Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.36102
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens middelenvereiste

Eiseres, samen met haar minderjarige kinderen, allen van Surinaamse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar partner, de referent, te verblijven. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste, waarbij het inkomen uit een persoonsgebonden budget (PGB) door verweerder als gefingeerd werd beschouwd en buiten beschouwing werd gelaten.

De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 behandeld en oordeelt dat het standpunt van verweerder niet kan worden gevolgd. De gewijzigde zorgovereenkomst tussen referent en het Zilveren Kruis uit mei 2025 is geldig en het inkomen uit het PGB wordt ondersteund door loonspecificaties. Verweerder mocht deze overeenkomst niet zonder nader onderzoek terzijde schuiven.

Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onjuiste beoordeling van het middelenvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.36102

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [v-nummer 1],
mede namens haar minderjarige kinderen,

[minderjarige 1],

V-nummer: [v-nummer 2],
en

[minderjarige 2],

V-nummer: [v-nummer 3],
allen van Surinaamse nationaliteit (hierna: eiseres en haar kinderen)
(gemachtigde: [gemachtigde])

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 26 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (hierna: referent)’. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen met het primaire besluit van 15 juli 2024.
1.1.
Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, bijgestaan door [de persoon 1], en de gemachtigden van beide partijen.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Achtergrond
3. Eiseres en haar kinderen zijn van Surinaamse nationaliteit. Eiseres wil met haar kinderen bij referent, haar partner, verblijven. Op 26 januari 2024 heeft referent voor de vierde keer ten behoeve van eiseres en haar kinderen een aanvraag ingediend voor een mvv. De aanvraag voor eiseres is ingediend voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’. De aanvraag voor de kinderen is ingediend voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [de persoon 2]’.
3.1.
Referent heeft bij de aanvraag aangegeven dat hij inkomen genereert uit zijn eigen rijschool en uit een zorgovereenkomst met het Zilveren Kruis in het kader van een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) ten behoeve van de zorg voor zijn zus [de persoon 3]. Referent en zijn zus [de persoon 1] verlenen beiden zorg aan [de persoon 3].
Het standpunt van verweerder
4. Volgens verweerder is de (huwelijks-)relatie tussen eiseres en referent voldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres echter afgewezen, omdat referent niet aan het middelenvereiste voldoet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst van opdracht tussen referent en zijn zus gefingeerd is en laat daarom het inkomen uit het PGB buiten beschouwing. Met enkel het inkomen wat referent uit zijn eigen onderneming verdient, heeft referent niet aangetoond dat hij over een duurzaam en voldoende inkomen beschikt waarmee hij aan het middelenvereiste voldoet. Verweerder is daarom bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Inkomsten
Standpunt eiseres
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de PGB inkomsten van referent buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van het middelenvereiste. Eiseres bestrijdt dat het dienstverband gefingeerd is. Verder bestrijdt eiseres dat het inkomen van referent uit zijn eigen rijschool niet duurzaam is.
Oordeel van de rechtbank
6. Tussen partijen is niet in geschil dat enkel het inkomen van referent uit de rijschool onvoldoende is om te voldoen aan het middelenvereiste. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of verweerder de inkomsten uit het PGB buiten beschouwing mocht laten. Referent bestrijdt dat de gewijzigde zorgovereenkomst van mei 2024 gefingeerd is.
6.1.
Bij verweerder zijn in aanloop naar het primaire besluit twijfels ontstaan over de door referent overgelegde zorgovereenkomst met het Zilveren Kruis uit 2024. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verweerder vragen gesteld aan het Zilveren Kruis over de bestaande zorgovereenkomst. Naar aanleiding hiervan heeft het Zilveren Kruist een huisbezoek gedaan. [1] [de persoon 1] heeft tijdens dit bezoek verklaard dat zij nachtzorg verleent en referent dagzorg. Ook is gebleken dat de uren door referent en zijn zus niet op de juiste manier werden gedeclareerd. Het Zilveren Kruis gaf daarbij aan dat de indruk niet was dat er bewust verkeerd werd gedeclareerd en dat zij een nieuwe zorgovereenkomst zouden opstellen voor alle personen die zorg leveren. Uit deze gewijzigde overeenkomst van 24 mei 2025 volgt dat referent per 1 juni 2025 zorg verleent aan [de persoon 3] van maandag tot zondag van 08:00 tot 12:00 uur. Op woensdagen en vrijdagen blijft referent tot 15:00 uur bij haar.
6.2.
Uit de zorgovereenkomst uit 2024 volgt dat referent van maandag tot en met vrijdag van 22:00 uur tot 6:00 uur zorg verleent. Omdat de bevindingen van het huisbezoek volgens verweerder niet overeenkomen met deze zorgovereenkomst heeft verweerder referent gehoord op 3 juni 2025. Tijdens deze hoorzitting bleef referent erbij dat hij, anders dan [de persoon 1] heeft verklaard, de nachtzorg doet. Omdat de verklaring van referent strijdig is met de bevindingen van het huisbezoek en de gewijzigde zorgovereenkomst, stelt verweerder dat de gewijzigde overeenkomst gefingeerd is en dat hij hieraan geen waarde kan hechten voor de beoordeling van de middelen van bestaan.
6.3
Naar het oordeel van de rechtbank kan het standpunt van verweerder dat de zorgovereenkomst gefingeerd is niet worden gevolgd. Vaststaat dat referent in mei 2025 een gewijzigde zorgovereenkomst is aangegaan met Zilveren Kruis. Hieruit volgt dat referent 34 uur per week werkt en daarvoor inkomsten ontvangt. Niet gebleken is dat bij Zilveren Kruis twijfel is ontstaan over de vraag of referent daadwerkelijk zorg verleent overeenkomstig de gewijzigde zorgovereenkomst. Zilveren Kruis heeft niet kenbaar gemaakt dat referent zich niet aan deze overeenkomst houdt of dat zij de overeenkomst willen opzeggen of ontbinden. Daar komt bij dat de ontvangen inkomsten uit het PGB worden ondersteund door de loonspecificaties die referent heeft overgelegd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat bij verweerder twijfel is ontstaan door de verklaringen van referent en [de persoon 1] over de zorg die zij verlenen, hebben referent en [de persoon 1] op de zitting nader toegelicht dat [de persoon 3] 24 uur per dag zorg nodig heeft. Zij zijn beide ’s nachts steeds aanwezig, maar deze uren worden niet langer gedeclareerd. Zij verlenen samen zorg en nemen ook met enige regelmaat de zorgdiensten van elkaar over. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder, gelet op het vorenstaande, niet zonder nader onderzoek de gewijzigde zorgovereenkomst van referent met het Zilveren Kruis van juni 2025 ter zijde schuiven. De beroepsgrond slaagt.
7. Reeds hierom is het beroep gegrond, de overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolg

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en opnieuw moeten beoordelen of referent voldoet aan het middelenvereiste. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op 1 mei 2025.