moet slechts vast komen te staan dat de persoon die terechtstaat dezelfde persoon is als tegen wie vervolging is ingesteld. In verblijfsrechtelijke procedures moet de identiteit van de vreemdeling die verblijf aanvraagt vast komen te staan. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn identiteit te staven en dat hij geen verschoonbare verklaring heeft gegeven waarom objectieve bewijsstukken ontbreken. De enkele stelling van eiser dat zijn advocaat in Frankrijk in bezit is van zijn Turkse identiteitsdocumenten en dat hij deze meerdere malen heeft opgevraagd, maar niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Eiser heeft die stelling niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Aannemelijkheid van de vrees
8. Eiser voert aan dat de minister de vrees voor vervolging in Turkije ten onrechte niet aannemelijk heeft gevonden. Eiser verwijst hierbij naar het meest recent Algemene Ambtsbericht over Turkije, [10] waaruit blijkt dat leden van de PKK en demonstranten in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staan. In beroep heeft eiser nieuwe stukken overgelegd, namelijk een proces-verbaal van een Turkse rechtbank, waaruit blijkt dat eiser in Turkije is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en tien maanden, en een arrestatiebevel dat tegen hem is uitgevaardigd.
8.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de herkomst van de stukken niet duidelijk is. Ook is het onduidelijk of het arrestatiebevel verband houdt met de gestelde veroordeling van eiser of anderszins politiek gemotiveerd is. Het arrestatiebevel komt namelijk uit 2024, terwijl eiser volgens het proces-verbaal al in 2019 zou zijn veroordeeld. Ook zou het arrestatiebevel in een andere regio van Turkije zijn uitgevaardigd, dan waar de veroordeling heeft plaatsgevonden. Verder is de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht, waardoor het niet duidelijk is dat de stukken ook daadwerkelijk betrekking hebben op eiser. Het is daarbij opmerkelijk dat de stukken pas in beroep zijn overgelegd, terwijl deze de kern van de asielaanvraag zijn. De minister stelt zich verder op het standpunt, dat als al van de stukken en de echtheid daarvan uit zou worden gegaan, hieruit niet blijkt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft na zijn gestelde veroordeling namelijk nog een jaar zonder problemen in Turkije gewoond en met de stukken is ook niet aannemelijk gemaakt dat het tenuitvoerleggen van deze straf en detentieomstandigheden in Turkije tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM [11] zou leiden.
8.2.
In artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn [12] staat dat de lidstaat tot taak heeft om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen (samenwerkingsplicht). Zoals volgt uit de rechtspraak van het HvJEU, [13] houdt deze op de lidstaat rustende samenwerkingsplicht in dat als de door de verzoeker om internationale bescherming aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig zijn de betrokken lidstaat in deze fase van de procedure actief met de verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven. Daarbij is relevant dat een lidstaat mogelijkerwijs gemakkelijker toegang heeft tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker. [14]
8.3.
De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet voldaan aan de op hem rustende samenwerkingsplicht. Eiser heeft met de stukken een begin van bewijs geleverd ter onderbouwing van zijn asielrelaas en zijn vrees voor vervolging in Turkije. De eerst ter zitting ingenomen stelling van verweerder dat er onduidelijkheden zijn met betrekking tot de documenten en dat ze daarom de gestelde vrees niet aannemelijk kunnen maken, volgt de rechtbank niet. Gelet op de samenwerkingsplicht had het op de weg van de minister gelegen om, in het geval van gerezen twijfel, nader onderzoek te doen naar de documenten door bijvoorbeeld eiser nader te horen of documentonderzoek te doen. Door dit niet te doen, heeft de minister de op hem rustende samenwerkingsplicht geschonden.
8.4.
Ten aanzien van de stelling dat het opmerkelijk is dat de aanvullende stukken laat en pas na het bestreden besluit zijn ingediend, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 83 van Pro de Vw en het Unierecht is sprake van een ex nunc-toetsing. Oftewel, ook in beroep overgelegde stukken dienen bij de beoordeling te worden betrokken. Daar komt bij dat eiser een verklaring heeft gegeven voor het pas in beroep overleggen van de stukken. Eiser was tot januari 2026 in de veronderstelling dat hij zou worden overgedragen aan Frankrijk om daar een asielprocedure te doorlopen. Dit blijkt ook uit zijn nader gehoor. Pas op enig moment na het nader gehoor was het voor eiser duidelijk dat niet Frankrijk maar Nederland verantwoordelijk was. Eiser heeft vervolgens bij zijn gronden van beroep op 6 februari 2026 de stukken overgelegd. Dit was ruim voor de zitting. Het had op de weg van de minister gelegen om op dat moment de stukken te beoordelen en indien er onduidelijkheden rezen, eiser nader te bevragen en te confronteren met de door de minister opgemerkte discrepanties. De minister heeft dit nagelaten en ook niet onderbouwd waarom dit niet is gedaan. Bij bericht van 8 juni 2026 heeft de rechtbank verweerder ook nog gewezen op deze stukken en verweerder gevraagd om hier een standpunt over in te nemen. Verweerder heeft nagelaten om voor de zitting al een standpunt in te nemen. Door te wachten tot de zitting en eiser toen te confronteren met de bij de minister gerezen vragen, heeft verweerder ook in dit respect niet voldaan aan de samenwerkingsplicht.
8.5.
Omdat het beroep reeds hierom slaagt, behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarmee is het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [15] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De minister kan dat besluit pas nemen nadat hij zijn deel van de samenwerkingsplicht is nagekomen. De rechtbank geeft, gelet op het nog te verrichten onderzoek, de minister een termijn van acht weken voor het nemen van een nieuw besluit.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.5365:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 januari 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrecht in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.5366:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Parketnummer 21-000039-25.
3.Verordening (EU) 604/2013.
4.Koerdische Arbeiderspartij.
5.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
6.Zie de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2023:5862.
7.Eiser wijst op de artikelen 3.108d, zevende lid, 3.109 en 3.110 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
8.Artikel 3.109, zesde lid, onder c, van het Vb 2000.
9.Artikel 3.109, zevende lid, van het Vb 2000.
10.Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025.
11.Het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
12.Richtlijn 2011/95/EU. inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
13.Hof van Justitie van de Europese Unie.
14.Zie het arrest M van het HvJEU, 22 november 2012, ECLI:EU:C:2012:744, onder 66. Zie in dit respect ook het arrest X van het HvJEU van 29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:523, onder 48 tot en met 54.
15.Algemene wet bestuursrecht.